Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12459

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-10-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
NL17.10137
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.10137


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. L.M. Weber),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovács).

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw), niet in behandeling genomen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Rida. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1972 en bezit de Syrische nationaliteit. Hij heeft op 3 mei 2017 een asielverzoek ingediend. Verweerder heeft het asielverzoek van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, omdat Italië verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling van de aanvraag.

2. Verweerder heeft op 2 juni 2017 de Italiaanse autoriteiten verzocht eiser over te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van Verordening (EU) 604/2013 (hierna: de Dublinverordening). De Italiaanse autoriteiten hebben hierop niet tijdig gereageerd. Op grond van artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening staat dit gelijk met het aanvaarden van het overnameverzoek.

3. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Vele asielzoekers hebben verklaard ten aanzien van de slechte asielprocedure, de slechte opvang en de slechte medische zorg in Italië. Daarbij komt dat de asielstroom aanzienlijk is toegenomen, waardoor de druk op het systeem in Italië alleen maar is vergroot en de positie van asielzoekers zijn verslechterd. Eiser verwijst daarbij naar de “Veel gestelde vragen Dublin Italië”, van augustus 2017 op Vluchtweb. Daaruit blijkt ook dat het vrijwel onmogelijk is om op een adequate manier bij de desbetreffende autoriteiten te klagen. Voor zover verweerder heeft verwezen naar de door het European Refugee Fund (hierna: FER) gefinancierde projecten in Italië, voert eiser aan dat de specifiek voor Dublin-terugkeerders opgezette FER-projecten in de zomer van 2015 zijn verlopen en daarop geen vervangende projecten zijn gevolgd.

Voorts betoogt eiser dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Er is sprake van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat zijn overdracht aan Italië van een onevenredige hardheid getuigt. Hij voert daartoe aan dat hij door zijn ervaringen in Syrië is getraumatiseerd en daardoor zeer afhankelijk is van zijn vrouw, dan wel van een andere vertrouwenspersoon. In Nederland is dat, wegens verblijf van eisers vrouw in Jordanië, zijn neef. Eiser lijdt aan epilepsie, gebruikt diverse medicijnen en staat onder behandeling van een neuroloog en psycholoog. Hij stelt dat hij is aan te merken als een kwetsbaar persoon in de zin van het Tarakhel-arrest. Verweerder is dan ook gehouden aanvullende garanties van de Italiaanse autoriteiten te vragen, alvorens hem aan Italië over te dragen, aldus eiser.

4. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan elke lidstaat, in afwijking van artikel 3, lid 1, besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

In paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 heeft verweerder bepaald dat hij in ieder geval van de in artikel 17 van de Dublinverordening neergelegde bevoegdheid gebruik maakt in de volgende situaties:

- er zijn concrete aanwijzingen dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt;

- bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt; of
- (…).

Gelet op de ruime mate van bestuurlijke vrijheid die verweerder heeft om deze bevoegdheid toe te passen, toetst de rechtbank de beslissing van verweerder om deze bevoegdheid wel of niet toe te passen terughoudend. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 21 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1666).

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in beginsel van uit mag gaan dat de autoriteiten van Italië zich houden aan internationale verplichtingen. Bij dreigende schending geldt het uitgangspunt dat daarover geklaagd kan worden bij de Italiaanse autoriteiten. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Italië een risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM.

5.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Italië sprake is van ernstige aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. De rechtbank verwijst in dit verband verder naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 10 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2278) en van 16 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:73), waaruit volgt dat ten aanzien van Italië in het algemeen nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De verwijzing van eiser naar de “Veel gestelde vragen” op Vluchtweb leidt niet tot een ander oordeel, nu daaruit niet blijkt dat de situatie in Italië wezenlijk is verslechterd ten aanzien van de situatie waar de Afdeling in haar uitspraken reeds vanuit is gegaan.

5.3

Gelet op het interstatelijke vertrouwensbeginsel heeft verweerder zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat van eiser verwacht mag worden dat hij, indien hij in Italië onverhoopt toch een risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest, hij zich bij deze problemen in Italië wendt tot de daartoe aangewezen Italiaanse (hogere) autoriteiten dan wel geëigende instanties. Het beroep op de “Veel gestelde vragen” op Vluchtweb leidt ook in dat kader niet tot een ander oordeel.

5.4

Voor zover eiser heeft beoogd een beroep te doen op artikel 16 van de Dublinverordening, wordt overwogen dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat een neef in het kader van een afhankelijkheidsrelatie niet een familielid is die wordt genoemd in die bepaling, op grond waarvan verweerder de asielaanvraag aan zich had moeten trekken.

5.5

De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de bijzondere, individuele omstandigheden van eiser maken dat de overdracht aan Italië van een onevenredige hardheid getuigt. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat uit de verklaringen van eiser niet volgt dat hij een reëel risico zal lopen op onmenselijke en vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het EVRM, dan wel artikel 4 van het Handvest. Niet is gebleken dat hij in het verleden in Italië slachtoffer is geworden van een dergelijke behandeling. Ook blijkt uit de door eiser overgelegde stukken niet dat hij afhankelijk is van specifiek door zijn neef geleverde mantelzorg. Verweerder heeft derhalve in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

5.5

Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015 (ECLI:RVS:2015:3806) volgt dat de reikwijdte van het Tarakhel-arrest niet is beperkt tot gezinnen met minderjarige kinderen. Vergelijkbare garanties van de Italiaanse autoriteiten kunnen zijn vereist voor andere vreemdelingen die als potentieel bijzonder kwetsbaar kunnen worden aangeduid.

Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zonder het verkrijgen van aanvullende garanties in Italië geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zal kunnen krijgen. Verweerder heeft ter zitting immers verklaard in overeenstemming met artikel 32 van de Dublinverordening informatie te verzenden aan de Italiaanse autoriteiten over de bijzondere behoeften van eiser. Indien de Italiaanse autoriteiten verweerder informeren dat zij op dat moment niet aan die behoeften kunnen voldoen, zal verweerder de overdracht opschorten. In dit verband verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1258, waarin de Afdeling heeft overwogen dat er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit kan worden gegaan dat de Italiaanse autoriteiten dat ook daadwerkelijk zullen doen. Gelet op voornoemde werkwijze, de problematiek van eiser en onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 18 september 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2505), ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat zonder aanvullende garanties van de Italiaanse autoriteiten niet valt uit te sluiten dat de overdracht van eiser in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM. Dat sprake is van een fictief claimakkoord, maakt hetgeen hiervoor is overwogen niet anders.

5.6

Voor zover eiser ter zitting een beroep heeft gedaan op het arrest Paposhvili overweegt de rechtbank dat dat arrest betrekking heeft op een uitzetting naar het land van herkomst. Dat arrest ziet daarom niet op een vergelijkbare situatie als de situatie van eiser, nu eiser niet wordt overgedragen aan zijn land van herkomst, maar aan Italië. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in beginsel van uitgaan dat de autoriteiten van Italië zich houden aan verdragen en aan de tot haar - als lidstaat van de EU - gerichte richtlijnen. Italië wordt in dit verband geacht dezelfde medische voorzieningen te hebben als Nederland en eventuele medische problemen te kunnen behandelen.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.