Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1245

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-01-2017
Datum publicatie
20-02-2017
Zaaknummer
C/09/500972 / HA RK 15-532
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verzoek vaststelling Nederlanderschap. Vastgesteld dat verzoekster de Nederlandse nationaliteit heeft bezeten. TOS.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Nationaliteitsrecht 2017/853
JV 2017/125 met annotatie van prof. mr. G.R. de Groot
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: HA RK 15-532

Zaaknummer: C/09/500972

Datum beschikking: 19 januari 2017

Beschikking op het op 2 december 2015 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster] ,

verzoekster,

wonende te [woonplaats] (Suriname),

advocaat: mr. A. Jankie te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verder te noemen: de IND),

zetelend te Den Haag,

vertegenwoordigd door mr. C.M. Meijer.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brief met bijlagen d.d. 27 juli 2016 van de IND;

- de brief d.d. 22 augustus 2016 van de officier van justitie.

Op 8 december 2016 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • -

    de advocaat van verzoekster;

  • -

    mr. C.M. Meijer namens de IND.

De officier van justitie heeft schriftelijk te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de zitting.

Verzoek en het standpunt van de IND en de officier van justitie

Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank:

  • -

    vaststelt dat verzoekster altijd en ononderbroken de Nederlandse nationaliteit heeft bezeten;

  • -

    het besluit d.d. 10 juli 2014 van de Minister van Buitenlandse Zaken, waarin het bezwaar van verzoekster tegen de beschikking waarbij haar aanvraag voor een Nederlands paspoort is afgewezen, vernietigt.

De IND stelt zich op het standpunt dat het verzoek van verzoekster moet worden afgewezen omdat verzoekster nimmer in het bezit is geweest van de Nederlandse nationaliteit.

De officier van justitie heeft schriftelijk verklaard dat zij zich aansluit bij het standpunt van de IND.

Feiten

  • -

    Verzoekster is op [geboortedatum] in het toenmalige distrikt Suriname (het huidige Suriname) geboren uit het huwelijk van de heer [de vader] (hierna: de vader) en mevrouw [de moeder] (hierna: de moeder).

  • -

    Ten tijde van de geboorte van verzoekster had de vader (waarschijnlijk) de Britse nationaliteit.

  • -

    De moeder heeft de staat van Nederlands onderdaan niet-Nederlander bezeten, maar heeft die staat op 28 februari 1941 verloren door haar huwelijk met de vader. Zij had die staat derhalve niet meer ten tijde van de geboorte van verzoekster.

  • -

    Verzoekster is op 24 augustus 1968 in Suriname gehuwd met de heer [de man] die destijds de Nederlandse nationaliteit had. Verzoekster was toen achttien jaar.

  • -

    Verzoekster heeft zich op 9 september 1968 (samen met haar echtgenoot) in Nederland gevestigd. Zij werd in Nederland ingeschreven met de Nederlandse nationaliteit.

  • -

    De moeder van verzoekster heeft op 28 januari 1970 de Nederlandse nationaliteit verkregen door het doen van een kennisgeving tot verkrijging van het Nederlanderschap op grond van artikel 4 van de bijzondere overgangsbepalingen van de Wet van 14 november 1963 op het Nederlanderschap en Ingezetenschap (hierna: WNI).

  • -

    Op 30 januari 1978 heeft verzoekster op grond van artikel 5 lid 1 TOS geopteerd voor de Surinaamse nationaliteit.

  • -

    Verzoekster is gedurende (in ieder geval) een periode na 30 januari 1978 in het bezit geweest van een Surinaams paspoort.

  • -

    Verzoekster is vanaf oktober 1997 tot februari 2012 in het bezit geweest van een Nederlands paspoort.

Beoordeling

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij bij haar geboorte dan wel op enig later moment de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen en dat zij thans nog altijd in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.

De IND stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat verzoekster nimmer in het bezit is geweest van de Nederlandse nationaliteit.

Als eerste dient te worden beoordeeld of en zo ja, wanneer verzoekster de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Hiertoe is het volgende van belang.

Ten tijde van de geboorte van verzoekster waren haar ouders niet in het bezit van de Nederlandse nationaliteit, zodat verzoekster niet door afstamming de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.

Ingevolge artikel 1 van de Wet houdende regeling van het Nederlandsch onderdaanschap van niet Nederlanders van 10 februari 1910 (Stb. 1910, 55), welke wet bij wet van 10 juni 1927 (Stb. 1927, 175) van toepassing werd verklaard op de bevolking van Suriname en Curaçao, verkreeg verzoekster bij haar geboorte de status van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander.

In verband met de onafhankelijkheid van Indonesië op 27 december 1949 werd bij Wet nadere regelen omtrent nationaliteit en ingezetenschap van 21 december 1951 (Stb. 1951, 593) met terugwerkende kracht tot 27 december 1949, het Nederlands onderdaanschap omgezet in het volledige Nederlanderschap en werd de Wet houdende regeling van het Nederlandsch onderdaanschap van niet-Nederlanders beperkt tot inwoners van Nieuw Guinea. Deze terugwerkende kracht had tot gevolg dat personen die in de periode van 27 december 1949 tot 21 december 1951 geboren waren en de status van Nederlands onderdaan hadden verkregen, waaronder dus ook verzoekster, deze status met terugwerkende kracht verloren.

Aan het ontbreken van een regeling waardoor kinderen van Surinaamse immigranten van niet-Nederlandse nationaliteit Nederlander konden worden, werd tegemoet gekomen door de invoering van artikel 2bis WNI. Dit artikel is van kracht geweest van 1 oktober 1962 tot 25 november 1975 en luidde:

“Nederlander wordt het in Suriname geboren kind van een tijdens de geboorte aldaar wonende vader of moeder, bij het bereiken van de leeftijd van een en twintig jaar, indien het kind gedurende een onmiddellijk daaraan voorafgegaan tijdvak van drie jaren in Suriname woonplaats of hoofdverblijf heeft gehad. [..]

Verzoekster bereikte op 24 april 1971 de leeftijd van een en twintig jaar. Zij was op dat moment niet woonachtig in Suriname, maar in Nederland. Daardoor verkreeg zij naar de letter van de wet niet op grond van artikel 2bis WNI de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank is echter van oordeel dat een redelijke uitleg van voormelde bepaling met zich brengt dat “het moment van het bereiken van de leeftijd van een en twintig jaar”, als vermeld in artikel 2bis WNI, dient te worden gelezen als het moment waarop de meerderjarige leeftijd werd bereikt. De rechtbank komt hiertoe op grond van de parlementaire geschiedenis van de Wet nadere regelen omtrent nationaliteit en ingezetenschap (Eerste Kamer 1951-1952, kamerstuknummer 2027 ondernummer 2b, Memorie van antwoord op het nader verslag van de commissie van rapporteurs, Bijlagen Eerste kamer, p. 91) en de Memorie van Toelichting bij artikel 2bis WNI (Tweede Kamer 1958-1959, kamerstuknummer 5393, ondernummer 32). Uit deze parlementaire geschiedenis blijkt dat de ratio van de bepaling (mede) het voorkomen was van een verschil van nationaliteit tussen ouders en hun minderjarige kinderen.

Ingevolge de destijds in Suriname geldende wetgeving werden als minderjarigen beschouwd zij die de leeftijd van een en twintig niet hebben bereikt en die niet gehuwd zijn of gehuwd zijn geweest. Het huwelijk van verzoekster bracht derhalve de meerderjarigheid met zich. Verzoekster is gehuwd op 24 augustus 1968 en werd daarmee (al) op achttienjarige leeftijd meerderjarig.

Nu verzoekster in het tijdvak van drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het moment waarop zij meerderjarig werd in Suriname woonplaats had, komt de rechtbank tot het oordeel dat verzoekster op 24 augustus 1968, toen zij meerderjarig werd door het aangaan van een huwelijk, op grond van het bepaalde van het destijds geldende artikel 2bis WNI de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Dit strookt ook met de hiervoor vermelde ratio van de bepaling. Verzoekster werd immers weliswaar jonger dan eenentwintig, maar door haar huwelijk meerderjarig, zodat er ten aanzien van haar geen sprake meer was van een te bewaken eenheid van nationaliteit binnen het gezin van ouders en hun minderjarige kinderen.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of en zo ja, wanneer verzoekster de Nederlandse nationaliteit is verloren.

Hiertoe is van belang dat verzoekster op 30 januari 1978 op grond van artikel 5 lid 1 TOS heeft geopteerd voor de Surinaamse nationaliteit waardoor zij op grond van het bepaalde in artikel 2 TOS de Nederlandse nationaliteit heeft verloren.

Verzoekster heeft gesteld dat deze optieverklaring geen effect heeft gehad. Vast staat echter dat verzoekster nadien in bezit is gesteld van een Surinaams paspoort, zodat de rechtbank deze stelling van verzoekster passeert. De rechtbank gaat tevens voorbij aan de stelling van verzoekster dat de optieverklaring geen effect heeft gehad omdat zij in Suriname als Nederlandse geregistreerd staat. De rechtbank overweegt hiertoe dat de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit door optie op grond van artikel 5 lid 1 TOS niet afhankelijk is gesteld van de registratie hiervan.

Tot slot moet worden beoordeeld of verzoekster op enig moment na het verlies van het Nederlanderschap op 30 januari 1978 het Nederlanderschap heeft herkregen. Naar het oordeel van de rechtbank moet deze vraag ontkennend worden beantwoord. Gesteld noch gebleken is dat verzoekster na 30 januari 1978 door optie, door naturalisatie, dan wel op een andere in de RWN voorziene wijze de Nederlandse nationaliteit heeft herkregen.

Tot slot kan ook het beroep van verzoekster op het vertrouwensbeginsel haar niet baten.

Aan het feit dat aan verzoekster in een periode van meer dan tien jaar meerdere malen een Nederlands paspoort is verstrekt en aan het feit dat zij zowel bij de Nederlandse autoriteiten als bij de Surinaamse autoriteiten geregistreerd stond als Nederlandse, kan zij – hoewel aan haar kan worden toegegeven dat een en ander niet de schoonheidsprijs verdient – niet de Nederlandse nationaliteit ontlenen. Immers, de wijzen waarop de Nederlandse nationaliteit kan worden verkregen, zijn limitatief opgesomd in de RWN en daaronder is niet begrepen een zodanige verkrijging door de werking van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwensbeginsel.

De rechtbank zal gelet op het voorgaande vaststellen dat verzoekster van 24 augustus 1968 tot 30 januari 1978 de Nederlandse nationaliteit bezat. Het meer of anders verzochte zal worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

stelt vast dat [verzoekster] van 24 augustus 1968 tot 30 januari 1978 de Nederlandse nationaliteit bezat;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J. Brandt, S.M. Westerhuis-Evers en J.C. Sluymer, bijgestaan door mr. A.W. Spee als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 januari 2017.

1 De terugwerkende kracht van de regeling heeft inderdaad tot gevolg dat de toepasselijkheid van de wet van 1910 zich van 27 december 1949 af niet meer zal uitstrekken over de inwoners van Suriname en van de Nederlandse Antillen. Degenen die sinds de soevereiniteitsoverdracht uit vreemde ouders geboren zijn in Suriname of in de Nederlandse Antillen, zullen dus na de inwerkingtreding van de wet geen Nederlands onderdaan zijn. Ofschoon het streven er steeds op gericht dient te zijn personen, die de Nederlandse nationaliteit bezitten, deze hoedanigheid niet de doen verliezen en de Regering deze consequentie betreurt, was er in het onderhavige geval geen andere oplossing dan de gekozene redelijk te achten, nu het uit anderen hoofde wenselijk is, dat de regeling terugwerkt tot de datum van de overdracht van de soevereiniteit aan Indonesië. De landsregering van de Nederlandse Antillen had geen bezwaar tegen deze consequentie, terwijl met betrekking tot Suriname een wetsontwerp in voorbereiding is, inhoudende dat aldaar geboren personen, die niet reeds door afstamming Nederlander zijn, bij het bereiken van de meerderjarige leeftijd de Nederlandse nationaliteit zullen verkrijgen.’

2 Het voorgestelde nieuwe artikel 2bis heeft ten doel de kinderen van Surinaamse immigranten van niet-Nederlandse nationaliteit tot Nederlanders te maken. […] Door, in navolging van artikel 44 van de Franse Code de la nationalité het Nederlanderschap eerst bij het bereiken van de leeftijd van een en twintig jaar te verlenen, wordt voorkomen dat in het gezin van de immigranten verschil van nationaliteit tussen ouders en minderjarige kinderen zal ontstaan.”