Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12394

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 29362
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regulier medische behandeling, BMA-advies, geen medische noodsituatie, fysieke overdracht vergewisplicht, veilige behandelomgeving, Paposhvili, verslechtering veiligheidssituatie in Irak, paspoortvereiste, ten onrechte mvv-vereiste tegengeworpen, 8 EVRM

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/29362

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H.K. Jap A Joe),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.R. Bekink).

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), onder de beperking ‘medische behandeling’ afgewezen.

Bij besluit van 16 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was O. Alothman als tolk ter zitting aanwezig.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1980 en heeft de Iraakse nationaliteit. Eiser verblijft als vreemdeling in Nederland. Aan eiser is eerder bij besluit van 1 april 2008 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend van 26 maart 2008 tot 26 maart 2013. Bij besluit van 6 juli 2010 is deze verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 22 november 2008 ingetrokken. Voorts is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘verblijf bij partner [persoon A]’ van 1 mei 2013 tot 1 mei 2018. Bij besluit van 18 januari 2016 is deze verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 3 september 2013 ingetrokken. Op 4 december 2015 heeft eiser de onderhavige aanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en ook niet is vrijgesteld van het mvv-vereiste. Eiser beschikt bovendien niet zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan. Daarnaast voldoet eiser ook niet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven. Uit het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 15 februari 2016 (het BMA-advies van 15 februari 2016) en het advies van het BMA van 15 juli 2016 (het BMA-advies van 15 juli 2016) blijkt dat bij eiser een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een depressieve stoornis zijn gediagnosticeerd. Het uitblijven van medische behandeling zal echter niet leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn en eiser wordt onder bepaalde voorwaarden in staat geacht te reizen. Verder overweegt verweerder dat eiser niet heeft aangetoond dat zijn ziektekostenverzekering deugdelijk is gefinancierd. Ten overvloede merkt verweerder op dat niet is gebleken dat eiser beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding en dat eiser niet heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een zodanig document. Er wordt door verweerder geen vrijstelling van het paspoortvereiste verleend. Tot slot komt verweerder tot de conclusie dat de uitzetting van eiser niet in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat het uitblijven van medische behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn vanwege de omstandigheid dat eiser suïcidaal is. In beroep heeft eiser een verklaring van GGZ Delfland van 24 juli 2017 overgelegd, waaruit blijkt dat eiser sinds 9 maart 2017 in behandeling is voor specialistische zorg. Eiser betoogt dat er geen sprake is van een veilige behandelomgeving in Irak, zodat aannemelijk is dat zijn psychiatrische behandeling aldaar niet zal slagen. Voorts voert eiser aan dat de veiligheidssituatie in Irak momenteel ernstig is. Vooral Irakezen die niet over identiteitsdocumenten beschikken en geen steun hebben van familie en vrienden, zullen bij terugkeer naar Irak een reëel risico lopen op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Hiertoe wijst eiser op het rapport van de UK Home Office, ‘Country Information and Guidance Iraq: Return/Internal Relocation’ van augustus 2016. Eiser is daarnaast van mening dat het volstrekt onzeker is dat hij behandeld kan worden in het [ziekenhuis] in Irak. In dit verband verwijst eiser naar agenda item drie van de negentiende sessie van de Human Rights Council van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 28 februari 2012 (A/HRC/19/NGO/143). Nu thans nog geen medische overdracht is gerealiseerd, is het voor eiser onbegrijpelijk waarom aan hem in de tussentijd geen verblijfsvergunning of uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 is verleend. Het uitblijven van de behandeling zal immers leiden tot een medische noodsituatie en Nederland is momenteel nog steeds het meest aangewezen land voor het ondergaan van de medische behandeling tegen PTSS. Verweerder werpt eiser bovendien ten onrechte het paspoortvereiste en het mvv-vereiste tegen en stelt ook ten onrechte dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij wordt onderhouden door vrienden en kennissen. Tot slot is eiser van mening dat de weigering om aan hem een verblijfsvergunning te verlenen in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De rechtbank overweegt omtrent het verzoek tot vrijstelling van het griffierecht als volgt.

5.1.

Eiser heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht ten aanzien van de verplichting tot het betalen van griffierecht en heeft daartoe op 2 januari 2017 een eigen verklaring omtrent inkomen en vermogen en een uitkeringsspecificatie over november 2016 overgelegd. Gelet op deze verklaringen is de rechtbank van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht dient te worden gehonoreerd, zodat eiser vrijgesteld is van de verplichting tot het betalen van griffierecht.

6. De rechtbank overweegt omtrent de beroepsgronden als volgt.

6.1.

Ingevolge artikel 3.46, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met het ondergaan van medische behandeling worden verleend, indien Nederland naar het oordeel van Onze Minister het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een noodzakelijke medische behandeling en de financiering van die medische behandeling naar het oordeel van Onze Minister deugdelijk is geregeld.

Ingevolge artikel 3.46, vierde lid, van het Vb 2000, voor zover van belang, wordt de aanvraag niet afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 en evenmin op het feit dat de financiering van de medische behandeling niet deugdelijk is geregeld, indien de vreemdeling ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder j, van de Vw 2000 heeft gehad.

6.2.

De rechtbank stelt voorop dat uit het BMA-advies van 15 februari 2016 naar voren komt dat bij eiser PTSS en een depressieve stoornis zijn gediagnosticeerd. Het uitblijven van medische behandeling zal naar het oordeel van het BMA echter niet tot een medische noodsituatie leiden, aangezien er geen sprake is van een levensbedreigend ziektebeeld. In het BMA-advies van 15 juli 2016 wordt in aanvulling op het BMA-advies van 15 februari 2016 overwogen dat uit de nieuwe overgelegde stukken blijkt dat eiser suïcidaal is in relatie tot de gedwongen uitzetting. Derhalve acht het BMA uit medisch oogpunt toezicht op eiser voor, tijdens en direct na de reis noodzakelijk. Een fysieke overdracht is noodzakelijk om te voorkomen dat eiser zichzelf doodt direct na de reis. De overdracht dient de psychiatrische beoordeling/behandeling ter plaatse. Een psychiater en een psychiatrische opname, eventueel gedwongen, is aanwezig in onder andere het [ziekenhuis] in Bagdad.

6.3.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is een BMA-advies aan te merken als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Uit onder meer de uitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1674) blijkt voorts dat verweerder zich er, indien hij een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van moet vergewissen dat dit advies – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is. Indien het advies niet aan deze eisen voldoet, zal het daarop gebaseerde besluit reeds daarom in rechte geen stand kunnen houden. In verband met de mogelijke twijfel aan de onpartijdigheid van het BMA moet de rechter de vraag beantwoorden of een vreemdeling voldoende ruimte heeft gehad tot betwisting van de medische bevindingen van de BMA-arts, bijvoorbeeld door zelf medische stukken over te leggen. Met een contra-expertise kan de vreemdeling de inhoudelijke juistheid van een BMA-advies betwisten. Met stukken van zijn behandelaars kan hij de zorgvuldigheid, inzichtelijkheid en concludentie van een BMA-advies aan de orde stellen dan wel in het kader van artikel 8:47 van de Awb concrete aanknopingspunten aanvoeren voor twijfel aan de inhoud daarvan.

6.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het BMA-advies aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen, omdat deze naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Bij zijn oordeelsvorming heeft de BMA-arts de van de behandelaars verkregen informatie betrokken. Dat eiser suïcidaal is in relatie tot de mogelijke terugkeer naar Irak, is in het BMA-advies van 15 juli 2016 onderkend. Om die reden heeft de BMA-arts aanvullende reisvoorwaarden gesteld. Dat eiser los van de terugkeer naar Irak suïcidaal zou zijn en dat de BMA-arts hier ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden, blijkt niet uit de door eiser overgelegde medische stukken. In dit verband overweegt de rechtbank dat eiser de mogelijkheid heeft gehad om bij de rechtbank stukken in te dienen van zijn behandelaars over zijn suïcidaliteit dan wel om de BMA-adviezen te weerspreken met een contra-expertise. Weliswaar heeft eiser een verklaring van GGZ Delfland overgelegd, waaruit blijkt dat eiser specialistische zorg ontvangt, maar eiser heeft geen medische informatie overgelegd ter weerlegging van de conclusies van het BMA noch de rechtbank verzocht om een onafhankelijke medische deskundige te benoemen. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om te oordelen dat verweerder zijn besluit niet op het BMA-advies heeft mogen baseren.

6.5.

Ten aanzien van de stelling van eiser dat een veilige behandelomgeving in het land van herkomst ontbreekt, overweegt de rechtbank als volgt. Bij uitspraak van 20 december 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU9578) heeft de Afdeling overwogen dat uit de jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg – onder meer de beslissing van 27 april 2010 (ECLI:NL:TGZCTG:2010:YG0250) en de beslissing van 15 maart 2011 (ECLI:NL:TGZCTG:2011:YG1004) – volgt dat het BMA bij het uitbrengen van een advies aan verweerder omtrent de medische situatie van een vreemdeling, indien en voor zover de door een behandelaar van de desbetreffende vreemdeling verstrekte informatie daartoe aanleiding geeft, dient te beoordelen of die informatie, mede gezien de hem reeds uit het dossier bekende gegevens over de medische situatie van die vreemdeling, aanleiding geeft tot gerede twijfel over de effectiviteit van de in het algemeen verkrijgbare medische behandeling of te leveren zorg in het land van herkomst dan wel het land waarnaar de vreemdeling wordt verwijderd, met name gelet op de aard van het trauma en de omstandigheden waaronder dat is veroorzaakt, althans gelet op die omstandigheden waaromtrent het BMA wel kan worden geacht zich uit te laten. Daarbij dient het BMA, voor zover nader onderzoek niet mogelijk is, in zijn advies dan wel nota in ieder geval melding te maken van die gerede twijfel.

6.6.

Omtrent de mogelijkheid tot behandeling in het land van herkomst wordt in het BMA-advies van 15 juli 2016 het volgende opgemerkt:

"Of een geïndiceerde behandeling bij een psychiatrische patiënt effectief zal zijn hangt niet alleen af van de beschikbaarheid van de psychiaters en psychiatrische medicatie. De effectiviteit van een behandeling is afhankelijk van diverse factoren, zoals de aanwezigheid van een steunsysteem bestaande uit familieleden, vrienden en kennissen, voldoende financiële middelen om de behandeling te bekostigen, passende huisvesting, een zinvolle dagbesteding en natuurlijk ook de medewerking van de patiënt zelf. Het totaal van deze omstandigheden is bepalend voor het welslagen van een psychiatrische (traumaverwerkende) behandeling. Een (BMA-)arts kan de medisch-technische beschikbaarheid van de geïndiceerde behandeling van de individuele klachten van betrokkene in het land van terugkeer uitzoeken. De (BMA-)arts kan echter omtrent diverse overige factoren geen deugdelijk onderbouwde uitspraak doen, omdat hij zich dient te houden aan de grenzen van zijn deskundigheidgebied en zijn advies moet steunen op medisch objectiveerbare feiten en omstandigheden. Dat geldt ook voor eventuele bestaande gevoelens van (on)veiligheid. Een gevoel van (on)veiligheid met betrekking tot de behandelomgeving dient gezien te worden als onderdeel van het totale complex aan omstandigheden die een bijdrage kan leveren aan de verbetering van de mentale toestand van de patiënt. Gevoelens van (on)veiligheid zijn echter subjectief en medisch gezien niet objectiveerbaar. Het is daarom voor een (BMA-)arts niet mogelijk om een medisch gefundeerde uitspraak te doen ten aanzien van de vraag of betrokkene de behandelomgeving in het land van herkomst als veilig zal ervaren (waar al dan niet eventuele trauma's hebben plaatsgevonden). Evenmin is voor de (BMA-)arts te beoordelen welke invloed dat heeft op het welslagen van de behandeling (effectiviteit van de behandeling), omdat hierbij ook vele andere factoren van betekenis zijn. In het algemeen kan niet als juist worden aanvaard de stelling dat de behandeling van psychische klachten in het land waar de oorzaak van die klachten ligt of wordt vermoed te liggen niet of niet succesvol kan plaatsvinden (zie de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 8 mei 2012, kenmerk C2011.221, LJN:YG1750, te raadplegen via http://tuchtrecht.overheid.nl).

Mede in het licht van het bovenstaande geven de uitlatingen van de behandelaar(s) ten aanzien van het ontbreken van een als veilig ervaren behandelomgeving mij geen aanleiding om op voorhand te twijfelen aan de effectiviteit van de in het land van herkomst aanwezige behandeling.”

6.7.

De rechtbank stelt voorop dat het BMA tot de conclusie is gekomen dat de verstrekte informatie van de behandelend artsen op voorhand geen aanleiding geeft voor de conclusie dat Irak niet als een veilige behandelomgeving is aan te merken voor de effectieve behandeling van de PTSS en de depressieve stoornis bij eiser. Enkel het gegeven dat eiser in het land van herkomst de traumatische ervaringen heeft ondergaan, zoals in de verklaring van [persoon B] en [persoon C] van 15 juni 2016 is opgenomen, is hiertoe onvoldoende. Voorts is van een concrete op de aard en het ontstaan van de psychische klachten van eiser toegesneden uiteenzetting omtrent de effectiviteit en het te verwachten verloop van een voortgezette behandeling van eiser in het land van herkomst is geen sprake. Verweerder kon derhalve van de juistheid van het BMA-advies van 15 juli 2016 uitgaan.

6.8.

Volgens eiser ontbreekt een steunsysteem van vrienden en familie in Irak en heeft hij ook geen huisvestiging of zinvolle dagbesteding aldaar. Aldus concludeert eiser dat zijn medische behandeling in Irak niet effectief zal zijn. De rechtbank stelt vast dat de BMA-arts op gemotiveerde wijze uiteen heeft gezet dat hij geen aanleiding ziet op om voorhand te twijfelen aan de effectiviteit van de in Irak aanwezige behandeling. De rechtbank ziet in hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd geen aanleiding om aan te nemen dat Irak hierom niet kan worden aangemerkt als een veilige behandelomgeving voor de PTSS en de depressieve stoornis. Hierbij acht de rechtbank van belang dat uit het BMA-advies naar voren komt dat het niet behandelen op zich niet leidt tot een medische noodsituatie op korte termijn. Eiser heeft ook slechts gesteld en niet nader onderbouwd dat een steunsysteem in Irak ontbreekt en dat hij geen huisvestiging of zinvolle dagbesteding kan realiseren in Irak, zodat de rechtbank geen reden ziet om aan de conclusie van het BMA te twijfelen.

6.9.

Onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 13 december 2016, Paposhvili v. België, met zaaknummer 41738/10 (het arrest Paposhvili), heeft eiser ter zitting gesteld dat zijn uitzetting in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank overweegt dat de bewijslast dat sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in het arrest Paposhvili in eerste instantie bij de vreemdeling ligt. De rechtbank is van oordeel dat eiser- in aanmerking genomen het hiervoor overwogene over eisers medische situatie- niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij uitzetting naar Irak in een door artikel 3 van het EVRM verboden situatie zal geraken.

6.10.

De beroepsgrond dat de veiligheidssituatie in Irak is verslechterd en dat eiser derhalve een risico op schending van artikel 3 van het EVRM loopt bij terugkeer naar zijn land van herkomst, kan niet slagen. Dit betreft immers een asielgerelateerde grond die, gelet op de scheiding tussen de asielrechtelijke en de reguliere procedure, in de onderhavige procedure niet beoordeeld kan worden. Indien eiser van mening is dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel als gevolg van de verslechterde veiligheidssituatie in Irak, kan hij een daartoe strekkende aanvraag indienen.

6.11.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, zoals de uitspraak van 15 mei 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW6185), dient verweerder zich reeds ten tijde van zijn besluitvorming ervan te vergewissen dat het mogelijk is dat hij bij de daadwerkelijke verwijdering van de desbetreffende vreemdeling kan voldoen aan de vereisten die het BMA in het advies aan de uitzetting van de vreemdeling heeft verbonden. In het geval het BMA aan de uitzetting van de vreemdeling het vereiste van fysieke overdracht heeft verbonden, dient verweerder in het onderliggende besluit inzichtelijk te maken met welk concreet bij naam genoemde behandelaars dan wel instellingen vóór uitzetting van deze vreemdeling contact zal worden opgenomen teneinde aan dit vereiste te voldoen. In het bestreden besluit heeft verweerder expliciet vermeld dat vóór uitzetting van eiser contact kan worden gelegd met (onder andere) een psychiater in het [ziekenhuis] in Bagdad. Met het desbetreffende ziekenhuis worden afspraken gemaakt over de datum en de wijze waarop de medische behandeling wordt overgedragen. Tevens heeft verweerder aangegeven dat de vreemdeling niet zal worden uitgezet, in het geval de medische overdracht niet geregeld kan worden. Gelet hierop en op het gegeven dat de fysieke overdracht niet reeds ten tijde van de totstandkoming van het besluit geregeld en gegarandeerd dient te zijn, heeft verweerder aan zijn vergewisplicht voldaan. Dat het nog onzeker is of eiser in het [ziekenhuis] behandeld kan worden en of een medische overdracht gerealiseerd kan worden, gelet op het gebrek aan capaciteit en kwaliteit in dit ziekenhuis, doet hieraan niet af. Hetzelfde geldt voor het aangevoerde ter zitting dat er recent een aanval op het [ziekenhuis] heeft plaatsgevonden en dat behandeling aldaar dus niet meer mogelijk is.

7. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser niet beschikt over een paspoort en derhalve niet voldoet aan de in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 gestelde voorwaarde. Eiser heeft ook niet aangetoond dat hij vanwege zijn regering niet in het bezit van een paspoort kan worden gesteld, zodat hij in aanmerking komt voor vrijstelling van het paspoortvereiste op grond van artikel 3.72 van het Vb 2000. Eiser voert in beroep enkel aan dat hij gelet op zijn medische klachten niet naar Irak kan afreizen om daar een paspoort aan te vragen. Gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen, slaagt dit argument niet. Eiser wordt immers, weliswaar onder bepaalde voorwaarden, in staat geacht om naar Irak te reizen.

8. De rechtbank is van oordeel dat eiser terecht heeft aangevoerd dat hij de onderhavige aanvraag tijdig heeft ingediend. Verweerder heeft eiser dan ook ten onrechte het mvv-vereiste tegengeworpen, hetgeen door verweerder in beroep ook wordt erkend. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Verweerder heeft eiser immers tevens tegengeworpen dat hij niet voldoet aan de overige voorwaarden om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning. Zo beschikt eiser niet over een geldig document voor grensoverschrijding en is hij van dit vereiste niet vrijgesteld. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:711), vormt het niet beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding reeds een zelfstandige grond voor afwijzing van een aanvraag. Eiser is dan ook niet in zijn belangen geschaad doordat verweerder hem ten onrechte het mvv-vereiste heeft tegengeworpen.

9. Gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen, behoeft de beroepsgrond aangevoerd tegen het oordeel van verweerder dat eiser niet heeft aangetoond dat zijn ziektekostenverzekering deugdelijk is gefinancierd, geen nadere bespreking. Het niet voldoen aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven en het niet beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding kunnen de afwijzing van de aanvraag van eiser immers zelfstandig dragen.

10. Ten aanzien van het beroep op artikel 8 van het EVRM overweegt de rechtbank als volgt. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven en zijn familie- en gezinsleven. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

10.1.

Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM dient bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op respect voor het privéleven een “fair balance” te worden gevonden tussen enerzijds de belangen van de betrokkene en anderzijds het belang van de staat. Bij deze afweging komt aan de staat een zekere beoordelingsruimte toe. De rechter dient deze beoordeling door verweerder enigszins terughoudend te toetsen.

10.2

De rechtbank stelt met partijen vast dat eiser privéleven heeft in Nederland in de zin van artikel 8 van het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in de belangenafweging betrokken en is verweerder niet ten onrechte tot de conclusie gekomen dat de belangenafweging in dit geval in het nadeel van eiser uitvalt. In dit verband heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eiser weliswaar diverse verblijfsvergunningen heeft gehad, maar dat deze vergunningen met terugwerkende kracht zijn ingetrokken, waardoor eiser feitelijk in totaal slechts één jaar in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning. Hier heeft verweerder op zichzelf geen doorslaggevend gewicht aan hoeven toekennen. Voorts heeft verweerder niet ten onrechte van belang geacht dat eiser een substantieel deel van zijn leven in Irak heeft doorgebracht, dat hij de taal van zijn land spreekt en naar mag worden aangenomen nog banden heeft met Irak. Eiser heeft aangevoerd dat zijn broers en zussen afstand van hem hebben genomen en dat hij door zijn familie vogelvrij is verklaard. Dit heeft verweerder niet ten onrechte geen reden gevonden om aan te nemen dat het voor eiser onmogelijk is om terug te keren naar Irak om zijn leven daar voort te zetten en een privéleven op te bouwen. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat niet gebleken is van bijzondere omstandigheden die maken dat eiser voor het uitoefenen van zijn priveleven gebonden is aan Nederland. De medische situatie van eiser is niet een dergelijke omstandigheid, omdat bij het uitblijven van de medische behandeling geen medische noodsituatie ontstaat. Verweerder heeft het bovendien mogelijk geacht dat eiser opgebouwde vriendschappen/contacten met mensen in Nederland op afstand kan onderhouden.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Sleeswijk Visser-de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.