Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12392

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 30394
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing mvv voor moeder van meerderjarige dochter, geen familielid van een Turkse werknemer, geen beroep op het voormalige ouderenbeleid, 8 EVRM, no more than normal emotional ties, mvv-vereiste niet excessief formalistisch

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/30394

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A. Orhan),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.R. Bekink).

Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij meerderjarige dochter, [referente] (referente), op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)’ afgewezen.

Bij besluit van 9 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2017.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was referente ter zitting aanwezig.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1940 en heeft de Turkse nationaliteit. Op 15 januari 2016 heeft eiseres een kennisgeving ‘aanvraag verblijfsvergunning regulier 8 EVRM/humanitair’ ingediend en op 25 februari 2016 heeft eiseres zich in verband met deze aanvraag bij het IND-loket gemeld. Eiseres verblijft vanaf 20 mei 2015 in Nederland maar is hier nooit in het bezit geweest van een verblijfsvergunning. Referente is geboren op [geboortedatum] 1965 en heeft de Turkse nationaliteit. Referente is in bezit van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en ook niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 17 van de Vw 2000 of op grond van artikel 3.71 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Eiseres kan niet worden aangemerkt als een familielid van een Turkse werknemer als bedoeld in Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (Besluit 1/80). Gebleken is dat referente een uitkering in het kader van de Wet werk en bijstand ontvangt en dus geen Turkse werknemer is. Daarnaast is eiseres geen familielid als bedoeld in Besluit 1/80. Eiseres komt immers niet ten laste van referente. Niet is aangetoond dan wel aangevoerd dat eiseres gedurende haar verblijf in Turkije financieel is ondersteund door referente. Bovendien kan eiseres niet als gezinslid van [persoon A], de ex-echtgenoot van referente, worden aangemerkt. Gebleken is dat het huwelijk tussen referente en haar ex-echtgenoot op 12 april 2012 is ontbonden. Niet is voorts gebleken dat de ex-echtgenoot van referente naast de Nederlandse nationaliteit ook de Turkse nationaliteit bezit en dat hij derhalve kan worden aangemerkt als een Turkse werknemer in de zin van Besluit 1/80. Voor zover eiseres een beroep doet op paragraaf B2/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) (oud) (hierna: het ouderenbeleid), overweegt verweerder dat dit beleid reeds is afgeschaft. Nu eiseres geen rechten kan ontlenen aan Besluit 1/80, kan zij ook geen beroep doen op de standstill-bepaling van artikel 13 van Besluit 1/80. Eiseres komt ook niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van het EVRM, omdat er tussen eiseres en referente geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele binding die de normale banden tussen volwassen familieleden overstijgt (more than normal emotional ties).Tot slot is het tegenwerpen van het mvv-vereiste niet onredelijk hard voor eiseres (de hardheidsclausule).

3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiseres betoogt dat zij op grond van de standstill-bepaling van Besluit 1/80 van het mvv-vereiste vrijgesteld moet worden, omdat zowel referente als haar echtgenoot aangemerkt dienen te worden als Turkse werknemers. Eiseres benadrukt dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) in de uitleg van begrippen uit Besluit 1/80 met betrekking tot Turkse onderdanen aansluiting zoekt bij de uitleg van overeenkomstige begrippen uit het vrij verkeer van EU-werknemers. Eiseres vindt het dan ook merkwaardig dat verweerder niet aan het arrest van het HvJ EU van 16 januari 2014 in de zaak C-423/12, Reyes tegen Migrationsverket (het arrest Reyes) heeft getoetst. Het is evident dat eiseres, die vermogen noch inkomen heeft, afhankelijk is van referente. Door al te ingewikkelde bewijsinspanningen te vergen om aan te tonen dat eiseres ten laste komt van referente, wordt het nuttig effect aan het Unierecht ontnomen. Het bestreden besluit is in strijd met de standstill-bepaling van Besluit 1/80. Eiseres had op grond van het ouderenbeleid vrijgesteld moeten worden van het mvv-vereiste. Voorts stelt eiseres zich op het standpunt dat er wel sprake is van ‘more than normal emotional ties’ tussen haarzelf en referente, nu eiseres door referente zowel financieel als emotioneel wordt bijgestaan. De relatie van eiseres en referente overstijgt een gewone moeder-kind relatie. Eiseres heeft geen werk, geen inkomen in het land van herkomst en is volledig aangewezen op referente. Ook heeft zij geen andere kinderen in het land van herkomst. Volgens eiseres is het tegenwerpen van het mvv-vereiste excessief formalistisch. Eiseres woont reeds geruime tijd in Nederland. Referente is in het bezit van een verblijfsvergunning voor EU-langdurig ingezetene. De kleinkinderen van eiseres hebben de Nederlandse nationaliteit. In Turkije heeft eiseres geen huis, geen inkomen en geen sociaal netwerk waarop zij kan terugvallen. Eiseres heeft geen kinderen noch een echtgenoot in het land van herkomst. Het tegenwerpen van het mvv-vereiste levert in het onderhavige geval strijd op met artikel 17 van de Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2013 inzake het recht op gezinshereniging (Gezinsherenigingsrichtlijn) en het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Alle omstandigheden van het geval moeten betrokken worden bij de beslissing tot afwijzing van een aanvraag voor gezinshereniging. Een afwijzing die louter gebaseerd is op het ontbreken van een mvv, is niet te rijmen met de gezinsherenigingsrichtlijn. Het nuttig effect van deze richtlijn wordt ontnomen op het moment dat het mvv-vereiste in het onderhavige geval strikt wordt toegepast. Eiseres verwijst naar het arrest van het HvJ EU van 4 maart 2010 in de zaak C-578/08, Chakroun (het arrest Chakroun) en een artikel van P. Boeles, A&MR 2011, nr. 10, p. 454-458. Tot slot betoogt eiseres dat de bestreden beschikking in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aangezien verweerder geen zorgvuldig onderzoek heeft ingesteld naar de vraag of referente en haar echtgenoot aangemerkt kunnen worden als Turkse werknemers. Dit is in strijd met artikel 24a van de Vw 2000.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 3.71, eerste lid, van het Vb 2000 wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de vergunning is aangevraagd.

Ingevolge artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000 is de vreemdeling die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van Besluit 1/80 of van wie uitzetting in strijd zou zijn met de op 12 september 1963 te Ankara gesloten Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Trb. 1964, 217), het op 23 november 1970 te Brussel tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij die overeenkomst (Trb. 1971, 70) of het Besluit van 1/80 vrijgesteld van het mvv-vereiste.

Ingevolge artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000 is de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM zou zijn, vrijgesteld van het mvv-vereiste.

Ingevolge artikel 13 van Besluit 1/80 mogen de Lidstaten van de Gemeenschap en Turkije geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn.

Op grond van artikel 8, eerste lid, van het EVRM, voor zover hier van belang, heeft een ieder recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven. Op grond van het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

6. Niet in geschil is dat eiseres niet beschikt over een geldige mvv. In geschil is of zij van het mvv-vereiste vrijgesteld had moeten worden.

7. De rechtbank overweegt als volgt omtrent de vraag of verweerder eiseres terecht niet heeft aangemerkt als een gezinslid van een Turkse werknemer in de zin van Besluit 1/80 en als gevolg daarvan niet heeft vrijgesteld van het mvv-vereiste.

7.1.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), onder meer de uitspraak van 21 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2889), volgt dat voor de toepasselijkheid van artikel 13 van Besluit 1/80 vereist is dat de vreemdeling werknemer of gezinslid van een werknemer in de zin van Besluit 1/80 is. Artikel 7, eerste alinea, van Besluit 1/80 bevat echter geen definitie van het begrip ‘gezinsleden’ van de Turkse werknemer. Uit vaste jurisprudentie van het HvJ EU blijkt dat de rechtbank voor de invulling van dit begrip aansluiting dient te zoeken bij artikel 2, tweede lid, van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (de Verblijfsrichtlijn). Volgens artikel 2, tweede lid, en onder d, van de Verblijfsrichtlijn moet onder ‘familielid’ onder meer worden begrepen de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn, alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b van datzelfde lid, die te hunnen laste zijn. De rechtbank verwijst daarbij naar het arrest van het HvJ EU van 30 september 2004 in de zaak C-275/02, Ayaz tegen Land Baden-Württemberg.

7.2.

Uit het arrest van het HvJ EU van 9 januari 2007 in de zaak C-1/05, Yunying Jia tegen Migrationsverket (het arrest Jia) en het arrest Reyes kan worden afgeleid dat het feit dat referente over een lange periode regelmatig een som geld heeft betaald aan eiseres kan aantonen dat er sprake is van een situatie van reële afhankelijkheid van eiseres ten opzichte van referente, voor zover deze steun noodzakelijk is om in de basisbehoefte van eiseres te voorzien. Uit deze arresten kan ook worden afgeleid dat om te beoordelen of de verleende financiële of materiële steun noodzakelijk is, de staatssecretaris dient te bezien of de vreemdeling ten tijde van de aanvraag gezien haar economische en sociale toestand niet in staat was om in Turkije, haar land van herkomst, in haar basisbehoefte te voorzien, zodat aldaar de noodzaak voor materiële steun bestond. De rechtbank verwijst ook naar de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1156). Het bovenstaande laat onverlet dat, zoals uit het arrest Jia volgt, het aan de vreemdeling is om het bestaan van een situatie van reële afhankelijkheid aan te tonen.

7.3.

De rechtbank overweegt dat de stelling van eiseres dat referente en haar echtgenoot wel zijn aan te merken als Turkse werknemers niet nader is onderbouwd. Gebleken is dat referente een uitkering in het kader van de Wet werk en bijstand ontvangt. Door eiseres wordt dit niet betwist noch heeft eiseres met stukken, zoals een arbeidsovereenkomst of loonstrookjes, onderbouwd dat referente wel als een werknemer moet worden beschouwd. Voorts heeft eiseres slechts een Nederlands paspoort van [persoon A] overgelegd en is hiermee niet aangetoond dat hij ook in het bezit is van de Turkse nationaliteit. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder referente en [persoon A] terecht niet als Turkse werknemers heeft aangemerkt.

7.4.

Eiseres stelt dat het evident is dat zij afhankelijk is van referente, omdat zij vermogen noch inkomen heeft. In bezwaar is door eiseres aangevoerd dat referente regelmatig naar Turkije is afgereisd om voor eiseres te zorgen en dat referente geld opstuurde zodat eiseres in haar levensonderhoud kon voorzien. De rechtbank overweegt dat eiseres deze stellingen niet met bewijsstukken heeft onderbouwd. Derhalve is door eiseres niet aangetoond dat referente haar in Turkije financieel of materieel heeft ondersteund en dat zij aldus ten laste van referente kwam, terwijl het, gelet op het bepaalde in de arresten Jia en Reyes, op de weg van eiseres lag om het bestaan van een situatie van reële afhankelijkheid aan te tonen. De door eiseres in beroep aangevoerde stelling dat verweerder ten onrechte niet aan het Reyes arrest heeft getoetst, volgt de rechtbank dan ook niet. Voorts is gebleken dat het huwelijk tussen referente en haar echtgenoot op 12 april 2012 is ontbonden. Referente heeft ter zitting verklaard dat zij nog steeds getrouwd is althans een relatie heeft met [persoon A]. Deze stelling is echter niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank er vanuit gaat dat de relatie tussen referente en [persoon A] is beëindigd. Eiseres kan, nu [persoon A] niet langer de partner of echtgenoot van referente is, niet als een van zijn gezinsleden worden aangemerkt.

7.5

Naar het oordeel van de rechtbank valt eiseres niet onder het begrip gezinslid als bedoeld in artikel 7 van Besluit 1/80 en kan zij daarom geen rechten ontlenen aan Besluit 1/80. Aan de vraag of het afschaffen van het ouderenbeleid in strijd is met de standstill-bepaling van artikel 13 van Besluit 1/80 komt de rechtbank daarom niet toe. Verweerder heeft terecht het afschafte ouderenbeleid niet op eiseres toegepast. Verweerder heeft zich bovendien terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000 in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste.

8. Ten aanzien van het beroep van eiseres op artikel 8 van het EVRM overweegt de rechtbank als volgt.

8.1.

Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM – bijvoorbeeld Javeed en de uitspraak van 17 februari 2009, met zaaknummer 27319/07, Onur tegen Verenigd Koninkrijk, JV 2009/141 – en van de Afdeling – zoals de uitspraak van 10 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW3337) – zal tussen ouders en meerderjarige kinderen sprake moeten zijn van ‘more than the normal emotional ties’ ofwel van een meer dan de normale emotionele banden overstijgende afhankelijkheid, alvorens toelating op grond van artikel 8 van het EVRM geboden is. Blijkens jurisprudentie van het EHRM is bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘more than the normal emotional ties’ tussen volwassen familieleden een aantal factoren van belang. Deze factoren betreffen de eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de banden met het land van herkomst. Indien geen sprake is van familieleven in vorenbedoelde zin, is er geen noodzaak meer voor een nadere belangenafweging, hetgeen ook door de Afdeling is bevestigd in de uitspaak van 29 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1417).

8.2.

In dit verband heeft eiseres aangevoerd dat zij zowel financieel als emotioneel door referente wordt bijgestaan. Eiseres heeft geen werk, geen inkomen in het land van herkomst en is volledig aangewezen op referente. Ook heeft zij geen andere kinderen in het land van herkomst. De rechtbank overweegt hieromtrent dat eiseres slechts heeft gesteld dat sprake is van een relatie die de gewone moeder-kind relatie overstijgt, maar dit in beroep niet nader heeft onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een meer dan de normale emotionele banden overstijgende afhankelijkheid tussen eiseres en referente. Hierbij heeft verweerder terecht van belang geacht dat niet gebleken is dat eiseres een bijzondere afhankelijkheid heeft met haar meerderjarige dochter. Referente heeft al een geruime tijd geleden het ouderlijk gezin verlaten, is naar Nederland geëmigreerd en heeft hier een eigen gezin gesticht. Ook is niet gebleken dat eiseres ten laste komt van haar dochter. Verweerder heeft voorts terecht overwogen dat ook niet is gebleken dat referente een bijzondere afhankelijkheid heeft met eiseres. Eiseres heeft het grootste deel van haar leven in Turkije gewoond en heeft daarmee een diepgewortelde sociale en culturele binding met haar land van herkomst. Bovendien heeft eiseres een sociaal vangnet dat haar kan opvangen als zij zelfstandig terugkeert naar Turkije. Hoewel eiseres aangeeft dat een van haar dochters in 2013 is overleden, heeft zij bij een eerdere aanvraag op 5 januari 2016 verklaard dat vier van haar meerderjarige kleinkinderen zelfstandig in Turkije wonen. Niet is gesteld noch gebleken dat de omstandigheden sinds die tijd zijn veranderd en dat zij niet voor eiseres zouden kunnen zorgen. De door eiseres overgelegde verklaring van het dorpshoofd, waarin staat dat eiseres niemand in Turkije heeft die voor haar kan zorgen, doet hieraan dan ook niet af. Ook al zou eiseres geen sociaal netwerk hebben in Turkije, dan nog is niet gebleken noch gesteld dat eiseres in Turkije geen toegang zou hebben tot ouderenzorg dan wel voorzieningen voor ouderen. Dat eiseres diverse gezondheidsklachten heeft, zoals blijkt uit het door eiseres overgelegde rapport van de Gezondheidsraad voor Gehandicapten, maakt nog niet dat eiseres niet in staat is om zichzelf eventueel met de hulp van anderen in haar land van herkomst te handhaven.

9. Dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste aan eiseres excessief formalistisch zou zijn, volgt de rechtbank, gelet op het voorgaande, niet. In het geval van eiseres is immers beoordeeld of zij op grond van het bepaalde in artikel 17 van de Vw 2000 en in artikel 3.71 van het Vb 2000 in aanmerking komt voor een vrijstelling van het mvv-vereiste. De door eiseres aangevoerde individuele omstandigheden zijn derhalve door verweerder in het bestreden besluit betrokken. Ook de beroepsgrond dat het mvv-vereiste in strijd is met artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn en het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel slaagt niet. De Afdeling heeft in de uitspraak van 8 april 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ7683) overwogen dat er geen aanleiding bestaat om te oordelen dat Nederland geen vrijheid heeft om van vreemdelingen die zich hier te lande bevinden en die aan alle materiële vereisten voor uitoefening van het recht op gezinshereniging voldoen, te vergen dat zij daarnaast ook voldoen aan het mvv-vereiste. Hierdoor wordt ook geen afbreuk gedaan aan het doel van de Gezinsherenigingsrichtlijn of het nuttig effect ervan.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Sleeswijk Visser-de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.