Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12390

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 30392
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Turkse, afwijzing mvv voor verblijf bij minderjarig kind, geen vrijstelling mvv-vereiste op grond van 8 EVRM, feitelijke invulling familieleven, ouderschapsplan & verklaring van ex-partner & foto’s, Jeunesse & El Ghatet & Chavez, hoorplicht, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/30392

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A. Orhan),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.R. Bekink).

Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), met als doel ‘familieleven op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)’ afgewezen. Tevens is aan eiser een licht inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Bij besluit van 5 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1969 en heeft de Turkse nationaliteit. Op 9 februari 2016 heeft eiser een kennisgeving ‘aanvraag verblijfsvergunning regulier 8 EVRM/humanitair’ ingediend en op 30 maart 2016 heeft eiser zich in verband met deze aanvraag bij het IND-loket gemeld. Eiser beoogt met zijn onderhavige aanvraag verblijf als familie- of gezinslid bij zijn minderjarige zoon [referent] (referent), geboren op [geboortedatum] 2005. Eiser verblijft vanaf 1998 in Nederland en is tot 3 januari 2006 in het bezit geweest van een verblijfsvergunning.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en ook niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 17 van de Vw 2000 of op grond van artikel 3.71 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Zo is eiser niet vrijgesteld van het mvv-vereiste omdat hij niet valt onder de standstill-bepaling van artikel 13 van Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (Besluit 1/80). Eiser is geen familielid van een Turkse werknemer. Referent is een minderjarig kind dat niet wordt geacht als werknemer op de arbeidsmarkt werkzaam te zijn. Daarnaast is niet gebleken dat eiser ten laste komt van referent. Eiser komt ook niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft familieleven met referent maar hij heeft niet aangetoond dat hij daadwerkelijk feitelijke invulling geeft aan het familieleven met referent. Eiser heeft niet aangetoond dat hij meebetaalt aan de opvoeding en verzorging en is niet woonachtig bij referent. Met een papieren omgangsregeling wordt dit ook niet aangetoond, nu niet is aangetoond dat de afspraken in het ouderschapsplan daadwerkelijk worden nageleefd. De verklaring van de ex-partner van eiser met betrekking tot de omgang tussen eiser en referent is geen objectief verifieerbaar stuk, waardoor hieraan niet de waarde kan worden gehecht zoals deze door eiser is beoogd. Indien verweerder zou uitgaan van feitelijk familieleven tussen eiser en referent, is niet gebleken van een schending van artikel 8 van het EVRM. Er is geen sprake van een objectieve belemmering voor eiser en referent om het gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen. Tot slot is het tegenwerpen van het mvv-vereiste niet onredelijk hard voor eiser.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij op grond van artikel 8 van het EVRM in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Er is wel degelijk sprake van een feitelijke invulling van het familieleven tussen eiser en referent. Het samenwoningsvereiste kan niet aan eiser worden tegengeworpen, omdat er een rechtvaardiging bestaat voor het niet samenwonen van eiser en referent. Referent woont bij zijn moeder, nu zijn ouders uit elkaar zijn. Er is sprake van een omgangsregeling tussen eiser en referent. Eiser heeft hiertoe een ouderschapsplan en een verklaring van zijn ex-partner, waarin staat dat referent en eiser omgang hebben, overgelegd. Eiser en referent hebben bovendien een sterke relatie. In beroep heeft eiser hiertoe een verklaring van referent en kopieën van foto’s, waarop eiser samen met referent staat, overgelegd. Gelet op de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de uitspraak van 3 oktober 2014, Jeunesse tegen Nederland, met zaaknummer 12738/10 (het arrest Jeunesse) en de uitspraak van 8 november 2016, El Ghatet tegen Zwitserland, met zaaknummer 56971/10 (het arrest El Ghatet) dient de rechtbank het belang van het kind, in casu referent, tot de kern van zijn overwegingen te maken en er een doorslaggevende betekenis aan te geven. Eiser verwijst ook naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 5 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:964). Voorts is eiser van mening dat de belangenafweging die verweerder in het kader van artikel 8, tweede lid, van het EVRM heeft verricht, ondeugdelijk is gemotiveerd. Tot slot is eiser van mening dat de hoorplicht is geschonden.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de vergunning is aangevraagd.

Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, van het Vb 2000 wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv.

Ingevolge artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000 is de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM zou zijn, vrijgesteld van het mvv-vereiste.

Op grond van artikel 8, eerste lid, van het EVRM, voor zover hier van belang, heeft een ieder recht op respect voor zijn familie-, gezins- en privéleven. Op grond van het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

6. Niet in geschil is dat eiser niet beschikt over een geldige mvv. In geschil is of hij van het mvv-vereiste vrijgesteld had moeten worden op grond van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

6.1.

Met betrekking tot de feitelijke invulling van het familieleven tussen eiser en referent is de rechtbank van oordeel dat met het overgelegde ouderschapsplan niet is aangetoond dat er daadwerkelijk feitelijke invulling aan het familieleven wordt gegeven. Eiser heeft niet aangetoond dat de afspraken in het ouderschapsplan ook daadwerkelijk worden nageleefd. Verweerder heeft de verklaring van de ex-partner met betrekking tot de omgang tussen eiser en referent hiertoe onvoldoende mogen achten. Het ligt op de weg van eiser om dit met het overleggen van verklaringen van derden, zoals de leerkracht van referent of kennissen van de moskee of van de sportclub, aan te tonen. De in beroep overgelegde foto’s maken niet aannemelijk dat er feitelijk invulling aan het ouderschapsplan wordt gegeven en de in beroep overgelegde verklaring van referent is net als de verklaring van de ex-partner van eiser geen objectief verifieerbaar stuk, waardoor hieraan niet de waarde kan worden gehecht zoals deze door eiser is beoogd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet is aangetoond dat feitelijke invulling wordt gegeven aan het familieleven van eiser met referent.

6.2.

Ten aanzien van de belangenafweging die verweerder in het kader van artikel 8, tweede lid, van het EVRM heeft verricht, stelt de rechtbank voorop dat uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – het arrest van 31 januari 2006, Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland, met zaaknummer 50435/99; het arrest van 14 juni 2011, Osman tegen Denemarken, met zaaknummer 38058/09; het arrest van 28 juni 2011, Nunez tegen Noorwegen, met zaaknummer 55597/09 en het arrest van 4 december 2012, Butt tegen Noorwegen, met zaaknummer 47017/09 – en de jurisprudentie van de Afdeling – uitspraak van 13 juli 2009, met zaaknummer 200903237/1/V2 – volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op respect voor het privéleven onderscheidenlijk het familie- en gezinsleven een fair balance moet worden gevonden tussen het belang van de betrokken vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. In dit verband dient de rechtbank te beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een fair balance tussen enerzijds het belang van eiser bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend dient te zijn. Dit blijkt onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2136).

6.3.

De rechtbank overweegt dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in de belangenafweging heeft betrokken en niet ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de belangenafweging in dit geval in het nadeel van eiser uitvalt. In het voordeel van eiser heeft verweerder betrokken dat eiser eerder een verblijfsvergunning in Nederland heeft gehad en dat referent in Nederland is geboren. Gelet op zijn leeftijd is referent hier tot op zekere hoogte geworteld. Zo gaat referent hier naar school. Verweerder heeft zich echter op het standpunt mogen stellen dat desondanks van referent gelet op zijn leeftijd nog wel kan worden verwacht dat hij zich kan aanpassen aan een nieuwe omgeving en dat niet gebleken is van andere omstandigheden waarom referent aan Nederland is gebonden. Dat de moeder van referent gebonden zou zijn aan Nederland omdat zij twee inwonende meerderjarige kinderen heeft, heeft verweerder niet afdoende mogen achten, nu dit niet nader is onderbouwd en van meerderjarige kinderen mag worden verwacht dat zij zelfstandig in Nederland kunnen verblijven. Voorts heeft verweerder van belang mogen achten dat ook niet is gebleken dat er sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Turkije uit te oefenen. Dat eiser aldus voor de keuze wordt gesteld om bij zijn moeder te verblijven in Nederland of om met zijn vader buiten Nederland te verblijven, maakt dit niet anders. Verweerder is immers niet gehouden een vrije domiciliekeuze voor het kerngezin te garanderen. In dit verband overweegt verweerder dat de eventuele omstandigheid dat referent en zijn moeder eiser niet zouden wensen te volgen naar Turkije een persoonlijke keuze is. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat van een schending van artikel 8 van het EVRM in dit geval geen sprake is.

6.4.

De rechtbank overweegt dat de Afdeling in de uitspraak van 5 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:964) heeft overwogen dat volgens vaste jurisprudentie van het EHRM, zoals het arrest Jeunesse en het arrest El Ghatet, in alle beslissingen over kinderen hun belangen een eerste overweging dienen te vormen en dat aan die belangen, hoewel die belangen op zichzelf niet doorslaggevend kunnen zijn, aanzienlijk gewicht moet toekomen. De rechtbank overweegt dat de door verweerder verrichte belangenafweging er geen blijk van geeft dat de belangen van referent onvoldoende in de beoordeling zijn betrokken en dat hieraan onvoldoende gewicht is toegekend.

6.5.

Ter zitting heeft eiser zich beroepen op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017 in de zaak C-133/15, Chavez-Vilchez e.a. (het arrest Chavez). Het beroep van eiser op het arrest Chavez slaagt echter niet. Dit arrest ziet immers op de situatie dat een kind, burger van de Unie, genoopt zou zijn om het grondgebied van de Europese Unie te moeten verlaten. Nu referent niet over de Nederlandse maar over de Turkse nationaliteit beschikt en rechtmatig in Nederland verblijft op basis van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, betreft dit een andere situatie dan die in het arrest Chavez voor lag.

7. De beroepsgrond dat verweerder er ten onrechte van heeft afgezien eiser en referent in bezwaar te horen, faalt eveneens. Uitgangspunt is dat er een hoorplicht bestaat, tenzij een van de uitzonderingen van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zich voordoet. Er is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Daarbij moet de inhoud van het bezwaarschrift worden beoordeeld in samenhang met hetgeen in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van het primaire besluit. De rechtbank is, gelet op de inhoud van het bezwaarschrift bezien in samenhang met hetgeen eiser heeft aangevoerd, van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat daarom van het horen van eiser en referent kon worden afgezien.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Sleeswijk Visser-de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op uiterlijk 12 oktober 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.