Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12352

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-10-2017
Datum publicatie
27-10-2017
Zaaknummer
NL17.9768
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vaststaat dat de advocaat op het moment van het instellen van beroep nooit contact heeft gehad met de vreemdeling en dat de vreemdeling hem dus ook niet heeft gemachtigd om namens hem beroep in te stellen bij de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat artikel 24, vierde lid, en artikel 33, tweede lid, van de Wrb niet als grondslag kunnen dienen voor het totstandbrengen van een overeenkomst van opdracht tussen een advocaat en zijn cliënt. Artikel 24, vierde lid, van de Wrb is niet bedoeld voor de situatie, zoals in deze zaak, waarin een overeenkomst tussen de rechtshulpverlener en de rechtzoekende op het moment van het instellen van het beroep nog niet tot stand is gekomen, doordat zij nooit contact met elkaar hebben gehad.

De advocaat was dus niet gemachtigd om namens de vreemdeling beroep in te stellen bij de rechtbank. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

De rechtbank wijst er overigens op dat de vreemdeling alsnog beroep zal kunnen instellen zodra hij bekend wordt met het bestreden besluit (zie de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van vandaag in de zaak NL17.10653).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.9768


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.M. Sidler).

Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van [naam] (hierna: de vreemdeling) tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening (zaak NL17.9769), plaatsgevonden op 12 oktober 2017. Eiser en de vreemdeling zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 11 september 2017 heeft verweerder zijn voornemen tot het niet in behandeling nemen van de aanvraag van de vreemdeling tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan eiser toegestuurd en hem in de gelegenheid gesteld een zienswijze te geven. Bij brief van 25 september 2017 heeft eiser aan verweerder meegedeeld dat hij zich niet gemachtigd acht om namens de vreemdeling een zienswijze in te dienen omdat hij geen contact met hem heeft gekregen en hem dus niet heeft gesproken. Hij heeft verzocht het voornemen aan de vreemdeling toe te zenden.

Per faxbericht van 28 september 2017, verzonden om 12:41 uur, heeft verweerder het bestreden besluit aan eiser toegestuurd.

Per faxbericht van diezelfde datum, verzonden om 14:12 uur, heeft eiser aan verweerder nogmaals bericht dat hij zich niet door de vreemdeling gemachtigd acht en heeft hij verzocht het besluit aan de vreemdeling toe te zenden.
Op diezelfde datum om 15:54 uur heeft eiser tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank, zonder vermelding van beroepsgronden.
Bij brief van 4 oktober 2017 heeft eiser aan de rechtbank bericht dat hij zich niet gemachtigd acht om namens de vreemdeling op te treden en dat hij zich onttrekt aan de zaak. Hij heeft de rechtbank verzocht om de verdere correspondentie in deze zaak aan de vreemdeling te richten. Daarbij heeft hij als beroepsgrond naar voren gebracht dat verweerder het voornemen en het bestreden besluit niet op de juiste wijze bekend heeft gemaakt, omdat hij deze niet aan de vreemdeling heeft uitgereikt.

1.1

Vaststaat dat eiser op het moment van het instellen van beroep nooit contact heeft gehad met de vreemdeling en dat de vreemdeling hem dus ook niet heeft gemachtigd om namens hem beroep in te stellen bij de rechtbank. Gelet daarop ziet de rechtbank zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser gerechtigd was om namens de vreemdeling beroep in te stellen tegen het bestreden besluit.

1.2

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat in zaken waarin verweerder voornemens is de aanvraag niet in behandeling te nemen op grond van artikel 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 en de Verordening (EU) nr. 604/2013 (PBEU 2013 L 180; de Dublinverordening), verweerder de stukken van de zaak toestuurt aan de Raad voor Rechtsbijstand (hierna: de RvR). De RvR stuurt die stukken vervolgens digitaal door aan de advocaat die zich via een daartoe bestemde lijst algemeen beschikbaar heeft gesteld om rechtsbijstand te verlenen aan vreemdelingen in de Dublin-procedure. Met de toezending van die stukken verleent de RvR tevens een toevoeging aan de desbetreffende advocaat.

1.3

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser als gemachtigde van de vreemdeling kan worden aangemerkt. Volgens verweerder volgt dit uit de artikelen 24, vierde lid en 33, tweede lid, van de Wrb en volgt dit ook uit de handelingen die eiser tijdens de procedure namens de vreemdeling heeft verricht, zoals de brieven die eiser aan verweerder heeft gestuurd in reactie op het voornemen en het bestreden besluit, en het instellen van beroep bij de rechtbank. Eiser was volgens verweerder dan ook gemachtigd om namens de vreemdeling beroep in te stellen. Verweerder verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 1 juni 2017 (NL17.2072).

1.4

Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wrb beslist het bestuur [van de RvR] op de aanvraag om een toevoeging ten behoeve van rechtsbijstand door een advocaat.
Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, dient de rechtsbijstandverlener mede namens de rechtszoekende, een aanvraag om een toevoeging in. De aanvraag wordt mede namens de rechtzoekende, ondertekend door de rechtsbijstandverlener.
Ingevolge het vierde lid kan de rechtsbijstandverlener slechts met instemming van het bestuur de toevoeging weigeren. Zolang de toevoeging niet is gewijzigd of ingetrokken, is hij verplicht de nodige rechtsbijstand te verlenen.

Ingevolge artikel 33, tweede lid, van de Wrb kan de toegevoegde rechtsbijstandverlener zich na beëindiging of intrekking van de toevoeging aan de zaak onttrekken.

1.5.

Als uitgangspunt geldt dat een overeenkomst tussen een advocaat en zijn cliënt niet door derden, zoals de RvR, tot stand kan worden gebracht. De RvR verdeelt de asielzaken over de gekwalificeerde advocaten die te kennen hebben gegeven voor zaken op basis van toevoegingen in aanmerking te willen komen. Of de advocaat, die de RvR heeft toegevoegd, ook daadwerkelijk de betreffende vreemdeling zal bijstaan in de procedure, wordt uitsluitend door de betreffende vreemdeling en de advocaat zelf bepaald. Derden, zoals de RvR of verweerder, hebben geen zeggenschap over de opdracht die een cliënt aan zijn advocaat verleent. De RvR brengt de advocaat en de vreemdeling met elkaar in contact, maar kan niet een overeenkomst tussen hen sluiten (vergelijk de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 13 maart 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:2318).

De rechtbank begrijpt het standpunt van verweerder aldus, dat hij betoogt dat voornoemd uitgangspunt wordt doorbroken door artikel 24, vierde lid, van de Wrb, op grond waarvan de rechtsbijstandverlener verplicht is de nodige rechtsbijstand te verlenen zolang hij niet met instemming van de RvR de toevoeging heeft geweigerd en de toevoeging niet is gewijzigd of ingetrokken, ook al heeft de rechtzoekende zelf niet verzocht om of ingestemd met het verlenen van die rechtsbijstand. Anders dan deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, in de door verweerder aangehaalde uitspraak van 1 juni 2017, volgt de rechtbank verweerder daarin niet.

De rechtbank is van oordeel dat artikel 24, vierde lid, van de Wrb niet als grondslag kan dienen voor het totstandbrengen van een overeenkomst van opdracht tussen een advocaat en zijn cliënt. Blijkens het bepaalde in artikel 24, eerste en tweede lid, van de Wrb gaat die bepaling uit van de situatie dat de rechtsbijstandverlener mede namens de rechtzoekende een aanvraag om een toevoeging heeft ingediend en de RvR op basis van die aanvraag een toevoeging heeft verleend. Dat veronderstelt een wederzijdse instemming van zowel de rechtsbijstandverlener als de rechtzoekende. Als de rechtsbijstandverlener vervolgens die overeenkomst wenst te beëindigen, is hij verplicht de nodige rechtsbijstand te verlenen totdat de RvR op zijn verzoek de toevoeging heeft gewijzigd of ingetrokken. Dat stelt de RvR in de gelegenheid om na te gaan of een andere rechtshulpverlener beschikbaar is en waarborgt dat de rechtzoekende zolang niet van rechtsbijstand verstoken blijft (zie de memorie van toelichting bij destijds artikel 25, vijfde lid, van de Wrb, Kamerstukken II, 1991-92, 22 609, nr. 3. p. 20).
De rechtbank leidt daaruit af dat artikel 24, vierde lid, van de Wrb niet is bedoeld voor de situatie, zoals in deze zaak, waarin een overeenkomst tussen de rechtshulpverlener en de rechtzoekende op het moment van het instellen van het beroep nog niet tot stand is gekomen, doordat zij nooit contact met elkaar hebben gehad. Dat de RvR de toevoeging in dit geval kennelijk al wel had verleend, maakt dat niet anders. Van een situatie dat de rechtzoekende verstoken zou blijven van rechtsbijstand doordat de rechtsbijstandverlener de toevoeging weigert, zoals bedoeld in de memorie van toelichting, is in dit geval geen sprake, nu de vreemdeling nimmer kenbaar heeft gemaakt dat hij rechtsbijstand van eiser wenst.

In artikel 33, tweede lid, van de Wrb kan evenmin grondslag worden gevonden voor een machtiging aan eiser om namens de vreemdeling beroep in te stellen. Van onttrekking aan de zaak, zoals bedoeld in die bepaling, is in dit geval immers geen sprake, nu geen overeenkomst tussen de vreemdeling en eiser tot stand is gekomen op grond waarvan eiser zich jegens de vreemdeling heeft verbonden om de zaak op zich te nemen.
Dat eiser bij de RvR te kennen heeft gegeven in aanmerking te willen komen voor Dublin-zaken op basis van een toevoeging, brengt niet met zich dat eiser zonder instemming van de vreemdeling is gehouden de toegevoegde zaak op zich te nemen en dat hij kan worden geacht dat te hebben gedaan. Immers, de gezamenlijke instemming van de vreemdeling en eiser is bepalend voor de vraag of eiser de vreemdeling vertegenwoordigt. Alleen voor zover eiser niet langer zou willen of kunnen voldoen aan de opdracht van de vreemdeling, kan hij op grond van artikel 24, vierde lid, van de Wrb de toevoeging uitsluitend met instemming van de RvR weigeren, waarna hij zich op grond van artikel 33, tweede lid, van de Wrb kan onttrekken.

2. Uit het voorgaande volgt dat eiser niet was gemachtigd om namens de vreemdeling beroep in te stellen bij de rechtbank. Daarnaast blijkt uit het beroepschrift van 28 september 2017 niet dat eiser beoogt voor zichzelf beroep in te stellen tegen het bestreden besluit.

3. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

4. De rechtbank wijst er overigens op dat de vreemdeling alsnog beroep zal kunnen instellen zodra hij bekend wordt met het bestreden besluit (zie de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van vandaag in de zaak NL17.10653).

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van der Kluit, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.L.L. van den Akker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
24 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.