Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12347

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-10-2017
Datum publicatie
27-10-2017
Zaaknummer
NL17.10653
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt als bedoeld in artikel 3:41, eerste lid, Awb. Verweerder heeft het bestreden besluit immers toegezonden aan de advocaat. Zoals volgt uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van vandaag in de zaak NL17.9766 was de advocaat op dat moment echter niet de gemachtigde van eiser. Verweerder heeft daarom in strijd met artikel 3:41, eerste lid, Awb het besluit niet bekendgemaakt door toezending aan eiser.

Nu het bestreden besluit niet op de voorgeschreven wijze aan eiser is bekendgemaakt, is de beroepstermijn aangevangen vanaf het moment dat eiser met het besluit bekend is geworden. Gelet daarop heeft eiser zijn beroepschrift binnen de wettelijke termijn ingediend en is hij ontvankelijk in zijn beroep.

De rechtbank verwijst naar de eerdergenoemde uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van vandaag in de zaak NL17.9766, waaruit volgt dat de advocaat ook ten tijde van het uitbrengen van het voornemen niet de gemachtigde van eiser was. Verweerder heeft daarom ten onrechte het voornemen aan de advocaat toegezonden en niet aan eiser uitgereikt. Door het bestreden besluit te nemen zonder eiser in de gelegenheid te hebben gesteld een zienswijze uit te brengen op het voornemen, heeft verweerder gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 3.109c, tweede en derde lid, Vb.

Het beroep is daarom gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.10653


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

(gemachtigde: mr. M.A. Krikke),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.M. Sidler).

Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam] , kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 12 september 2017 heeft verweerder zijn voornemen tot het niet in behandeling nemen van de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan mr. Krikke toegestuurd en hem in de gelegenheid gesteld een zienswijze te geven. Bij brief van 25 september 2017 heeft mr. Krikke aan verweerder meegedeeld dat hij zich niet gemachtigd acht om namens eiser een zienswijze in te dienen omdat hij geen contact met hem heeft gekregen en hem dus niet heeft gesproken. Hij heeft verzocht het voornemen aan eiser toe te zenden.

Per faxbericht van 28 september 2017, verzonden om 12.40 uur, heeft verweerder het bestreden besluit aan mr. Krikke toegestuurd.
Op diezelfde datum om 15.48 uur heeft mr. Krikke tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank, zonder vermelding van beroepsgronden.
Per faxbericht van diezelfde datum, verzonden om 16:41 uur, heeft mr. Krikke aan verweerder nogmaals bericht dat hij zich niet door eiser gemachtigd acht en heeft hij verzocht het besluit aan eiser toe te zenden.
Bij brief van 4 oktober 2017 heeft mr. Krikke aan de rechtbank bericht dat hij zich niet gemachtigd acht om namens de vreemdeling op te treden en dat hij zich onttrekt aan de zaak. Hij heeft de rechtbank verzocht om de verdere correspondentie in deze zaak aan eiser te richten. Daarbij heeft hij als beroepsgrond naar voren gebracht dat verweerder het voornemen en het bestreden besluit niet op de juiste wijze bekend heeft gemaakt, omdat hij deze niet aan eiser heeft uitgereikt.
Bij bericht van 11 oktober 2017 heeft mr. Krikke aan de rechtbank bericht dat hij die dag alsnog telefonisch contact heeft gehad met eiser, dat eiser hem heeft verzocht als zijn gemachtigde op te treden, dat eiser heeft aangegeven de volgende dag, 12 oktober 2017 naar de zitting te komen, en dat mr. Krikke zich thans stelt als gemachtigd raadsman.
Bij brief van 12 oktober 2017 heeft mr. Krikke namens eiser de gronden van beroep aangevuld.

2. Bij uitspraak van vandaag, in de zaak NL17.9766, heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van mr. Krikke, dat hij op 28 september 2017 heeft ingesteld tegen het bestreden besluit, niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij ten tijde van het instellen van dat beroep niet door eiser was gemachtigd om namens hem beroep in te stellen.

3. De rechtbank stelt vast dat mr. Krikke zijn brief van 12 oktober 2017, met daarin opgenomen gronden van beroep gericht tegen het bestreden besluit, heeft ingediend met machtiging van eiser. De rechtbank merkt die brief daarom aan als een namens eiser ingediend beroepschrift gericht tegen het bestreden besluit. Met instemming van partijen heeft de rechtbank dat beroep ter zitting van 12 oktober 2017 behandeld, gelijktijdig met het beroep van mr. Krikke van 28 september 2017 (zaak NL17.9766)

4. Op grond van artikel 69, tweede lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet 2000 (Vw), bedraagt de beroepstermijn een week. Het bestreden besluit dateert van 28 september 2017. Eiser heeft zijn beroepschrift ingediend op 12 oktober 2017. Gelet daarop ziet de rechtbank zich ambtshalve gesteld voor de vraag of eiser binnen de wettelijke termijn beroep heeft ingesteld en dus ontvankelijk is in zijn beroep.

4.1

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) vangt de beroepstermijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

4.2

De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt als bedoeld in artikel 3:41, eerste lid, Awb. Verweerder heeft het bestreden besluit op 28 september 2017 immers toegezonden aan mr. Krikke. Zoals volgt uit voornoemde uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van vandaag in de zaak NL17.9766 was mr. Krikke op dat moment echter niet de gemachtigde van eiser. Aan het verzoek van mr. Krikke aan verweerder van diezelfde datum om het besluit aan eiser toe te zenden, heeft verweerder geen gehoor gegeven. Verweerder heeft daarom in strijd met artikel 3:41, eerste lid, Awb het besluit niet bekendgemaakt door toezending aan eiser.

Nu het bestreden besluit niet op de voorgeschreven wijze aan eiser is bekendgemaakt, is de beroepstermijn aangevangen vanaf het moment dat eiser met het besluit bekend is geworden. Zoals namens eiser ter zitting is toegelicht, heeft hij op 10 oktober 2017 kennis genomen van het besluit doordat mr. Krikke een afschrift van dat besluit aan hem heeft doorgestuurd, waarna hij op 11 oktober 2017 contact heeft opgenomen met mr. Krikke. Niet is gebleken van aanwijzingen dat eiser eerder op de hoogte was van het besluit. Dat betekent dat de beroepstermijn is aangevangen op 11 oktober 2017 en op 20 oktober 2017 eindigt. Gelet daarop heeft eiser zijn beroepschrift van 12 oktober 2017 binnen de wettelijke termijn ingediend en is eiser ontvankelijk in zijn beroep. De rechtbank zal het beroep van eiser daarom inhoudelijk beoordelen.

5. Verweerder heeft zich in het voornemen, dat hij heeft herhaald en ingelast in het bestreden besluit, op het standpunt gesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van eiser, omdat uit Eurodac is gebleken dat hij eerder op 24 november 2015 en op 21 april 2017 in Duitsland een verzoek om internationale

bescherming heeft ingediend. Voorts heeft hij zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat om anders te oordelen dan in het voornemen is verwoord, omdat er geen inhoudelijke zienswijze is ingediend naar aanleiding van het voornemen. Volgens verweerder is het voornemen terecht aan mr. Krikke toegezonden, omdat de Raad voor Rechtsbijstand (hierna: de RvR) aan hem heeft doorgegeven dat mr. Krikke de gemachtigde van eiser is gedurende de asielprocedure. Het is niet gebleken dat de toevoeging van mr. Krikke aan de zaak voor het uitbrengen van het voornemen was beëindigd of ingetrokken.

6. Eiser voert aan dat verweerder het schriftelijk voornemen om zijn aanvraag niet in behandeling te nemen in strijd met artikel 3.109c, tweede lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) niet aan hem persoonlijk heeft uitgereikt, terwijl verweerder ten tijde van het versturen van het voornemen aan mr. Krikke ervan op de hoogte was dat hij geen contact had met eiser en niet gemachtigd was om namens eiser op te treden. Mr. Krikke heeft verweerder immers verzocht het voornemen daarom aan eiser te sturen. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat mr. Krikke, hoewel de RvR een toevoeging had verleend, ten tijde van het uitbrengen van het voornemen niet zijn gemachtigde was, omdat mr. Krikke en eiser op dat moment nog geen contact met elkaar hadden gehad, verwijst eiser naar de uitspraken van deze rechtbank van 12 januari 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:270) en van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 13 maart 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:2318).
Doordat verweerder het voornemen niet aan hem heeft uitgereikt, heeft eiser geen gebruik kunnen maken van zijn recht om een zienswijze in te dienen. Volgens eiser is de besluitvorming door verweerder daarom onzorgvuldig en is hem een daadwerkelijk en effectief rechtsmiddel onthouden, als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

6.1

De rechtbank verwijst naar de eerdergenoemde uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van vandaag in de zaak NL17.9766, waaruit volgt dat mr. Krikke ook ten tijde van het uitbrengen van het voornemen niet de gemachtigde van eiser was, zoals hij na ontvangst van het voornemen ook aan verweerder heeft kenbaar gemaakt. Verweerder heeft daarom ten onrechte het voornemen aan mr. Krikke toegezonden en niet aan eiser uitgereikt. Door het bestreden besluit te nemen zonder eiser in de gelegenheid te hebben gesteld een zienswijze uit te brengen op het voornemen, heeft verweerder gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 3.109c, tweede en derde lid, Vb.
De beroepsgrond slaagt.

7. Het beroep is gegrond.

8. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 Awb en artikel 3.109c, tweede en derde lid, Vb.
Nu eiser pas een dag voor de zitting voor het eerst telefonisch contact heeft gehad met zijn gemachtigde en hem heeft gemachtigd voor hem op te treden, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te onderzoeken of in hetgeen eiser in de zienswijze had willen aanvoeren, aanleiding bestaat te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.
Vanwege de aard van de procedure ziet de rechtbank evenmin aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van der Kluit, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.L.L. van den Akker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
24 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.