Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12334

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-10-2017
Datum publicatie
01-11-2017
Zaaknummer
C/09/540175 / JE RK 17-1961
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beschikking ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd & Bopz

Zaaksgegevens: C/09/540175 / JE RK 17-1961

Datum uitspraak: 9 oktober 2017

Beschikking van de kinderrechter

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak naar aanleiding van het op 25 september 2017 ingekomen verzoekschrift van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (hierna te noemen: de Raad),

betreffende:

- [minderjarige 1]geboren op [geboortedag 1] 2006 te [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1]

- [minderjarige 2]geboren op [geboortedag 2] 2012 te [geboorteplaats 2] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2]

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende te op een bij de rechtbank bekend adres.

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift met bijlagen.

Op 9 oktober 2017 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:

- [de heer A] , namens de Raad;

- [mevrouw B] en [mevrouw C] namens Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland (hierna te noemen: de gecertificeerde instelling).

De moeder is, hoewel opgeroepen, niet verschenen.

Feiten

- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door [de man]

- De moeder is belast met het ouderlijk gezag.

- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven feitelijk bij de tante vaderszijde.

Verzoek

Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de periode van één jaar en tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een belast verleden. Zij zijn opgegroeid in een onstabiel gezin, waarbij zij vanaf jongs af aan zijn blootgesteld aan zowel fysiek als verbaal geweld in de thuissituatie. Dat [minderjarige 1] aangeeft ook door moeder te zijn geslagen in het verleden en dat hij en zijn broertje vaak alleen gelaten worden in huis is zorgelijk. Sinds 2009 zijn er elf zorgmeldingen gedaan bij Veilig Thuis en sinds juni 2017 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het netwerk ondergebracht, na een incident waarbij zij waren weggelopen. De moeder werd toen ernstig onder invloed van alcohol aangetroffen, dreigde suïcide te plegen indien de minderjarigen niet bij haar zouden teruggebracht en had de keuken vernield waarbij haar handen onder het bloed zaten.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] kampen met trauma’s en vertonen kindsignalen. Bij [minderjarige 1] is er sprake van boosheid, irritatie en gekwetstheid. Hij heeft meermaals uitingen gedaan over eenzaamheid en het hebben van een doodswens. Ook bevindt hij zich in een loyaliteitsconflict door beïnvloeding en belasting (met onder andere ouderproblematiek) door de ouders. Bij [minderjarige 2] is sprake gekwetstheid en angstig gedrag. Ook is er bij [minderjarige 2] sprake van bedplassen en heeft hij op de eerste schooldag in zijn broek geplast.

Om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen is een verplicht hulpverleningskader nodig. Sinds 2004 is er sprake geweest van hulpverlening in het vrijwillig kader en er is van 2014 tot 2015 een ondertoezichtstelling geweest, maar dit heeft niet tot blijvende gedragsveranderingen geleid bij de ouders ten aanzien van de opvoedvaardigheden en het kunnen bieden van de basale zorg en veiligheid. De ouders lijken weinig inzicht te hebben in hun eigen gedrag en zijn vooral bezig met hun onderlinge strijd in plaats van het belang van de kinderen. Daarnaast is ook de persoonlijke problematiek van de ouders een oorzaak van het niet verbeteren van de situatie. De moeder heeft overigens wel aangegeven graag hulp te willen voor haar persoonlijke problematiek. De vader zit sinds juni 2015 in detentie.

Sinds 15 juni 2017 verblijven de kinderen in het netwerk. Aanvankelijk verbleven zij beiden bij oma. Op enig moment is [minderjarige 2] bij tante gaan wonen. Op dit moment verblijven beide kinderen bij tante. Zowel oma als tante zijn echter niet door de pleegzorgscreening gekomen. Er wordt op dit moment een (perspectief biedend) bestandspleeggezin gezocht. Dat het huidige perspectief voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onduidelijk is, geeft ze veel onrust en stress. Het is, gelet op de ernst van de zorgen, van belang dat de kinderen het komend jaar in een rustige en stabiele omgeving en derhalve in een pleeggezin kunnen verblijven.

[mevrouw B] heeft namens de gecertificeerde instelling naar voren gebracht dat de moeder een afspraak bij de Brijder heeft gemaakt en dat zij wellicht ook psychische hulpverlening nodig heeft. Daarnaast is er voor een thuisplaatsing ook opvoedondersteuning nodig. Er gaat enige tijd overheen voordat de hulpverlening voor de moeder daadwerkelijk zal starten en het zal waarschijnlijk ook een lang traject zijn. De vader komt op 30 oktober 2017 vrij uit detentie. De kinderen hebben wel positief contact met de vader, maar hij is een groot deel van hun leven niet betrokken geweest en hij zal eerst moeten resocialiseren, waardoor een plaatsing bij de vader voorlopig ook geen optie is.

Beoordeling

De kinderrechter stelt vast dat de moeder conform de wettelijke vereisten is opgeroepen, maar niet is verschenen.

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn. Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing aanwezig zijn.

De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gelegen in hun sociaal-emotionele ontwikkeling. De ouders zijn niet in staat om onder eigen verantwoordelijkheid de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. Langdurige hulpverlening in het vrijwillig kader en ook een eerdere ondertoezichtstelling hebben onvoldoende blijvend resultaat gehad. Het patroon waarin de ouders zich bevinden wordt steeds niet doorbroken. De ouders zijn momenteel ook onvoldoende in staat om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de basale veiligheid, rust en stabiliteit en opvoeding te bieden die zij nodig hebben. Gelet op de ernst van de door de Raad van de Kinderbescherming genoemde zorgen, is het niet de verwachting dat daar gedurende het komende jaar dusdanig verandering in komt dat zij dat wel zullen zijn. Daarom ziet de kinderrechter geen aanleiding om de machtiging uithuisplaatsing af te geven voor kortere duur dan verzocht .

De kinderrechter overweegt volledigheidshalve voorts dat het volgens de geldende jurisprudentie noodzakelijk is dat snel duidelijk is wat het toekomstperspectief is na een uithuisplaatsing, hetgeen te meer geldt voor zeer jonge kinderen. Ter gelegenheid van een eventueel volgend verlengingsverzoek van de machtiging tot uithuisplaatsing verzoekt de kinderrechter dan ook aan de gecertificeerde instelling om een plan te overleggen waarin de volgende vragen zijn beantwoord:
1. Wordt er gewerkt aan thuisplaatsing?

1.a Zo nee, waarom is thuisplaatsing (nog) niet aan de orde?
1.b Zo ja, hoe ziet dat traject er uit?
2. Welke hulpverlening aan ouders wordt (hierbij) ingezet?

3. Hoe ziet de omgangsregeling er uit?
4. Is er een perspectiefbiedende oplossing en hoe ziet die eruit?
5. Is een netwerkplaatsing overwogen; zo nee waarom niet?
6. Indien niet gekozen is voor een gezinsomgeving, waarom niet?

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van 9 oktober 2017 tot 9 oktober 2018 onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland;

en

machtigt Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 9 oktober 2017 tot 9 oktober 2018, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.B. Wijnholt, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Westerhof als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2017.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.