Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12318

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-10-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
NL17.10177
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, Iran, bekering tot Christendom, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.10177


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.


Procesverloop
Bij besluit van 5 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.10178, plaatsgevonden op 17 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Iraanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1968. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij ongeveer zes maanden geleden in Iran is bekeerd tot het christendom. Eiser bezocht in dat kader ook een lokale huiskerk in zijn woonplaats, [woonplaats]. Nadat eiser van collega en medebekeerling [persoon A] hoorde dat daar een inval was geweest door de autoriteiten is eiser niet meer gegaan. Een paar dagen later werd eiser gebeld door zijn vrouw dat er een inval in zijn woning had plaatsgevonden waarbij een arrestatiebevel is getoond voor hem. Eiser heeft diezelfde dag Iran op illegale wijze verlaten en is, onder meer via Turkije, naar Nederland gereisd.

2. Verweerder heeft de aanvraag met toepassing van het eerste lid van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en met toepassing van het eerste lid van artikel 30b, aanhef en onder e, van de Vw 2000, als kennelijk ongegrond afgewezen. Als relevante elementen van het asielrelaas worden door verweerder onderscheiden:

1.
de nationaliteit, identiteit en herkomst van eiser;
2. de bekering tot het christendom;

3. de uit de bekering voortvloeiende problemen.

Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder acht de gestelde bekering tot het christendom en de daarop gevolgde problemen echter niet geloofwaardig. Volgens verweerder is daarom niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer naar Iran te vrezen heeft voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag, dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3. Eiser stelt zich in beroep op het standpunt dat zijn bekering wel degelijk geloofwaardig is. Op hetgeen hij in dit verband heeft aangevoerd zal in het navolgende worden ingegaan.

4. Ingevolge artikel 29 van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is; of

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit:

1°. doodstraf of executie;

2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

Zoals onder meer blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2011), past verweerder bij de beoordeling van de door een vreemdeling aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde geloofsovertuiging een vaste gedragslijn toe, bestaande uit een vragenlijst die in overleg met onder meer kerkelijke instanties en met een organisatie die de belangen behartigt van christelijke asielzoekers tot stand is gekomen. De daarin opgenomen vragen kunnen – voor zover toepasselijk in het concrete geval – grofweg worden onderverdeeld in vragen over de motieven voor en het proces van bekering waaronder de betekenis en praktische uitvoering van een eventuele doop en doopplechtigheid, en over de persoonlijke betekenis van de bekering of de geloofsovertuiging voor een vreemdeling. Tevens betreft het vragen die betrekking hebben op algemene, basale kennis van de geloofsleer en geloofspraktijk. Tenslotte verwacht verweerder dat een vreemdeling die stelt dat kerkgang onderdeel is van zijn geloofsovertuiging, daarover vragen weet te beantwoorden, bijvoorbeeld waar de kerk zich bevindt die hij bezoekt, op welk tijdstip de dienst of de mis plaatsvindt, en hoe deze verloopt. Soortgelijke vragen stelt verweerder ook over andere door een vreemdeling genoemde uitingen van zijn gestelde geloofsovertuiging, zoals evangeliseringsactiviteiten. Voorts blijkt onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 14 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2068) dat het verweerder vrij staat bij de toepassing van zijn gedragslijn voor het onderzoek naar de geloofwaardigheid van een bekering doorslaggevend gewicht toe te kennen aan de motieven voor en het proces van die bekering. Het is aan eiser om zijn gestelde bekering tot het christendom aannemelijk te maken.

5.2.

In het licht van het vorenstaande is de rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onterechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser over zijn bekering ongeloofwaardig zijn. Verweerder heeft daarbij van belang kunnen achten dat eiser slechts vaag en summier heeft kunnen verklaren over zijn motieven voor bekering. Zo heeft eiser slechts in algemene en basale bewoordingen kunnen duiden wat het is geweest in de woorden van [persoon A] dat hem ertoe heeft bewogen om dusdanig geïnteresseerd te worden in dat hij zelfs heeft besloten zich te bekeren tot het christendom. Weliswaar heeft eiser bepaalde redenen genoemd maar verweerder heeft hierover niet ten onrechte overwogen dat iedere asielzoeker met enige voorbereiding in staat moet worden geacht om bijbelverhalen na te vertellen en om in positieve bewoordingen te spreken over het christelijke geloof, over de vader-zoon relatie tussen God, over de mens en het leven en over de dood en opstanding van Jezus Christus. Eiser kan onvoldoende duiden wat voor hem persoonlijk de redenen zijn geweest om zijn leven over te geven aan Jezus Christus en om de mogelijke gevaren die dit tot gevolg kunnen hebben te aanvaarden. Dit laatste klemt temeer nu eiser afkomstig is uit Iran, waar geloofsafval en bekering tot een ander geloof dan de islam maatschappelijk onacceptabel is en zwaar kan worden bestraft (uitspraak van de Afdeling van 28 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4065). Voor zover eiser een drang heeft gevoeld om dichter tot God te komen, zoals mensen die kunnen ervaren, valt uit zijn verklaringen niet op te maken over welke God hij spreekt en hoe dit tot zijn geloof in Jezus Christus als Heer en Redder heeft geleid. Eiser kan verder onvoldoende aangeven hoe, of op welke wijze, hij zich daadwerkelijk bekeerd heeft tot het christendom. Zo heeft eiser verklaard dat hij zich op een gegeven moment tot Jezus is gaan richten in zijn gebed, zonder duidelijk te kunnen maken hoe dit is gekomen, waarom hij dit deed vanaf dat moment of hoe hij dit heeft beleefd. Ook heeft eiser verklaard geraakt te zijn door het geloof van de anderen op de huiskerkbijeenkomsten. Het is dan vreemd dat eiser bijna niets kan vertellen over de andere aanwezigen, naar eigen zeggen omdat hij geen nadere kennis zou hebben gemaakt met deze mensen. Verwacht mag worden dat tijdens de bijeenkomsten de anderen vertellen over hun beleving in het geloof, of over gebedspunten die zij hebben, of over wat zij meemaken in hun dagelijkse leven en of met God. Dit zijn gegevens die niet herleidbaar hoeven te zijn tot de identiteit van een persoon, zodat de door eiser opgevoerde angst voor ontdekking geen verklaring biedt. Dat eiser bijna niets kan vertellen over zijn medebekeerlingen klemt temeer nu eiser daar naar eigen zeggen zes maanden lang op de zondagen kwam. Verweerder heeft dan ook het standpunt kunnen innemen dat eiser geen inzicht heeft geboden in zijn motieven voor bekering en dat uit de verklaringen van eiser ook niet is gebleken van een innerlijk proces waarin hij de voor- en nadelen van een bekering heeft afgewogen. Verweerder heeft het eiser voorts tegen kunnen werpen dat hij over bepaalde essentiële kernelementen van het christendom niet of te weinig heeft kunnen verklaren. Zo weet eiser bijvoorbeeld niet dat de god van de Koran en de god van de Bijbel twee verschillende goden zijn. Evenmin wist eiser iets te vertellen over de verschillende stromingen binnen het christendom en was eiser voorts niet bekend met de waterdoop, de Heilige geest en kon hij niets vertellen over christelijke feestdagen.

5.3.

Gelet op het feit dat de bekering zelf al ongeloofwaardig is, heeft verweerder het eveneens ongeloofwaardig kunnen achten dat eiser vanwege zijn gestelde bekering gezocht wordt door de autoriteiten en daarom een reële vrees heeft voor vervolging van wel schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Iran. Nu eiser ook anderszins niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt op vervolging dan wel schending van artikel 3 van het EVRM, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de aanvraag terecht met toepassing van het eerste lid van artikel 31 van de Vw 2000 de aanvraag als ongegrond afgewezen.

6. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat verweerder de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 tevens als kennelijk ongegrond heeft mogen afwijzen. Daartoe is redengevend dat eiser kennelijk vals heeft verklaard over zijn bekering.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Zeben - de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.