Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12315

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-10-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
NL17.10222
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.10222


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. A. Greve-Kortrijk),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.10223, plaatsgevonden op 17 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Eritrese nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1999.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening). In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd. Op grond van artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening staat dit gelijk met het aanvaarden van het terugnameverzoek.

3. Eiser is het hier niet mee eens voert aan daartoe aan dat verweerder ten onrechte uitgaat van zijn meerderjarige leeftijd. Volgens eiser is er voldoende aanleiding om te twijfelen aan zijn door Italië en Duitsland vastgestelde meerderjarige leeftijd. Verweerder ging voor de Eurodac-treffers immers ook uit van de minderjarige leeftijd van eiser en eiser heeft daarnaast zijn minderjarige leeftijd aangetoond met zijn geboorteakte. Gelet op artikel 25, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn dient verweerder dan ook onderzoek te doen naar de leeftijd van eiser. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat Nederland zich ten aanzien van Italië niet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan beroepen gezien de leefomstandigheden waaraan hij daar zal worden blootgesteld en de kwaliteit van de asielprocedure in Italië.

4. Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder in het bestreden besluit terecht is uitgegaan van de meerderjarige leeftijd van eiser, nu zij af heeft mogen gaan op de verstrekte informatie dienaangaande van Italië en Duitsland. Eiser heeft in deze landen zelf wisselende geboortedata opgegeven, volgens welke data eiser nu meerderjarig is. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft op 17 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:134) en op 20 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:780) geoordeeld dat informatie uit een andere lidstaat waaruit blijkt dat betrokkene meerderjarig is, volstaat om een asielzoeker ook in Nederland meerderjarig te verklaren, mits in Nederland geen authentieke, identificerende documenten zijn overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de door eiser overgelegde Eritrese doopakte en de kopie van het identiteitsbewijs van zijn vader niet leiden tot een ander oordeel. Daargelaten de vraag of de documenten als authentiek kunnen worden aangemerkt, kunnen ze niet als identificerend worden aangemerkt nu er geen pasfoto op de doopakte zit of ander identificerend element waardoor de doopakte aan eiser kan worden gekoppeld (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2017 ECLI:NL:RVS:2017:1596). Ook het gegeven dat eiser bij binnenkomst in Nederland consistent verklaard heeft te zijn geboren op [geboortedatum] 2000 en dus minderjarig te zijn, leidt niet tot een andere conclusie. Eiser heeft dan ook nog steeds zijn identiteit en nationaliteit niet aannemelijk gemaakt. Tot slot merkt de rechtbank nog op dat de minderjarige leeftijd van een vreemdeling in beginsel geen beletsel betekent voor een overdracht aan een andere lidstaat in het kader van de Dublinverordening. Voor zover eiser dan ook meent dat bij minderjarigheid niet wordt geclaimd bij een andere lidstaat, berust dit op een onjuiste veronderstelling.

5.2.

De rechtbank stelt verder vast dat eiser niet bestrijdt dat Italië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Het betoog van eiser heeft betrekking op wat in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening is bepaald. Het betoog van eiser komt er immers op neer dat Nederland eiser niet mag overdragen aan Italië, omdat ernstig moet worden gevreesd dat de asiel- en opvangprocedure in Italië systeemfouten bevat die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).

5.3.

Het betoog van eiser slaagt naar het oordeel van de rechtbank echter niet. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in verschillende arresten geoordeeld dat de structuur van- en de algehele omstandigheden in het Italiaanse opvangsysteem niet zodanig zijn dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest strijdige situatie. Er zijn weliswaar tekortkomingen in de opvangvoorzieningen, maar deze zijn niet zo ernstig dat deze aan de overdracht van asielzoekers aan Italië in de weg moeten staan. Het EHRM heeft verder meermaals overwogen dat de situatie voor asielzoekers in Italië niet kan worden vergeleken met de situatie in Griekenland ten tijde van de uitspraak van het EHRM in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft daarnaast, onder meer bij uitspraak van 10 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2278), al geoordeeld dat de situatie in Italië niet zodanig is verslechterd dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank verwijst in dit verband tevens naar de uitspraken van de Afdeling van 16 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:73) en 7 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:971).

5.4.

Eiser is er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de situatie in Italië thans zodanig is verslechterd, dat hetgeen hiervoor is overwogen niet langer geldt en dat nu wel ernstig moet worden gevreesd dat de asiel- en opvangprocedure in Italië systeemfouten bevat die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen. Wellicht ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat de Afdeling in haar hiervoor genoemde uitspraken ook heeft overwogen dat ervan kan worden uitgegaan dat er voldoende opvangplaatsen zijn binnen de zogenaamde SPRAR-locaties voor bijzonder kwetsbare asielzoekers, zolang er geen concrete aanwijzingen zijn van het tegendeel. Ook indien wel van de minderjarigheid van eiser moest worden uitgegaan, was er voor verweerder dus geen reden om tot een ander besluit te komen. Dit standpunt heeft de Afdeling laatstelijk nog bevestigd in haar uitspraak van 17 september 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2505).

5.5.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om het asielverzoek van eiser aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verweerder eiser mag overdragen aan Italië.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Zeben - de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.