Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12295

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
26-10-2017
Zaaknummer
C/09/16/148 R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling art. 350 Fw. Tekortkoming in nakoming sollicitatieverplichting van 17 maanden. Gestelde arbeidsongeschiktheid niet onderbouwd. Geen aanleiding voor verlenging. Hogere schuldenlast dan bij toelating. Rechtbank niet geïnformeerd over terugvorderingsbesluiten.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

Vonnis van 3 oktober 2017

in de schuldsaneringsregeling van:

[Schuldenares]
geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] (Suriname),
wonende [adres, postcode en woonplaats].
[Schuldenares] zal hierna worden aangeduid als ‘schuldenares’.

1 Verloop van de procedure

1.1

Ten aanzien van schuldenares is bij vonnis van [de datum] 2016 de schuldsaneringsregeling uitgesproken, met benoeming van, laatstelijk, mr. D. Nobel tot rechter-commissaris. R. van den Brink, kantoorhoudende te Zuidland, is benoemd tot bewindvoerder.

1.2

Op 21 augustus 2017 heeft de rechter-commissaris een voordracht gedaan strekkende tot voortijdige beëindiging van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in artikel 350 van de Faillissementswet (Fw).

1.3

De rechter-commissaris heeft haar voordracht gegrond op de volgende feiten en omstandigheden.

- Schuldenares heeft onvoldoende aan haar inspanningsverplichting voldaan. Schuldenares heeft vanaf de toelating tot de schuldsaneringsregeling tot 27 maart 2017 parttime en/of wisselende uren gewerkt, zodat zij gedurende deze periode aanvullend diende te solliciteren. Sinds 27 maart 2017 heeft schuldenares niet gewerkt, zodat de sollicitatieplicht vanaf deze datum eveneens op haar van toepassing is geweest. Schuldenares heeft vanaf de toelating slechts zeven sollicitatiebewijzen overgelegd. Er is derhalve sprake van een tekortkoming in de inspanningsverplichting van circa 16 maanden. Schuldenares is op 16 augustus 2017 op de rechtbank verschenen voor een verhoor bij de dossiersecretaris. Tijdens dit verhoor heeft schuldenares niet, althans onvoldoende, toegelicht waarom zij niet voldoende heeft gesolliciteerd. Bovendien blijkt uit de zittingsaantekeningen dat schuldenares bij de toelating door de rechtbank nadrukkelijk op de sollicitatieverplichting is gewezen en is zij tevens daarna door de bewindvoerder meermaals (bij het huisbezoek, middels de verslagen en bij separaat schrijven) op de inspanningsverplichting is gewezen. Schuldenares had derhalve behoren te weten wat van haar werd verlangd.

- Schuldenares heeft op de schuldenlijst van de verklaring ex artikel 285 van de Faillissementswet opgegeven dat zij een totale schuld heeft van € 84.119,63, terwijl bij de bewindvoerder schulden ter verificatie zijn ingediend van € 90.046,66. Dit resulteert in een hogere schuldenlast dan op de toelatingszitting bekend was.

- De hogere schuldenlast komt mede door een schuld aan het UWV van € 6.558,38. Van dit bedrag heeft een deel (€ 455,12) betrekking op een terugvordering van de WWB-uitkering van 2014, welke terugvordering wel bij de toelating is gemeld. Het overige deel (€ 6.103,26) is door schuldenares niet gemeld bij de toelating en heeft betrekking op terugvorderingen van de WWB-uitkering van 2013 en 2015 alsmede door het UWV opgelegde boetes. De terugvorderingen en de boetes zijn ontstaan doordat schuldenares haar inkomsten uit werk niet of niet tijdig heeft gemeld aan het UWV. Daarnaast heeft de Belastingdienst een aantal vorderingen bij de bewindvoerder ingediend, welke vorderingen eveneens niet op de verklaring ex artikel 285 van de Faillissementswet staan vermeld. Het betreft diverse terugvorderingen van de huur- en zorgtoeslag en het kindgebonden budget over de jaren 2014 en 2015 met een totale hoogte van € 10.768,-.

- Indien de rechtbank bij de toelating tot de schuldsaneringsregeling bekend was geweest met de vorderingen van het UWV en de Belastingdienst, dan was dit wellicht een reden geweest om schuldenares niet toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Schuldenares heeft bij het verhoor van 16 augustus 2017 niet kunnen toelichten waarom deze schulden niet zijn gemeld bij de toelating. Wel blijkt in elk geval uit de door de bewindvoerder overgelegde stukken van het UWV dat de vorderingen van het UWV al voor de toelating door het UWV aan schuldenares kenbaar zijn gemaakt. Dit maakt dat niet alleen de grond van artikel 350, derde lid, sub f van de Faillissementswet van toepassing, maar ook de grond van sub c van dit artikel. De informatieverplichting geldt namelijk ook reeds op de toelatingszitting. Daar en daarna is die niet naar behoren nagekomen.

1.4

Vooruitlopend op de mondelinge behandeling als bedoeld in artikel 350 lid 2 Fw heeft de bewindvoerder de rechtbank bij brief van 14 september 2017 geïnformeerd over de laatste stand van zaken.

1.5

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 26 september 2017. Bij die gelegenheid zijn verschenen:

- schuldenares,

- mr. R.G. van der Laan, advocaat,

- D. Klop, beschermingsbewindvoerder,
- de bewindvoerder.

1.6

De rechtbank heeft hierna vonnis bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

De rechtbank stelt bij de beoordeling van de voordracht tot tussentijdse beëindiging voorop dat uit de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) voor schuldenares een aantal verplichtingen voortvloeit, die hun grond vinden in de doelstelling van die wet. Deze doelstelling komt er op neer dat personen die in een uitzichtloze financiële situatie terecht zijn gekomen, de kans moet worden geboden hun schulden te saneren en weer met een schone lei verder te gaan. Gelet hierop mag van schuldenares worden gevergd dat zij zich tot het uiterste inspant om te voldoen aan de op haar rustende verplichtingen en dat zij daarnaast ook overigens niets zal doen of nalaten waardoor een juiste en voortvarende uitvoering van de door haar gewenste schuldsanering kan worden belemmerd of gefrustreerd. Tegen deze achtergrond bepaalt de wet dan ook dat niet nakoming van één of meer van de verplichtingen kan leiden tot een voortijdige beëindiging van de regeling.

2.2

Ter beoordeling staat of hetgeen schuldenares wordt tegengeworpen gegrond is en zo ja, of dit dient te leiden tot de door de rechter-commissaris verzochte beëindiging van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank oordeelt als volgt.

2.3

Schuldenares heeft bij monde van haar advocaat verklaard de tekortkoming in de nakoming van de sollicitatieverplichting niet te betwisten. Hierdoor is vast komen te staan dat schuldenares, doordat zij in het geheel slechts zeven sollicitatiebewijzen heeft overgelegd, voor de duur van 17 maanden tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende sollicitatieverplichting.

2.4

Schuldenares heeft gesteld niet in staat te zijn (fulltime) arbeid te verrichten. Ter onderbouwing van deze stelling heeft schuldenares aangevoerd dat zij op 29 augustus 2017 een intakegesprek heeft gehad bij de GGZ en op 26 september 2017 een afspraak heeft bij een psycholoog. Op basis van deze recente ontwikkelingen verzoekt schuldenares de schuldsaneringsregeling niet tussentijds te beëindigen, maar te verlengen voor de duur van de tekortkoming in de nakoming van de sollicitatieverplichting.

2.5

De rechtbank oordeelt dat de gestelde arbeidsongeschiktheid niet met stukken is onderbouwd. Gebleken is dat schuldenares zich tevens niet heeft ziekgemeld bij het UWV en daardoor (nog steeds) geen ZW- maar een WW-uitkering ontvangt. Nu schuldenares ook niet aantoonbaar solliciteert, komt de rechtbank tot het oordeel dat schuldenares tot op heden blijft tekortschieten in de nakoming van de sollicitatieverplichting. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het verlengen van de schuldsaneringsregeling.

2.6

Schuldenares heeft ter terechtzitting bij monde van haar advocaat voorts verklaard dat de terugvorderingsbesluiten van het UWV en de Belastingdienst tussen de afwikkeling van het minnelijk traject en de toelatingszitting van 15 maart 2016 op de mat zijn gevallen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat schuldenares ten tijde van de toelatingszitting van het bestaan van voormelde vorderingen wist en behoorde te weten dat deze informatie dusdanig relevant was voor de beoordeling van haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling dat zij de rechtbank hieromtrent actief had moeten informeren.

2.7

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat schuldenares toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende sollicitatie- en informatieverplichting. Voorts is de rechtbank van oordeel dat sprake is van feiten en omstandigheden die reden zouden zijn geweest het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af te wijzen. Schuldenares heeft immers ten aanzien van de in de voordracht van de rechter-commissaris vermelde schulden niet aannemelijk gemaakt dat zij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw te is geweest, zodat niet is voldaan aan artikel 288, eerste lid, onder b, van de Faillissementswet. De voordracht van de rechter-commissaris dient dan ook te worden toegewezen en de onderhavige schuldsaneringsregeling dient te worden beëindigd.

2.8

De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en het bedrag van de door deze gemaakte kosten vaststellen. Het is de rechtbank gebleken dat er geen baten beschikbaar zijn om vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen, zodat verificatie van vorderingen en het opmaken van een uitdelingslijst achterwege blijft.

3 De beslissing:

De rechtbank:

- wijst toe de voordracht van de rechter-commissaris en beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [schuldenares], voornoemd;

- stelt de vergoeding van de bewindvoerder vast op € 2.318,37 (inclusief de verschuldigde omzetbelasting) voor zover het boedelactief dit toelaat;

- geeft opdracht aan de bewindvoerder om het resterende actief -na voldoening van het salaris van de bewindvoerder en de kosten- te verdelen onder de crediteuren.

Gewezen door mr. M.M.F. Holtrop en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2017 in aanwezigheid van C.R. Cortenbach-van der Lek LL.B., griffier.

Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.