Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1229

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-02-2017
Datum publicatie
14-02-2017
Zaaknummer
NL17.300
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- asielaanvraag

- staatloos Palestijn

- relaas niet geloofwaardig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.300

V-nummer: [nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 13 februari 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M.S. Yap),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins).


Procesverloop
Bij besluit van 11 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk Arabisch (Palestijns-Jordaans) is verschenen M. Oublal. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] in Saudi-Arabië, waar hij tot 1992 heeft verbleven. Vanaf 1992 heeft eiser in Libanon gewoond. Eiser is staatloos Palestijn. Op 25 november 2016 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Eiser heeft aan zijn aanvraag ten eerste ten grondslag gelegd dat zijn zwager, [zwager] (hierna ook: [zwager]), werkzaam is voor Hezbollah en in 2010 van het soennisme naar het sjiisme is bekeerd. [zwager] heeft vervolgens geprobeerd eiser en zijn gezinsleden te overtuigen zich ook tot het sjiisme te bekeren. Omdat eiser en zijn gezinsleden dit niet wilden, heeft [zwager] hen meermalen bedreigd. De laatste keer werd hij heel boos en trok hij een pistool. Eiser heeft geprobeerd hiervan aangifte te doen, maar vernam van de autoriteiten dat zij geen bescherming konden bieden tegen [zwager] vanwege diens connecties met Hezbollah. Ten tweede stelt eiser dat hij in Libanon als journalist werkzaam was voor het bedrijf [bedrijf]. Na maart 2016 heeft hij als freelancer voor dat bedrijf gewerkt aan een rapportage over islamitische groeperingen in het vluchtelingenkamp waar hij op dat moment verbleef. Vanwege deze werkzaamheden ontving eiser doodsbedreigingen van extremistische groeperingen. Hij heeft hiervan aangifte gedaan bij het bureau van de Palestijnse veiligheidsdienst in het kamp, maar hem werd ook daar verteld dat hij niet kon worden beschermd. Vanwege deze twee doodsbedreigingen heeft eiser Libanon verlaten.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De gestelde problemen van eiser met [zwager] acht verweerder niet geloofwaardig. Evenmin acht verweerder geloofwaardig dat eiser vanaf maart 2016 als freelancer werkzaam is geweest voor het bedrijf [bedrijf], dat hij heeft gewerkt aan een rapportage over extremistische groeperingen en dat hij als gevolg daarvan met de dood is bedreigd.

4. Eiser meent dat hem ten onrechte een asielvergunning is onthouden. Hij bestrijdt dat zijn asielrelaas ongeloofwaardig is. Volgens eiser heeft hij oprechte inspanningen geleverd om zijn aanvraag te staven. Bijna alle relevante elementen heeft hij met documenten weten te onderbouwen. Aan eiser dient het voordeel van de twijfel te worden gegund als bedoeld in artikel 31, zesde lid, van de Vw. Verweerder heeft onvoldoende een integrale weging gemaakt als vereist in de Werkinstructie (WI) 2014/10 ten aanzien van de door eiser aangevoerde elementen in samenhang bezien.

De rechtbank oordeelt als volgt:

5. Gelet op de beroepsgronden dient te worden beoordeeld of verweerder het asielrelaas van eiser niet ten onrechte als ongeloofwaardig heeft aangemerkt.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over zijn problemen met [zwager] niet geloofwaardig zijn. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat eiser niet heeft kunnen concretiseren op basis van welke argumenten [zwager] heeft geprobeerd eiser en zijn gezinsleden te overtuigen zich tot het sjiisme te bekeren. [zwager] heeft volgens eiser gerefereerd aan Koranverzen en gebeurtenissen in de geschiedenis, maar eiser heeft dit niet nader kunnen uitleggen. Verweerder heeft terecht geoordeeld dat de gestelde omstandigheid dat eiser zelf geen praktiserend moslim is, niet wegneemt dat de gestelde bekeringsdrift van eisers zwager zonder nadere onderbouwing niet aannemelijk is. Verweerder heeft hierbij terecht betrokken dat [zwager] volgens eiser gedurende een periode van vier jaar iedere maand bij het gezin van eiser thuis kwam met als doel hen te overtuigen sjiiet te worden. Verweerder heeft ook terecht gesteld dat eiser niet heeft kunnen verklaren wanneer en waarom de overige familieleden op verzoek van [zwager] besloten sjiiet te worden, omdat aangenomen moet worden dat dit onderwerp binnen de familie ter sprake is gekomen. De door eiser overgelegde verklaring gezinsregistratie, waaruit zou blijken dat genoemde familieleden zijn bekeerd tot het sjiisme, brengt hierover geen helderheid, nu hieruit niet blijkt dat zij door toedoen van [zwager] zijn bekeerd. Verder heeft verweerder niet ten onterechte opgemerkt dat het, gezien de ernst van de bedreigingen en de impact die deze volgens eiser op zijn leven hebben gehad, vreemd is dat eiser zich niet kan herinneren hoe vaak [zwager] hem en zijn gezinsleden heeft bedreigd. Niet ten onrechte heeft verweerder verder geoordeeld dat niet valt in te zien waarom eiser en zijn echtgenote de bedreigingen door [zwager] aanvankelijk niet serieus namen, temeer daar hij meestal een wapen bij zich droeg. Verweerder heeft daarnaast niet ten onterechte overwogen dat in de verklaringen van eiser sprake is van een ongerijmde wending in de handelswijze van [zwager], in de zin dat die eiser eerst na vier jaar met de dood heeft bedreigd, terwijl vanaf het begin duidelijk was dat eiser en zijn echtgenote zich niet tot het sjiisme wilden bekeren. De stelling van eiser dat dit zou kunnen duiden op een proces van radicalisering is niet onderbouwd. De in beroep aangevoerde algemene informatie over sheikh Yusuf al-Qaradawi, een soenni-geleerde, islamist en theoloog, kan eiser dan niet baten.

7. Verweerder heeft ook niet ten onrechte eiser niet gevolgd in diens verklaring dat [zwager] werkzaam is voor Hezbollah. Niet is komen vast te staan dat de door eiser aangehaalde Facebookaccounts van [zwager] zijn. De rechtbank verwijst in dit verband naar de opmerking van eiser in de correcties en aanvullingen op zijn eerste gehoor dat er op Facebook meerdere personen met de dezelfde naam zijn terug te vinden. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat, voor zover de aangehaalde accounts wel van [zwager] zouden zijn, dit niets zegt over de geloofwaardigheid van diens werkzaamheden voor Hezbollah. Verweerder heeft hierbij voorts terecht betrokken dat eiser de informatie over de gestelde werkzaamheden van [zwager] uitsluitend van [zwager] zelf heeft verkregen en eiser bovendien niet kan vertellen wat [zwager] bij Hezbollah deed. Dat eiser aangifte heeft gedaan of heeft willen doen van de bedreigingen door [zwager] maakt zijn ongeloofwaardige relaas niet alsnog geloofwaardig.

8. Verweerder heeft zich evenmin ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen over de doodsbedreigingen door extremistische groeperingen niet geloofwaardig zijn. Allereerst heeft verweerder eiser niet ten onrechte tegengeworpen dat niet valt in te zien waarom eiser de rapportage, waarmee hij zijn relaas op dit punt had kunnen onderbouwen, meteen heeft vernietigd, terwijl de bedreigingen reeds waren geuit.

Voorts heeft verweerder niet ten onrechte geoordeeld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanaf maart 2016 als freelance journalist voor [bedrijf] heeft gewerkt. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat in de oorspronkelijk overgelegde werkgeversverklaring geen melding is gemaakt van de werkzaamheden die eiser na maart 2016 op freelancebasis voor [bedrijf] zou hebben verricht. De in beroep overgelegde schriftelijke verklaring van [bedrijf] van 13 januari 2017 vermeldt wel dat eiser vanaf 1 maart 2016 als freelancer voor [bedrijf] heeft gewerkt, maar verweerder heeft ter zitting terecht opgemerkt dat dat niet rijmt met eisers eigen verklaring in het nader gehoor dat hij zijn ontslag heeft ingediend in maart 2016. Voor zover eiser zijn freelance werkzaamheden vanaf maart 2016 heeft willen onderbouwen met de in beroep overgelegde ongedateerde schriftelijke verklaring van [directeur], Directeur Nieuwsberichten voor de zender [zender], heeft verweerder ter zitting terecht opgemerkt dat eiser met de door hem overlegde documenten niet aannemelijk heeft gemaakt dat [directeur] in deze periode daadwerkelijk directeur van [bedrijf] en de leidinggevende van eiser is geweest. De rechtbank stelt verder vast dat [directeur] in zijn verklaring schrijft destijds van eiser te hebben vernomen dat die doodsbedreigingen had ontvangen, terwijl eiser in het nader gehoor heeft verklaard dat hij alleen met zijn vriend [vriend] over de bedreiging heeft gesproken. Tenslotte is er door verweerder ter zitting terecht op gewezen dat ook de verklaring van [bedrijf] van 13 januari 2017 en de verklaring van [directeur] verschillen voor wat betreft de precieze periode waarin eiser als freelance journalist werkzaam is geweest.

Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat de gestelde problemen op grond hiervan niet aannemelijk zijn. Ook heeft verweerder niet ten onrechte eisers verklaringen over de geuite doodsbedreigingen ongeloofwaardig bevonden. Terecht is overwogen dat eiser vage verklaringen heeft afgelegd over de wijze waarop hij van zijn vader, via zijn achterneef, van deze bedreigingen op de hoogte raakte. Verweerder heeft het niet ten onrechte vreemd gevonden dat eiser niet zelf via die achterneef nadere informatie heeft geprobeerd te krijgen. Ook heeft verweerder terecht opgemerkt dat eiser niet inzichtelijk heeft kunnen maken hoe zijn vriend [vriend] een en ander voor hem heeft kunnen onderzoeken.

9. De documenten die eiser ter onderbouwing van zijn asielrelaas heeft ingebracht nemen voornoemde ongerijmdheden in zijn verklaringen niet weg. Gelet hierop behoeft aan eiser niet het voordeel van de twijfel te worden gegund als bedoeld in artikel 31, zesde lid, van de Vw en heeft verweerder evenmin in het kader van de samenwerkingsverplichting nader onderzoek hoeven verrichten. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de beoordeling van verweerder niet conform de WI 2014/10 heeft plaatsgehad.

10. Eiser heeft in beroep nog aangevoerd dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen door tijdig ingebrachte aanvullende informatie niet in de besluitvorming te betrekken. Eiser wijst in dit verband op de hiervoor genoemde verklaring van [directeur] die in onvertaalde vorm reeds bij de zienswijze is overgelegd , maar waarvan de vertaling eerst in beroep is overgelegd. De rechtbank stelt met eiser vast dat verweerder in het bestreden besluit niet is ingegaan op deze verklaring en dat het bestreden besluit daarom een motiveringsgebrek kent. Nu niet aannemelijk is geworden dat eiser hierdoor is benadeeld, zal de rechtbank het bestreden besluit in stand laten met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.

11. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw.

12. De aanvraag is terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2017.

Griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.