Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12287

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-10-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
NL17.9696
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.9696


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: drs. J.D. Albarda).

Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.9697, plaatsgevonden op 19 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer O. Al Othman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1995 en de Syrische nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 14 juni 2017 deze asielaanvraag ingediend.

2. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 6 november 2016 de buitengrens van de lidstaten die gebonden zijn aan de Verordening (EU) 603/2013 (Eurodacverordening) op illegale wijze heeft overschreden via Italië. Gelet hierop heeft verweerder de autoriteiten van Italië op grond van Verordening (EU) 604/2013 (Dublinverordening) op 18 januari 2017 verzocht eiser over te nemen. De Italiaanse autoriteiten hebben hier niet tijdig op gereageerd zodat op grond van artikel 22 van de Dublinverordening sinds 19 maart 2017 sprake is van een fictief claimakkoord. Eiser is op 18 mei 2017 overgedragen aan de Italiaanse autoriteiten. Op 10 juni 2017 heeft eiser zich weer gemeld bij de Nederlandse autoriteiten. Italië is op 17 juni 2017 gevraagd om betrokkene terug te nemen. De autoriteiten van Italië hebben niet tijdig gereageerd op het verzoek, waardoor de verantwoordelijkheid van Italië daarmee sinds 18 augustus 2017 vaststaat.

3. Verweerder heeft in zijn besluitvorming niet ten onrechte verwezen naar de jurisprudentie ten aanzien van de asielprocedure in Italië en heeft zich niet ten onrechte kunnen beroepen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit de aanzegging die eiser heeft ontvangen om Italië te verlaten blijkt niet dat eiser niet zal worden toegelaten tot de asielprocedure in Italië. Gebleken is dat eiser geen asiel heeft aangevraagd in Italië omdat hij in Nederland asiel wilde aanvragen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem niet mogelijk is om in Italië asiel aan te vragen. Dat eiser dit niet wil, staat hier los van. De aanzegging is gelet hierop, niet in strijd met het non-refoulementbeginsel uit artikel
3 van het Europees Verdrag inzake de bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen waardoor niet meer uitgegaan zou kunnen worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser dient bij de Italiaanse autoriteiten te klagen indien zich problemen voordoen in de asielprocedure.

4. Voorts constateert de rechtbank dat uit de aanzegging om Italië te verlaten blijkt dat eiser rechtsbijstand kan krijgen in Italië. De beroepsgrond van eiser, dat dit niet zo is, slaagt niet. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, in zijn geval, geen toegang tot rechtsbijstand had.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.