Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12271

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-07-2017
Datum publicatie
26-10-2017
Zaaknummer
AWB 16/14927
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft bij het primaire besluit afwijzend beslist op een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en daarbij een inreisverbod opgelegd voor de duur van vijf jaar. Verweerder heeft het daartegen gerichte bezwaarschrift, voor zover dat is gericht tegen het inreisverbod, met toepassing van artikel 6:15 van de Awb doorgezonden als beroep. De rechtbank stelt vast dat verweerder eisers bezwaar voor zover dat is gericht tegen het inreisverbod ten onrechte aan de rechtbank heeft doorgezonden ter behandeling als beroep. De rechtbank overweegt daartoe, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling, dat indien het inreisverbod is vervat in een besluit betreffende een verblijfsvergunning, tegen het inreisverbod dezelfde rechtsmiddelen openstaan als tegen het besluit betreffende de verblijfsvergunning. De rechtbank zal het bezwaarschrift daarom met toepassing van artikel 6:15 van de Awb terugzenden aan verweerder ter behandeling als bezwaar. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verweerder eisers verzoek om toepassing van artikel 7:1a van de Awb heeft afgewezen, omdat hij de zaak daarvoor naar zijn aard niet geschikt acht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

zaaknummer: AWB 16/14927

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [datum] ,

v-nummer [nummer] ,

van Azerbeidzjaanse nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. L.I. Siers),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Op 27 januari 2016 heeft verweerder een kennisgevingsformulier ontvangen. Verweerder heeft het kennisgevingsformulier aangemerkt als een aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘overig humanitaire gronden’. Bij besluit van 25 april 2016 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Tevens is daarbij aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van vijf jaar.

Daartegen heeft eiser op 25 april 2016 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 7 juli 2016 heeft verweerder het bezwaarschrift, voor zover dat is gericht tegen het inreisverbod, met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) doorgezonden als beroep (zaak nr. AWB 16/14927).

Bij besluit van 23 augustus 2016 heeft verweerder het bezwaar, voor zover dat is gericht tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier, ongegrond verklaard.

Op 23 augustus 2016 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit (zaak nr. AWB 16/19065).

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 12 juli 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.P. Guérain.

De zaak is samen met zaak nr. AWB 16/19065 gevoegd behandeld. Na de zitting is de gevoegde behandeling weer gesplitst.

De beoordeling

1. De rechtbank stelt vast dat verweerder eisers bezwaar voor zover dat is gericht tegen het inreisverbod ten onrechte aan de rechtbank heeft doorgezonden ter behandeling als beroep. De rechtbank overweegt daartoe dat indien het inreisverbod is vervat in een besluit betreffende een verblijfsvergunning, tegen het inreisverbod dezelfde rechtsmiddelen openstaan als tegen het besluit betreffende de verblijfsvergunning. De rechtbank verwijst naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie onder meer de uitspraken van 15 juni 2012 (ECLI:NL:RVS:BW9111) en 15 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3349).

2. De rechtbank zal het bezwaarschrift daarom met toepassing van artikel 6:15 van de Awb terugzenden aan verweerder ter behandeling als bezwaar.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verweerder eisers verzoek om toepassing van artikel 7:1a van de Awb heeft afgewezen, omdat hij de zaak daarvoor naar zijn aard niet geschikt acht.

Verweerder heeft ter zitting toegezegd te bewerkstelligen dat dit bezwaar op zo kort mogelijke termijn zal worden behandeld.

3. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Reden hiervoor is dat de kosten voor het indienen van het beroepschrift thans niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu dat is doorgezonden ter behandeling als bezwaar en in dat kader de vergoeding daarvan aan de orde dient te komen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. van Breda, voorzitter, mr. Tj. Gerbranda en mr. dr. R. Ortlep, rechters, in tegenwoordigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

Griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).