Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12251

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-10-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 6330
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Wajong2015. Tussenuitspraak. Het Uwv heeft de criteria a tot en met c van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit in onvoldoende mate betrokken bij de beoordeling van het arbeidsvermogen van eiseres. Niet blijkt van een concrete en expliciete beoordeling, al dan niet in samenspraak met de arbeidsdeskundige, van deze criteria. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Verweerder wordt in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen.

Wetsverwijzingen
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten 1a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/6330

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. C.L. van Oostveen),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: mr. M.C. Puister).

Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om eiseres een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen.

Bij besluit van 14 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 27 januari 2017 ter zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat.

Partijen hebben daarna stukken ingediend.

Nadat de rechtbank de zaak heeft verwezen naar de meervoudige kamer, is de zaak op

24 augustus 2017 wederom ter zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 3 december 2015 een Wajong-uitkering aangevraagd. Naar aanleiding van deze aanvraag is op 24 maart 2016 een verzekeringsgeneeskundig onderzoek uitgevoerd en is een rapport opgesteld door de primaire verzekeringsarts W. Kooloos.

Deze verzekeringsarts heeft vastgesteld dat eiseres lijdt aan aanhoudende pijn in de buik en het bekken als gevolg waarvan zij energetische en fysieke belemmeringen ervaart.

Volgens de primaire verzekeringsarts beschikte eiseres ten tijde van de medische beoordeling niet over arbeidsvermogen maar is dit ontbreken niet duurzaam, omdat de verwachting bestaat dat de medische situatie van eiseres gelet op het huidige en geplande behandeltraject zal kunnen verbeteren. Op grond van dit medisch oordeel heeft verweerder bij het primaire besluit aan eiseres een Wajong-uitkering geweigerd.

2. Naar aanleiding van het door eiseres gemaakte bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) G.K. Hebly op 13 juli 2016 een medische rapportage uitgebracht. Op basis van de daarin gemaakte heroverweging komt de verzekeringsarts b&b, mede op grond van opgevraagde en verkregen medische informatie van de huisarts van eiseres, tot de conclusie dat de primaire verzekeringsarts zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het ontbreken van arbeidsvermogen bij eiseres niet duurzaam is. Volgens de verzekeringsarts b&b kunnen contacten met behandelaars niet alleen leiden tot verbetering, maar ook tot een beter inzicht in de oorzaak van het disfunctioneren van eiseres. Op grond van de bevindingen van de verzekeringsarts b&b heeft verweerder in het bestreden besluit het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

3. In beroep voert eiseres aan dat in 2011 na een keizersnee complicaties zijn ontstaan die bij haar enorme pijnen veroorzaakten. Medicatie, operaties en bekkenbodemtherapie hebben volgens eiseres niet of nauwelijks tot pijnverlichting geleid. Eiseres heeft in dit verband medische informatie van haar huisarts en haar gynaecoloog overgelegd. Beide verzekeringsartsen van het Uwv hebben volgens eiseres in veel te algemene bewoordingen gesteld dat behandelingen zouden kunnen helpen, zonder deze behandelingen te concretiseren. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarde dat het verzekeringsgeneeskundig oordeel deugdelijk moet zijn onderbouwd. Bovendien heeft de verzekeringsarts b&b de medische informatie van de huisarts van eiseres onjuist geïnterpreteerd en geen vervolgvragen gesteld, zodat ook daarom sprake is van een ondeugdelijke motivering. Tevens vindt eiseres dat de verzekeringsartsen van het Uwv toepassing hadden moeten geven aan het zogeheten stappenplan aan de hand waarvan zij de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen moeten beoordelen. Ook had volgens het stappenplan overleg moeten plaatsvinden met de arbeidsdeskundige en nu dat ook niet is gebeurd, is sprake van onzorgvuldig onderzoek en ondeugdelijke motivering. Ten slotte stelt eiseres dat verweerder in zijn besluitvorming ten onrechte geen beslissing heeft genomen over een indicatie banenafspraak voor eiseres.

4. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 27 januari 2017 geschorst en het vooronderzoek hervat om verweerder in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te doen naar de duurzaamheid van de afwezigheid van arbeidsvermogen bij eiseres. Verweerder heeft op 31 maart 2017 nader verweer gevoerd en een rapport van 9 maart 2017 van de verzekeringsarts b&b in geding gebracht. Na een reactie van 17 mei 2017 en een aanvullende reactie van 8 juni 2017 van eiseres heeft verweerder bij brief van 20 juli 2017 een aanvullende rapportage van 11 juli 2017 van de verzekeringsarts b&b overgelegd, waarin het stappenplan voor de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen bij eiseres is gevolgd en overleg met de arbeidsdeskundige heeft plaatsgevonden.

5.1

In de Wet van 2 juli 2014 tot wijziging van de Wet werk en bijstand, de Wet sociale werkvoorziening, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en enige andere wetten gericht op bevordering deelname aan de arbeidsmarkt voor mensen met arbeidsvermogen en harmonisatie van deze regelingen (Invoeringswet Participatiewet, Stb. 2014, 270) is geregeld dat de Wajong met ingang van 1 januari 2015 alleen nog toegankelijk is voor jonggehandicapten die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.

5.2

Ingevolge artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong is jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen de ingezetene die op de dag dat hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

5.3

Ingevolge artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben verstaan de situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

5.4

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong, indien hij:

a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;

b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;

c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of

d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.

5.5

Ingevolge artikel 3, vierde lid, van het Schattingsbesluit stelt de verzekeringsarts bij een beoordeling van het duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben als bedoeld in hoofdstuk 1a van de Wajong, vast of de gevolgen van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling waardoor de betrokkene ongeschikt is tot werken duurzaam zijn.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van het Schattingsbesluit strekt het arbeidsdeskundig onderzoek tot vaststelling van duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben als bedoeld in artikel 1a:1 van de Wajong.

5.6

Voor de beoordeling of iemand voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van een Wajong-uitkering maakt verweerder gebruik van de Sociaal Medische Beoordeling Arbeidsvermogen (SMBA)-systematiek. Voor de toepassing van de SMBA-systematiek heeft verweerder het ‘Compendium Participatiewet’ (Compendium) ontwikkeld. Blijkens de toelichting betreft dit Compendium deels een werkinstructie/naslagwerk en deels een beschrijving van verweerders beleid.

5.7

In Bijlage 1 (‘Duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen’) van het Compendium is het beoordelingskader van het aspect duurzaamheid opgenomen. Volgens de inleiding van deze bijlage betreft het een hulpmiddel voor verzekeringsarts en arbeidsdeskundige om te bepalen of al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen.

Bij de oordeelsvorming wordt het volgende stappenplan gebruikt.

Stap 1 – voor de verzekeringsarts

De verzekeringsarts stelt vast of sprake is van een progressief ziektebeeld.

Als het antwoord bevestigend is, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.

Stap 2 – voor de verzekeringsarts

De verzekeringsarts stelt vast of de situatie van cliënt aan beide volgende voorwaarden voldoet:

 er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden;

 de aandoening is zodanig ernstig dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.

Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.

Stap 3 – voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige samen

De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij tenminste de volgende aspecten in onderlinge samenhang:

 het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid;

 het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling;

 het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.

Op grond van hun gezamenlijk overleg concluderen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige of het arbeidsvermogen al dan niet duurzaam ontbreekt. De beoordeling is afgerond.

6.1.1

De rechtbank stelt vast dat eiseres volgens verweerder geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft omdat zij -kort gezegd- niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, aanhef en onder d, van het Schattingsbesluit. Verweerder acht het onvermogen tot arbeidsparticipatie van eiseres op dit punt echter niet duurzaam omdat, zo stelt de verzekeringsarts b&b, contacten met behandelaars niet alleen kunnen leiden tot verbetering maar ook tot een beter inzicht in de oorzaak van het disfunctioneren. Daardoor kan, aldus de verzekeringsarts b&b in zijn aanvullende rapportage van 11 juli 2017, de stagnatie in de ontwikkeling van het psychosociaal functioneren van eiseres worden doorbroken dan wel overwonnen.

6.1.2

Tot dit medisch oordeel is de verzekeringsarts b&b gekomen door in de beroepsfase van dit geding alsnog het stappenplan uit het Compendium te volgen en, onder meer voor wat betreft de toepassing van stap 3 van het stappenplan, overleg te plegen met de arbeidsdeskundige b&b W.G.E. Buskermolen. De arbeidsdeskundige b&b ziet volgens de verzekeringsarts b&b reden “om arbeidskundig niet uit te gaan van definitief wegblijven van arbeidsvermogen, inclusief de vier uren per dag.”. De rechtbank acht hiermee het standpunt van verweerder dat het ontbreken van arbeidsvermogen bij eiseres niet duurzaam is, voldoende zorgvuldig tot stand gekomen. Het gebrek in de onderbouwing van het bestreden besluit, zoals dat bij de behandeling ter zitting van 27 januari 2017 is geconstateerd, is daarmee naar het oordeel van de rechtbank hersteld.

6.2

Wat betreft de inhoudelijke kant van het medisch oordeel acht de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich op termijn bij eiseres kunnen ontwikkelen.

In de door eiseres aangedragen medische informatie ziet de rechtbank geen aanknopingspunt voor twijfel aan het medisch oordeel van de verzekeringsarts b&b. Meer in het bijzonder volgt de rechtbank de verzekeringsarts b&b in zijn standpunt dat de huisarts van eiseres, die haar voor behandeling heeft verwezen naar een psycholoog, geen kansen voor eiseres lijkt uit te sluiten en dat ook de behandelend gynaecoloog van eiseres, [gynaecoloog], met de mededeling dat aanvullende behandeling eiseres kan helpen om te leren omgaan met haar pijnklachten, ruimte laat voor enig effect van een psychologische behandeling. De rechtbank onderschrijft daarom in zoverre de medische grondslag van het bestreden besluit.

7.1

Bij brief van 10 augustus 2017 heeft eiseres, met verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank van 4 mei 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:5976, aangevoerd dat verweerder de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie van eiseres enkel heeft gebaseerd op criterium d van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit en dat de criteria a tot en met c niet of in ieder geval in onvoldoende mate zijn betrokken in de beoordeling van het arbeidsvermogen bij eiseres. Deze beroepsgrond slaagt. In de uitspraak van 4 mei 2017 heeft de rechtbank geoordeeld dat, indien komt vast te staan dat het ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie op grond van één criterium niet duurzaam is, dat niet wegneemt dat zich de situatie van de andere criteria van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit kan voordoen en dat op één van die andere criteria zou kunnen worden aangenomen dat het arbeidsvermogen (duurzaam) afwezig is. Er hoeft immers maar aan één van de vier criteria van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit te worden voldaan voor afwezigheid van arbeidsvermogen.

7.2

Binnen dit toetsingskader stelt de rechtbank vast dat de verzekeringsarts b&b in zijn medische rapportage in bezwaar van 13 juli 2016 en die in beroep van 11 juli 2017 weliswaar -terloops- melding maakt van één van de criteria a, b en c van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit of van een combinatie daarvan, maar dat niet blijkt van een concrete en expliciete beoordeling, ook niet in de primaire fase, van de onderscheidenlijke criteria, al of niet in samenspraak met de arbeidsdeskundige b&b. Zulks is ook van de zijde van verweerder ter zitting van 24 augustus 2017 erkend. Dat leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd en daarmee heeft gehandeld in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

8. De rechtbank ziet hierin aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid te stellen het hiervoor onder 7.2 geconstateerde gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. In de aanvullende motivering zal aan de hand van de criteria van artikel 1a, eerste lid, onder a tot en met c, van het Schattingsbesluit tot uitdrukking moeten worden gebracht of en, zo ja, waarom eiseres vanuit medisch en/of arbeidskundig oogpunt beschikt over arbeidsvermogen. Voor zover verweerder tot de conclusie komt dat eiseres (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt of (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, dient verweerder gemotiveerd aan te geven op welk criterium wel of geen ontwikkeling valt te verwachten. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

9. Verweerder dient op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na verzending van deze uitspraak, te laten weten of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Indien verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres op grond van artikel 8:51b, derde lid, van de Awb de gelegenheid geven te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

10. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L. Frenkel, voorzitter, en mr. L. Koper en mr. F.X. Cozijn, leden, in aanwezigheid van F.P. Krijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.