Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12183

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-10-2017
Datum publicatie
10-11-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1613
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De omstandigheden van het geval waren zodanig dat sprake was van oorlogsnabootsende omstandigheden, zodat het ongeval als dienstongeval moet worden aangemerkt. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/1613

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. H.J.M.G.M. van der Meijden),

en

de minister van Defensie, verweerder,

(gemachtigde: mr. H.A.L. Knoben).

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het ongeval van eiseres op [datum] 2013 aangemerkt als een bedrijfsongeval.

Bij besluit van 26 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2017.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Eiseres was ten tijde van het ongeval op [datum] 2013 aangesteld als wachtmeester der eerste klasse bij de Koninklijke Marechaussee. Eiseres is gewond geraakt tijdens de opleiding ‘Helikopter Fast-Rope’. De opleiding is onderdeel van de leergang ‘Algemeen Opsporingsambtenaar medewerker Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten’. Fastropen is een alternatieve helikopter in- en uitstijgmethode die door eenheden van alle krijgsmachtsdelen wordt gebruikt. Via een touw moet een helikopter worden verlaten, waarbij de handen, voorzien van handschoenen, en voeten als rem worden gebruikt. Vlakbij de grond moeten de voeten van het touw worden gehaald om de snelheid bij de landing op te vangen. Tijdens het praktijkgedeelte van de opleiding werd geoefend vanaf een speciaal hiervoor gebouwde installatie, de gantry. Nadat eiseres een aantal afdalingen had uitgevoerd, voerde zij een afdaling met volle uitrusting (gevechtstenue, helm, wapen, opsvest) uit vanaf 10 meter met een noodstop. Bij het uitvoeren van de noodstop lukte het eiseres niet om geheel tot stilstand te komen en de schippersslag aan te leggen. Eiseres gleed door en probeerde op lagere hoogte opnieuw de schippersslag aan te leggen, terwijl zij nog daalde. Vervolgens landde eiseres op de grond met haar voet/enkel opzij, als gevolg waarvan eiseres een open enkelfractuur opliep.

1.2

Ter zake van de gebeurtenis op [datum] 2013 is een proces-verbaal van ongeval opgemaakt. Tevens heeft een onderzoekscommissie een onderzoeksrapport met nummer [cijferreeks] opgesteld.

2 Verweerder handhaaft in het bestreden besluit de beslissing om het ongeval, dat op [datum] 2013 plaatsvond, aan te merken als bedrijfsongeval.

3 Eiseres stelt primair dat het ongeval als dienstongeval moet worden aangemerkt, omdat sprake was van oorlogsnabootsende omstandigheden. Eiseres voert aan dat fastropen geen basisvaardigheid is als bedoeld in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 december 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BG9497). Volgens eiseres is fastropen per definitie een gevaarzettende aangelegenheid waarbij wordt afgeweken van normale omstandigheden. De specifieke sprong vond ongezekerd plaats met volledige uitrusting na een dag fysieke inspanningen. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom er geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Eiseres beroept zich hierbij voorts op het gelijkheidsbeginsel en/of het beginsel van verbod van willekeur. In een vergelijkbaar geval heeft verweerder het ongeval wel als dienstongeval aangemerkt. Eiseres stelt dat de constatering van verweerder dat er geen andere ongevallen met fastropen bekend zijn, onjuist is. Zij verwijst naar soortgelijke ongevallen en het onderzoeksrapport waaruit blijkt dat er in ieder geval een ander ongeval in de gantry heeft plaatsgevonden waarvan bij de gemachtigde bekend is dat het ongeval is aangemerkt als dienstongeval. In dit verband wenst eiseres het beleid van verweerder ten aanzien van het al dan niet aanmerken als een dienstongeval in dit soort zaken in de procedure te betrekken. Subsidiair stelt eiseres dat sprake is van een zodanig onredelijke uitkomst dat verweerder met toepassing van de hardheidsclausule het ongeval als dienstongeval had moeten aanmerken. De oefening werd ongezekerd uitgevoerd, hetgeen in strijd is met de regeling ‘Rotsklimmen/werken op hoogte/werken op en met touwen KL VS 2-1100’, er was geen personeel en materieel om de gevolgen van de val te beperken en er is geen risico identificatie en analyse (RI&A) uitgevoerd. Meer subsidiair stelt eiseres dat de oefening een gevaarzettende situatie was en onderdeel vormde van haar toekomstige inzet, waaraan zij zich niet kon onttrekken, zodat sprake is van een beroepsincident en in die zin van een dienstongeval.

4.1

In artikel 7 van het Besluit Aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (Besluit AO/IV) wordt, kort gezegd, bij ontslag een aanspraak op een militair invaliditeitspensioen toegekend aan de militair bij wie een invaliditeit met dienstverband is vastgesteld.

4.2

Onder invaliditeit met dienstverband wordt ingevolge artikel 2, derde lid van het Besluit AO/IV, voor zover hier van belang, verstaan een invaliditeit die het gevolg is van de uitoefening van de militaire dienst in geval van buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden.

Ingevolge het zesde lid, aanhef en onder a, van dit artikel wordt tot de buitengewone omstandigheden mede gerekend:

a. het onder oorlogsnabootsende omstandigheden in praktijk brengen van theoretisch onderwezen bekwaamheden, teneinde aldus de bedrevenheid in het uitvoeren van oorlogstaken te verwerven, op te voeren of te onderhouden, voor zover sprake is van een verhoogd risico;

b. gevaarzettende situaties die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van zijn taak waaraan de militair zich vanwege zijn specifieke functie niet kan onttrekken;

een en ander voor zover de gebruikelijke veiligheidsmaatregelen ter bescherming van de gezondheid geheel of gedeeltelijk door de Commandant Zeestrijdkrachten, de Commandant Landstrijdkrachten, de Commandant Luchtstrijdkrachten of de Commandant Koninklijke Marechaussee buiten werking zijn gesteld.

5.1

Tussen partijen is in geschil of het ongeval van eiseres op [datum] 2013 als bedrijfsongeval of als dienstongeval moet worden aangemerkt, meer specifiek of daarbij sprake was van omstandigheden, als bedoeld in artikel 2, zesde lid aanhef en onder a, dan wel situaties als bedoeld in artikel 2, zesde lid, aanhef en sub b, van het Besluit AO/IV.

5.2

De rechtbank overweegt allereerst dat geen sprake is van een gevaarzettende situatie waaraan eiseres zich niet kon onttrekken als bedoeld in artikel 2, zesde lid, aanhef en onder b van het Besluit AO/IV. Zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting (Staatsblad 2014, 251) gaat het dan om gevallen waarin zij door haar werkzaamheden een verhoogd risico loopt, terwijl er evenwel geen sprake is van buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden. Het gaat dan om incidenten tijdens de reguliere vredesbedrijfsvoering waarbij sprake is van een zeker risico dat onlosmakelijk is verbonden aan de uitoefening van de functie, maar waarbij geen direct verband is met de bijzondere taken van de krijgsmacht of de voorbereiding (oefenen) op de uitoefening van deze taken. De rechtbank is van oordeel dat daar in dit geval geen sprake van was, omdat het ongeval van eiseres heeft plaatsgevonden tijdens een opleiding en niet tijdens de normale uitoefening van haar werkzaamheden als militair.

5.3

In de uitspraak van 29 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:219) heeft de CRvB overwogen dat ter beantwoording van de vraag of sprake is van oorlogsnabootsende omstandigheden, het volgende van belang is. Normaal onderdeel van het uitoefenen van de militaire dienst door een beroepsmilitair is het oefenen van de uitvoering van de oorlogstaak, waarvoor hij is bestemd. Blijkens de systematiek van artikel 2 van het Besluit AO/IV geschiedt dit in beginsel onder normale omstandigheden, waarbij alle gebruikelijke maatregelen ter voorkoming van ongevallen worden getroffen. Daarnaast is het mogelijk dat een oorlogstaak wordt geoefend onder buitengewone omstandigheden. De oefening van de desbetreffende oorlogstaak wordt dan gedaan onder nabootsing van bijzondere omstandigheden, zoals die zich bij daadwerkelijk operationeel optreden in een oorlogssituatie kunnen voordoen en waarbij deze bijzondere omstandigheden een verhoogd risico op verwonding of letsel met zich meebrengen. In het algemeen zal dit verhoogde risico aanwezig zijn wanneer, juist om de oorlogssituatie realistisch na te bootsen, niet alle normaal gebruikelijke veiligheidsmaatregelen (kunnen) worden gehandhaafd.

5.4

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van oefenen onder oorlogsnabootsende omstandigheden onder verhoogd risico. Zoals de CRvB in de uitspraak van 8 december 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BG9497) heeft overwogen kunnen ook algemene militaire basisvaardigheden worden getraind onder oorlogsnabootsende omstandigheden. In de opleidingssyllabus is de initiële opleiding ‘Helikopter Fast-Rope’ beschreven en zijn de eisen waaraan eiseres als operator moest voldoen opgenomen. Door de onderzoekscommissie, die het ongeval heeft onderzocht, is geconstateerd dat de opleidingssyllabus voorziet in de mogelijkheid dat de instructeur naar eigen inzicht extra, niet-beschreven oefeningen inlast in het programma. Het ongeval vond plaats toen eiseres bij de afdaling van 10 meter een noodstop moest maken met volle uitrusting. Die oefening is niet opgenomen als eis in de opleidingssyllabus. Zoals ook blijkt uit het onderzoeksrapport werd die oefening uitgevoerd op initiatief van de instructeur, kennelijk met als doel om oorlogsnabootsende omstandigheden in de praktijk te brengen. Deze aanname wordt bevestigd door de volgende uiterlijke omstandigheden. Allereerst vond de afdaaloefening plaats met volle, met oorlogsbepakking vergelijkbare, bepakking, van 10 meter hoogte, vergelijkbaar met de uitstijghoogte bij daadwerkelijk helikopteroptreden. Voorts vond de oefening ongezekerd plaats, noch waren er andere beschermende middelen. De (judo)matten onderaan het touw kunnen niet als zodanig worden aangemerkt, mede vanwege de (latere) eis van de inspecteur van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), die opdroeg dat deze door veel dikkere matten vervangen moesten worden. Het maken van een noodstop tijdens de afdaling is geen normale procedure, maar vindt enkel plaats indien blijkt dat de beoogde afdaling door bijzondere omstandigheden van operationele aard of vanwege het terrein moet worden afgebroken of onderbroken. De oefening was kennelijk de laatste oefening na een dag lang (beoefenen van) afdalen. De vermoeidheid van eiseres was een belangrijke factor. Onder daadwerkelijke oorlogsomstandigheden is vermoeidheid ook vaak een belangrijke factor, maar wordt van de militair verwacht dat hij/zij de beoefende handelingen nog steeds adequaat kan uitvoeren. De rol van beide instructeurs tijdens het incident geeft er tenslotte geen blijk van dat het uitsluitend om het (nogmaals) beoefenen van een basisvaardigheid ging. Instructeur 2 stond boven aan de gantry en gaf aan wanneer eiseres kon afdalen. Instructeur 1 stond onder aan de gantry en gaf een signaal wanneer eiseres de noodstop moest uitvoeren. Dit heeft eiseres ter zitting verklaard en komt overeen met de verklaring van instructeur 1. Door beide instructeurs werd tijdens de uitvoering van de oefening niet meer dan dat gedaan. Uit de verklaring van instructeur 1 blijkt dat – toen de oefening bij eiseres mis dreigde te gaan – hij op geen enkele wijze heeft ingegrepen om de val te voorkomen, bijvoorbeeld door eiseres op te vangen of te roepen dat zij haar benen van het touw moest halen. Gelet op vorenstaande omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van oorlogsnabootsende omstandigheden onder verhoogd risico op grond waarvan het ongeval als dienstongeval moet worden aangemerkt.

5.5

Omdat de rechtbank het ongeval van eiseres als dienstongeval aanmerkt, komt de rechtbank niet meer toe aan het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank laat daarom onbesproken of in die gevallen sprake was van een dienstongeval en of eiseres al dan niet met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep op het gelijkheidsbeginsel had kunnen onderbouwen met concrete gegevens.

6 De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen en het ongeval van eiseres, dat op [datum] 2013 plaatsvond, aan te merken als een dienstongeval.

7 Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

8 De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1980,- (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 26 januari 2017;

- herroept het primaire besluit van 18 februari 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1980,- te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.G.J. Dop, voorzitter, mr.drs. L.B.M. Klein Tank, rechter en commodore (tit.) mr. P.T. Heblij, militair lid, in aanwezigheid van mr. B.J. Dekker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.