Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12181

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-10-2017
Datum publicatie
10-11-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 7416 en 16_8923
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bezwaar niet-ontvankelijk, bestreden besluit op andere gronden niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 16/7416

SGR 16/8923

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser 1], te [plaats], eiser 1,

[eiser 2] , te [plaats], eiser 2, tezamen eisers,

(gemachtigde: mr. J.W.C. van Kleef),

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, verweerder,

(gemachtigde: mr. L.J. Wildeboer, mr. E.P. Khandekar en mr. W. Nieuwenhuizen).

Procesverloop

Bij besluiten van 13 november 2015 en 12 januari 2016 heeft verweerder de aanspraken van eisers op wachtgeld en weder indienstneming afgewezen.

Bij besluit van 2 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2017.

Eisers en hun gemachtigde waren daarbij aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2017.

Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De beroepen van eisers zijn op 21 september 2017 gelijktijdig behandeld met het beroep van het bestuur van [stichting X], geregistreerd onder procedurenummer SGR 17/2394.

Overwegingen

1 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

In 2000 heeft verweerder besloten dat de exploitatie en beheer van de binnen- en buitenaccommodaties in Alphen aan den Rijn wordt geprivatiseerd en wordt belegd bij de [stichting X]. Eisers zijn de bestuurders van de [stichting X].

1.2

Voor de overgang is een Sociaal Plan Sport en Recreatie Alphen aan den Rijn (hierna: Sociaal Plan) opgesteld, ondertekend door verweerder, de [stichting X] en de vakorganisaties ABVAKABO FNV/NOVON en CFO CNV-Bond. Daarin is onder meer geregeld onder welke arbeidsvoorwaarden de betrokken medewerkers per 1 juli 2001 van de gemeente Alphen aan de Rijn zijn overgegaan naar de [stichting X].

1.3

Per 1 januari 2016 heeft verweerder de subsidierelatie met de [stichting X] beëindigd, nadat verweerder in 2015 een nieuwe tender had uitgeschreven voor de subsidietoekenning. Vanwege die beslissing zijn eisers en verweerder sinds 2015 met elkaar in gesprek over de weder indienstneming van medewerkers van de [stichting X] door verweerder en de aanspraak op wachtgeld van die medewerkers op grond van het Sociaal Plan.

1.4

Bij brief van 4 november 2015 heeft de gemachtigde van eisers namens negen medewerkers van de [stichting X], onder wie eisers, aan verweerder gevraagd hoe verweerder het wachtgeld van die medewerkers gaat regelen en voornemens is vorm te geven.

1.5

Verweerder heeft hierop gereageerd op 13 november 2015 en 1 december 2015. Verweerder heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat de aanspraak op wachtgeld is geëxpireerd en dat de [stichting X] zelf een verantwoordelijkheid heeft voor het laten afvloeien van haar medewerkers.

1.6

Bij brieven van 9 december 2015 en 21 december 2015 heeft de gemachtigde van eisers namens enkele medewerkers van de [stichting X] nogmaals gemotiveerd waarom zij aanspraak hebben op wachtgeld. Ook heeft de gemachtigde aangegeven dat de overgebleven medewerkers bij de gemeente Alphen aan den Rijn geplaatst kunnen worden.

1.7

Verweerder heeft hierop gereageerd op 12 januari 2016. In de reactie staat onder meer dat het standpunt zoals verwoord op 13 november 2015 onverkort geldt.

1.8

Bij brief van 14 januari 2016 heeft de gemachtigde namens enkele medewerkers van de [stichting X] aangegeven dat de brief van 12 januari 2016 in goede orde is ontvangen en dat betrokkenen verder de formele weg volgen om hun rechten veilig te stellen.

1.9

Bij brief van 4 maart 2016 heeft de gemachtigde namens eisers gesteld dat de brieven van verweerder van 13 november 2015 en 12 januari 2016 niet als besluiten zijn te kwalificeren, ook omdat die brieven geen bezwaarclausule bevatten. Volgens eisers is er daarom niet formeel op de verzoeken van eisers beslist. Verder is opgemerkt dat indien verweerder persisteert in zijn standpunt dat al besloten is, dat eisers dan met de brief van 4 maart 2016 bezwaar maken tegen de brieven van verweerder van 13 november 2015 en 12 januari 2016.

2 In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij zich op het standpunt heeft gesteld dat de brieven van 13 november 2015 en 12 januari 2016 geen besluiten zijn. Volgens verweerder is het Sociaal Plan geëxpireerd, zodat een publiekrechtelijke grondslag ontbreekt en er daarom geen sprake is van een publiekrechtelijke rechtshandeling.

3 Eisers hebben – kort gezegd – gesteld dat zij recht hebben op wachtgeld op grond van het Sociaal Plan en op weder indienstneming. Volgens eisers heeft verweerder nog niet op hun aanvragen beslist.

4 De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1

Tussen partijen is in geschil of de brieven van verweerder van 13 november 2015 en 12 januari 2016 als besluiten zijn aan te merken.

De rechtbank is van oordeel dat uit de inhoud van de brieven 13 november 2015 en 12 januari 2016 blijkt dat verweerder de aanspraken van eisers op wachtgeld en weder indienstneming afwijst. Die brieven van verweerder dienen daarom te worden gezien als besluiten op de aanvragen van eisers. Zoals eisers in de brief van 14 januari 2016 hebben aangegeven zouden zij verder de formele weg volgen om hun rechten veilig te stellen. Hiermee hebben eisers zelf de besluitvorming in het bestuursrechtelijke kader gezet. Zo eisers al in de veronderstelling waren dat verweerder nog niet op hun aanvragen had beslist, hadden zij hiervoor de geëigende rechtsmiddelen kunnen aanwenden door een beroep niet tijdig beslissen in te dienen. Nu eisers dit hebben nagelaten, kunnen zij niet achteraf stellen dat verweerder nog niet op hun aanvragen heeft beslist.

4.2

De vraag is vervolgens of eisers tijdig bezwaar hebben gemaakt tegen de besluiten van 13 november 2015 en 12 januari 2016. De termijn voor het indienen van bezwaar is van openbare orde, hetgeen inhoudt dat de rechtbank ambtshalve dient te beoordelen of een bezwaarschrift tijdig is ingediend.

4.3

Vaststaat dat eisers de brieven van verweerder van 13 november 2015 en 12 januari 2016 hebben ontvangen. Uitgaande van de brief van 12 januari 2016 is de bezwaartermijn op grond van de artikelen 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aangevangen op 13 januari 2016 en geëindigd op 24 februari 2016. Het bezwaarschrift van eisers dateert van 4 maart 2016 en is derhalve niet tijdig ingediend.

4.4

Eisers hebben aangevoerd dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, omdat een rechtsmiddelenclausule ontbreekt en zij het besluitkarakter van de brieven van verweerder betwisten.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX6500) dient te worden afgeleid dat het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule in beginsel tot een verschoonbare termijnoverschrijding leidt, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat belanghebbende wist dat hij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken dan wel beroep of hoger beroep moest instellen. Van bekendheid met deze termijn kan worden uitgegaan indien de belanghebbende voor afloop van de termijn door een professionele rechtsbijstandverlener werd bijgestaan. Voor het aannemen van verschoonbaarheid kan evenwel, ook indien de belanghebbende bijstand heeft van een professionele rechtsbijstandverlener, aanleiding bestaan indien gerede twijfel mogelijk is omtrent het besluitkarakter van het door het bestuursorgaan aan die belanghebbende toegezonden stuk (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011: BT2131).

In de brieven van 13 november 2015 en 12 januari 2016 ontbreekt een rechtsmiddelenclausule. Eisers werden toen al bijgestaan door hun gemachtigde, zodat het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule niet leidt tot een verschoonbare termijnoverschrijding.

Hoewel eisers het besluitkarakter van de brieven van 13 november 2015 en 12 januari 2016 betwisten, heeft de gemachtigde van eisers met de brief van 14 januari 2016 bevestigd dat de formele weg zou worden bewandeld. De gemachtigde had daarom als professioneel rechtsbijstandverlener tijdig die weg dienen te bewandelen, ook als het besluitkarakter onduidelijk was. Mede gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 4.1 is overwogen is de rechtbank daarom van oordeel dat in dit geval de gestelde twijfel over het besluitkarakter niet maakt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

4.5

De conclusie van het voorgaande is dat eisers te laat bezwaar hebben gemaakt en dat er geen sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. Het bezwaar van eisers is daarom niet-ontvankelijk. Tot die conclusie is verweerder in het bestreden besluit ook gekomen, echter op andere gronden. Met verbetering van de gronden waarop het bestreden besluit berust, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk heeft verklaard.

5 Het beroep is daarom ongegrond.

6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.G.J. Dop, voorzitter, en mr. drs. L.B.M. Klein Tank en mr. T.J. Sleeswijk Visser - de Boer, leden, in aanwezigheid van mr. B.J. Dekker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.