Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12172

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-10-2017
Datum publicatie
10-11-2017
Zaaknummer
NL17.9977
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Dublin, Duitsland, Eurodac treffer en Duits vluchteligenpaspoort, interstatelijk vertrouwensbeginsel, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.9977

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

24 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M.R. van der Pol),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Mol).

Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2017. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1996 en bezit de Eritrese nationaliteit. Op 19 september 2017 heeft eiser de onderliggende asielaanvraag ingediend.

3. Verweerder heeft de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat op grond van een Eurodacresultaat en het door eiser overgelegde document, te weten een vluchtelingenpaspoort van Duitsland, is vastgesteld dat eiser in Duitsland internationale bescherming geniet sinds 11 februari 2016 tot 16 december 2018.

4. Gelet hierop overweegt de rechtbank dat verweerder zich reeds om die reden op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser een zodanige band heeft met Duitsland dat van hem kan worden verwacht dat hij naar dat land terugkeert. Hierbij overweegt de rechtbank dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Duitsland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan. Eiser is hierin niet geslaagd. Hij heeft immers geen documenten overgelegd die aantonen en onderbouwen dat hij zich tot de Duitse autoriteiten heeft gewend voor de door hem gestelde ondervonden problemen. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij de hulp van de Duitse autoriteiten niet kon inroepen tegen de gestelde aanvallen van anderen. Derhalve heeft eiser niet aangetoond dat de Duitse autoriteiten geen bescherming kunnen bieden in het geval eiser deze bescherming inroept. Ook voor zover eiser stelt dat de Duitse autoriteiten geen adequate woonvoorziening voor hem kunnen regelen, overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat eiser zich niet tot de desbetreffende autoriteiten kan wenden om zijn beklag te doen.

5. Verweerder heeft zich daarom met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt mogen stellen dat ervan kan worden uitgegaan dat de Bondsrepubliek Duitsland de verplichtingen, zoals zijn vastgelegd in het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) en het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, niet zal schenden.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier, op 24 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.