Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12109

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-10-2017
Datum publicatie
01-11-2017
Zaaknummer
C/09/539625 / JE RK 17-1875
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd & Bopz

Zaaksgegevens: C/09/539625 / JE RK 17-1875

Datum uitspraak: 9 oktober 2017

Beschikking van de kinderrechter

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp

in de zaak naar aanleiding van het op 14 september 2017 ingekomen verzoekschrift van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (hierna te noemen: de Raad),

betreffende:

- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] ,

advocaat: mr. M.P. Friperson te Den Haag.

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. G. van der Steen te Den Haag.

Het procesverloop

Bij beschikking d.d. 15 september 2017 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van 16 september 2017 tot 15 oktober 2017 alsmede voor dezelfde duur een machtiging verleend om [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te doen opnemen en te doen verblijven. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden tot deze zitting.

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook:

- voornoemde beschikking d.d. 15 september 2017;

- het verweerschrift van de zijde van de moeder.

Op 9 oktober 2017 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij zijn verschenen:

- [mevrouw A] namens de Raad;

- [mevrouw B] namens de gecertificeerde instelling;

- de moeder, bijgestaan door mr. G. van der Steen;

- [minderjarige] , bijgestaan door zijn advocaat mr. M.P. Friperson.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt, na aanhouding, tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de periode van elf maanden en tot machtiging [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de periode van acht maanden. Het verzoek is gegrond op het volgende. Er is sprake van een verstoorde relatie tussen [minderjarige] en moeder, [minderjarige] heeft chronische PTSS, [minderjarige] is zelfbepalend, de ouders van [minderjarige] verkeren in strijd en de moeder van [minderjarige] is wisselend bereid, maar onvoldoende in staat om de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren. [minderjarige] laat vooruitgang zien en Hand in Hand, waar hij op dit moment verblijft, biedt de structuur en duidelijkheid die [minderjarige] momenteel nodig heeft. Gelet op de ernst van de problematiek van [minderjarige] en de behandelprognose van Hand in Hand is een periode van negen maanden verzocht, waarvan sinds de vorige zitting inmiddels al een maand is verstreken.

Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen de ondertoezichtstelling. Een ondertoezichtstelling heeft geen meerwaarde, aangezien de moeder meewerkt met alle hulpverlening en dit dus in het vrijwillig kader kan blijven plaatsvinden. Bovendien verloopt het contact met de jeugdbeschermer niet goed en de bemoeienissen van het CJG en de gecertificeerde instelling hebben juist averechts gewerkt. De moeder heeft wel goed contact met Rijnhove en hecht daar meer waarde aan.

De moeder stemt wel in met een machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van negen maanden, omdat dit in het belang is van [minderjarige] . De moeder hoopt dat [minderjarige] dat de komende maanden bij Hand in Hand de behandeling krijgt die hij nodig heeft. Verder is naar voren gebracht dat de moeder de rol van vader in het leven van [minderjarige] lastig vindt, omdat de vader de verwachtingen die hij schept niet waarmaakt en hij onwaarheden verkondigt. Waar [minderjarige] na Hand in Hand zal gaan wonen laat de moeder over aan de ontwikkeling van [minderjarige] in de komende periode en de adviezen van de hulpverlening. Tot slot is aangegeven dat het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming een aantal onjuistheden bevat.

Door en namens [minderjarige] is verweer gevoerd tegen de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp. Verzocht wordt om de periode te bekorten tot (nu nog) vier maanden, waarbij het verzoek eventueel voor het overige kan worden aangehouden. [minderjarige] is pas dertien jaar oud en functioneert op een lager niveau. De maatregel is daardoor erg ingrijpend voor hem. Het traject van Hand in Hand is in principe 6 maanden, met de mogelijkheid van verlenging met drie maanden. Dat om een uithuisplaatsing van negen maanden is verzocht, gaat in tegen het noodzakelijkheidsvereiste. Bovendien is een langere duur ook niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] heeft wel voor een langere duur behandeling nodig, maar dat kan ook doorlopen wanneer hij na Hand in Hand weer thuis bij de moeder, bij de vader of bijvoorbeeld op een open plek woont.

[minderjarige] stemt wel in met een ondertoezichtstelling. Er dienen nog enkele dingen te verbeteren, waaronder het contact tussen [minderjarige] en zijn ouders. Het is positief dat het contact tussen [minderjarige] en zijn moeder is hersteld, maar dat is nog wel broos. Hierbij kan de jeugdbeschermer als onafhankelijke derde een belangrijke rol spelen.

Beoordeling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn en dat het noodzakelijk is de ondertoezichtstelling te verlenen als verzocht. De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] bestaan uit een verstoorde relatie tussen hem en zijn moeder, zijn chronische PTSS, zelfbepalend zijn, ouders die in strijd verkeren en een moeder die wisselend bereid is, maar onvoldoende in staat is de nodige hulpverlening te accepteren. Een jeugdbeschermer kan als onafhankelijke derde de hulpverlening en het contactherstel met de ouders coördineren en hiermee wordt het risico beperkt dat de hulpverlening niet wordt voortgezet.

De kinderrechter is daarnaast, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [minderjarige] zich aan de jeugdhulp die hij nodig heeft onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. Daarbij overweegt de kinderrechter dat [minderjarige] vooruitgang laat zien en dat Hand in Hand de structuur en duidelijkheid biedt die [minderjarige] momenteel nodig heeft. Het is van belang dat dit traject de komende maanden wordt voortgezet en afgerond. Gelet op de problematiek van [minderjarige] , het feit dat er op dit moment nog moet worden gestart met de behandeling bij Hand in Hand en nog onduidelijk is waar het perspectief van [minderjarige] ligt, ziet de kinderrechter geen aanleiding om het verzoek toe te wijzen voor een kortere duur dan verzocht.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

stelt [minderjarige] van 15 oktober 2017 tot 15 september 2018 onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, en verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

en

verleent een machtiging [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp zoals bedoeld in artikel 6.1.2, eerste lid, van de Jeugdwet, van 15 oktober 2017 tot 15 juni 2018.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.B. Wijnholt, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Westerhof als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2017.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.