Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12075

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-10-2017
Datum publicatie
10-11-2017
Zaaknummer
NL17.9202
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, homoseksualiteit, beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.9202


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. W.M. Blaauw),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovács).

Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet‑ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2017.

Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1988 en is burger van Georgië.

2. Bij besluit van 24 november 2016 heeft verweerder een eerdere asielaanvraag van eiser als ongegrond afgewezen op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw). Eiser heeft hiertegen geen rechtsmiddelen ingesteld.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de opvolgende aanvraag van eiser niet‑ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiser heeft verklaard dat niets is gewijzigd in zijn situatie ten opzichte van zijn vorige asielprocedure. Er is niet gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden. Verweerder heeft in het besluit derhalve geconcludeerd dat eiser op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat zijn homoseksuele geaardheid thans wel vaststaat, zodat het in rechte vaststaande oordeel dat zijn homoseksuele geaardheid ongeloofwaardig is nog altijd blijft gelden, aldus verweerder.

4. Eiser betoogt dat uit het rapport Gehoor opvolgende aanvraag van 22 augustus 2017 blijkt dat verweerder er wel degelijk vanuit gaat dat de homoseksualiteit van eiser thans wel vaststaat. Dit blijkt uit de tijdens het gehoor gestelde vragen, maar ook uit de wijze waarop tijdens het gehoor is benaderd en uit de gehele strekking en sfeer van het rapport, aldus eiser.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en daarom behoorden te worden aangevoerd en bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en daarom behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich toch geen feiten of omstandigheden voor die een (hernieuwde) toetsing rechtvaardigen, als op voorhand is uitgesloten dat wat alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen. Verwezen wordt bij wijze van voorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3594). Het is aan eiser om dergelijke nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aan te voeren.

5.2

Verweerder heeft ter zitting te kennen gegeven dat in de vorige asielprocedure de gestelde homoseksuele geaardheid van eiser niet ongeloofwaardig is geacht en dat verweerder geen aanleiding ziet daarover thans tot een ander oordeel te komen. De asielaanvraag van eiser is in die procedure echter afgewezen omdat niet is gebleken dat eiser niet zou kunnen terugkeren naar Georgië en daar bij de autoriteiten geen bescherming zou kunnen inroepen.

In het voornemen van 4 september 2017 heeft verweerder erop gewezen dat eiser tijdens zijn gehoor opvolgende aanvraag heeft verklaard dat er niets is gewijzigd in zijn situatie ten opzichte van zijn vorige asielprocedure en dat hij niets heeft toe te voegen ten aanzien van hetgeen hij destijds kenbaar heeft gemaakt. Eiser heeft verklaard alleen asiel te hebben aangevraagd om zijn uitzetting naar Georgië te voorkomen. Verweerder heeft zich derhalve in het bestreden besluit niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de homoseksuele geaardheid van eiser nog altijd ongeloofwaardig is. Verweerder heeft ter zitting echter te kennen gegeven ook thans nog steeds uit te gaan van de geloofwaardigheid van de gestelde homoseksualiteit. De rechtbank constateert dan ook dat verweerder een onjuiste motivering aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Eiser is hierdoor evenwel niet benadeeld, zodat de rechtbank aanleiding ziet dit motiveringsgebrek in het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Gelet op het in het bestreden besluit geconstateerde gebrek veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.