Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12070

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-10-2017
Datum publicatie
10-11-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3944
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

UWV heeft de tegemoetkoming op grond van de Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit werknemersverzekeringen vastgesteld. Verweerder erkent omissie in deze regeling.

Wetsverwijzingen
Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit werknemersverzekeringen 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2018/12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/3944

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: F.J. Latenstein).

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een tegemoetkoming op grond van de Werkloosheidswet (WW) ter hoogte van € 4.988,33 toegekend.

Bij besluit van 9 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2017.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar partner [persoon A]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres ontvangt sinds 3 augustus 2015 een uitkering op grond van de WW ter hoogte van een dagloon van € 64,38. Bij besluit van 24 januari 2017 heeft verweerder aan eiseres per 1 januari 2017 een nieuw dagloon ter hoogte van € 86,65 toegekend. Voorts heeft verweerder in dat besluit aangekondigd dat eiseres een eenmalige tegemoetkoming zal ontvangen en hierover nog een brief zal ontvangen.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder eiseres een tegemoetkoming op grond van de WW ter hoogte van € 4.988,33 toegekend. Verweerder heeft het bezwaar gericht tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de tegemoetkoming is gebaseerd op de Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Regeling). Verweerder is van mening dat de hoogte van de tegemoetkoming is vastgesteld conform deze regeling.

3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert hiertoe aan dat verweerder uitgaat van een onjuiste hoogte van het dagloon en van een onjuiste periode. Eiseres stelt dat verweerder dient uit te gaan van een dagloon van € 86,85. Voorts had verweerder moeten uitgaan van 17 maanden in plaats van 16 maanden.

4. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres recht heeft op een eenmalige tegemoetkoming op grond van de Regeling. In geschil is de hoogte van de eenmalige tegemoetkoming.

4.1.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling heeft recht op een eenmalige tegemoetkoming de werknemer:

a. die recht heeft of heeft gehad op een WW-uitkering dat is ontstaan op of na 1 juli 2015 en voor 1 december 2016 en die in de periode van een jaar die eindigt op de laatste dag van de tweede kalendermaand voorafgaande aan de kalendermaand waarin de eerste dag van werkloosheid is gelegen, geen loon heeft genoten in één of meer kalendermaanden;

b. wiens recht op een WW-uitkering zou zijn ontstaan op of na 1 juli 2015 en voor 1 december 2016 indien artikel 16, achtste lid, van de Werkloosheidswet, niet van toepassing zou zijn geweest en die in de periode van een jaar die eindigt op de laatste dag van de tweede kalendermaand voorafgaande aan de kalendermaand waarin de eerste dag van werkloosheid is gelegen, geen loon heeft genoten in één of meer kalendermaanden; of

c. die recht heeft of heeft gehad op een WW-uitkering dat is ontstaan op of na 1 juli 2015 en voor 1 december 2016, die de wachttijd, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, heeft doorlopen, die geen recht heeft gekregen op een WGA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en het ongemaximeerde herziene dagloon ten minste 2,5% hoger is dan het ongemaximeerde dagloon.

4.2.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres valt onder artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling. Dit betekent dat artikel 3 van de Regeling van toepassing is voor de wijze van berekening van de hoogte van de tegemoetkoming.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Regeling bedraagt de hoogte van de eenmalige tegemoetkoming voor de werknemer, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, de uitkomst van de volgende formule:

(DLH – DL) * ard * uk%

hierbij staat:

DLH voor het herziene dagloon;

DL voor het dagloon;

ard voor het aantal rechtdagen, dat wil zeggen het aantal dagen waarover recht heeft bestaan op een WW- of ZW-uitkering in de periode tussen 1 juli 2015 en 1 december 2016, waarbij het aantal rechtdagen 21,75 bedraagt indien over de volledige kalendermaand recht op een WW- of ZW-uitkering bestaat; en

uk% voor het uitkeringspercentage.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is het herziene dagloon, bedoeld in het eerste lid, de uitkomst van de volgende formule:

1,004 * [(A-B) * 108/100 + C] / D

hierbij staat

A voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers die vakantiebijslag reserveren;

B voor de bedragen aan vakantiebijslag die de werknemer in de referteperiode heeft genoten;

C voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers die geen vakantiebijslag reserveren; en

D voor het aantal dagloondagen in de kalendermaanden binnen de referteperiode waarin loon is genoten.

Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt onder de referteperiode, bedoeld in het tweede lid, verstaan de periode van een jaar die eindigt op de laatste dag van de tweede kalendermaand voorafgaand aan de kalendermaand waarin de eerste dag van werkloosheid is gelegen.

4.3.

In de toelichting van de Regeling (Staatscourant 2016, nr. 56189, p. 6) staat:

Om de uitvoering van de regeling eenvoudig te houden, wordt niet vermenigvuldigd met de (eventuele) indexeringen die daadwerkelijk op het dagloon hebben plaatsgevonden, maar met een gewogen gemiddelde van de indexeringen die op 1 juli 2015, 1 januari 2016 en 1 juli 2016 hebben plaatsgevonden (0,4%, 1,11% en respectievelijk 0,83%). Dit kan tot enige over- of onder compensatie leiden. (…) Hierbij wordt nog opgemerkt dat het aldus berekende herziene dagloon niet hoger kan zijn dan het maximumdagloon, zoals dat gold op 1 december 2016.

4.4.

Verweerder heeft eerst in het verweerschrift de berekening van het herziene dagloon als volgt toegelicht. In het geval van eiseres is A € 16.658,18, B € 1.161,15 en D 195,75. Dit leidt tot de volgende formule:

1.004 * [(€ 16.658,18 – €1.161,15) * 108/100 + 0,00] / 195,75 = € 85,84

Eiseres heeft ter zitting verklaard dat ze de in beroep gegeven toelichting begrijpt en kan volgen. De rechtbank stelt vast dat gelet hierop de hoogte van het herziene dagloon niet langer in geschil is.

5. Vervolgens is in geschil of verweerder is uitgegaan van een onjuiste periode.

5.1.

De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting hierover de volgende toelichting gegeven. Eiseres heeft over de periode augustus 2015 tot en met december 2016 recht. Dit betekent zeventien maanden met 21,75 rechtdagen. De Regeling gaat ten onrechte uit van de periode tot 1 december 2016. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in de Regeling sprake is van een omissie. Volgens verweerder is tot en met 31 december 2016 bedoeld en de Regeling wordt ook conform deze bedoeling uitgevoerd door verweerder. In het concrete geval van eiseres is daarom sprake van 17 maal 21,75 rechtdagen = 369,75 rechtdagen minus de rechtdagen waarop eiseres geen WW recht had in verband met teveel vakantiedagen. In de maanden oktober 2015, augustus 2016 en oktober 2016 heeft eiseres in totaal 21 dagen teveel vakantie genoten. Totaal zijn er over deze maanden met vakantie 45 rechtdagen (20 + 9 + 16) geweest. Over de overige veertien maanden, dit zijn de maanden waarin geen teveel aan vakantiedagen is genoten, bestaan 21,75 rechtdagen, in totaal dus 304,5 (14 * 21,75) rechtdagen. Dit betekent dat in het geval van eiseres sprake is van een totaal van 304,5 + 45 = 349,5 rechtdagen.

5.2.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder voor ‘ard’ in de onder 4.2. genoemde formule is uitgegaan van 43,5 rechtdagen voor de eerste twee maanden met een ‘uk%’ van 75% en 306 rechtdagen voor de resterende maanden met een ‘uk%’ van 70%. Dit leidt tot de volgende berekening:

(€ 85,84 – € 65,63) * 43,5 * 75% = € 659,35

(€ 85,84 – € 65,63) * 306 * 70% = € 4.328,98

Dit betekent volgens verweerder dat eiseres recht heeft op een tegemoetkoming van € 4.988,33 (= € 659,35 + € 4.328,98).

5.3.

Eiseres heeft ter zitting te kennen gegeven zich te kunnen verenigen met deze toelichting en berekening van verweerder. De rechtbank stelt hiermee vast dat de hoogte van de tegemoetkoming niet langer in geschil is.

6. Eiseres stelt zich voorts op het standpunt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Hieraan legt zij ten grondslag dat verweerder eerst ter zitting met een deugdelijke, inzichtelijke motivering komt. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verklaard dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd en heeft de rechtbank verzocht om het bestreden besluit te vernietigen met in stand lating van de rechtsgevolgen.

7. De rechtbank is met partijen van oordeel dat het bestreden besluit eerst in beroep is voorzien van een deugdelijke motivering. Dit brengt mee dat het besluit lijdt aan een motiveringsgebrek, waardoor het beroep gegrond verklaard moet worden en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Verweerder heeft in beroep het gebrek van het bestreden besluit gerepareerd door in beroep alsnog een deugdelijke motivering te geven. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

9. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. van Zeben-de Vries, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.M.E. Schulmer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
4 oktober 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.