Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12055

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
01-12-2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 8964
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2018:1192, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij een accijnscontrole zijn monsters genomen van de gasolie in de bunkertanks van een motortankschip. Na analyse van de monsters werd gerapporteerd dat de gasolie minder dan de wettelijk voorgeschreven hoeveelheid herkenningsmiddel bevatte. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder eiseres een naheffingsaanslag accijns opgelegd. In geschil is of dit terecht is.

De rechtbank oordeelt dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres moet worden aangemerkt als enig ander persoon die bij het voorhanden hebben van de desbetreffende gasolie betrokken was. Eiseres is daarom terecht aangemerkt als de belastingplichtige.

Verder oordeelt de rechtbank dat het voorhanden hebben van de desbetreffende gasolie moet worden aangemerkt als uitslag tot verbruik en verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat deze uitslag niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 66 van de Wet op de accijns voor de vrijstelling van accijns en dit artikel en de daarop gebaseerde regeling niet in strijd is met de Energierichtlijn. Met de door eiseres overgelegde bescheiden heeft zij de herkomst van de gasolie niet aangetoond en eiseres maakt ook niet aannemelijk dat de hoeveelheid gasolie waarover is nageheven onjuist is vastgesteld. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet op de accijns 66
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
DouaneUpdate 2017-0631
NTFR 2018/325 met annotatie van mr. B.A. Kalshoven
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 15/8964

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 augustus 2017 in de zaak tussen

[N.V. X] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.J. van Dam),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane [plaats] , verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres een naheffingsaanslag accijns opgelegd waarbij € 12.577 accijns minerale oliën en € 210 voorraadheffing is nageheven en € 160 belastingrente in rekening is gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 november 2015 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Voorafgaand aan de zitting hebben beide partijen nadere stukken ingediend. Die stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2017.

Namens eiseres is de gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon A] en [persoon B] .

Overwegingen

Feiten

1. Op 27 februari 2014, om omstreeks 11:15 uur, heeft een controleteam van verweerder een accijnscontrole (de controle) uitgevoerd aan boord van het onder Belgische vlag varende motortankschip “ [schip] ” (het schip). Op dat moment lag het schip afgemeerd in de [haven] te [plaats] .

2. Het schip heeft aan boord twee tanks voor dieselolie bestemd voor de voortstuwing van het schip (de bunkertanks). Tijdens de controle heeft het controleteam door middel van het aflezen van de peilglazen vastgesteld dat er in iedere bunkertank ongeveer 13.500 liter gasolie aanwezig was. Onder toezicht van het controleteam heeft de schipper, [schipper] (de schipper), uit elke bunkertank drie monsters genomen van elk ongeveer 0,25 liter. De monsters zijn door het controleteam verzegeld door middel van een perfraplombe met het nummer [nummer] . Het controleteam heeft vervolgens twee van de zes monsters, uit elke tank één, aan de schipper overhandigd.

Bij de controle was naast de schipper ook aanwezig [persoon C] , superintendent en personeelslid van eiseres.

3. Tijdens de controle heeft de schipper aan het controleteam een zogenoemde bunkerbon (de bunkerbon) overhandigd waaruit bleek dat op 19 februari 2014 bij bunkerstation [bunkerstation] te [plaats] (het bunkerstation) 5.000 liter diesel was ingenomen. Later heeft eiseres ook een factuur met factuurdatum 19 februari 2014 (de factuur) overgelegd afkomstig van bunkerstation [bunkerstation] waarop onder meer staat vermeld dat aan haar op 19 februari 2014 10.000 m3 Diesel ULS 110 (Excl. Accijns) is geleverd.

4. Verweerder heeft de monsters voor onderzoek naar het Douanelaboratorium in Amsterdam (het Lab) gestuurd. Bij brieven van 14 maart 2014 heeft het Lab aan verweerder de uitslagen van het onderzoek bekendgemaakt. In die brieven is onder meer vermeld dat de kleur van de gasolie rood was. Verder is vermeld dat het ene monster een Solvent Yellow 124 gehalte had van 1,6 gram per 1000 liter en het andere een Solvent Yellow 124 gehalte van 2,4 gram per 1000 liter. Verder heeft het Lab meegedeeld dat in een van de twee monsters ongeveer 5% water zat en dat voor beide monsters contramonsters beschikbaar blijven tot 14 maart 2015.

5. Op basis van de bij de controle opgedane bevindingen en de uitkomsten van het onderzoek door het Lab heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat sprake is van het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling zonder dat over dat goed accijns is betaald. . Daarom heeft verweerder aan eiseres de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. Verweerder is daarbij uitgegaan van een totale hoeveelheid gasolie van 26.325 (13.500 voor de ene bunkertank en 12.825 voor de andere bunkertank in verband met de in het desbetreffende monster aangetroffen hoeveelheid water).

Geschil
6.In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is en of eiseres daarbij terecht als de belastingplichtige is aangemerkt.

7. Eiseres stelt primair dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan haar is opgelegd omdat zij niet de belastingplichtige is. Subsidiair stelt zij dat ten onrechte wordt voorbijgegaan aan de herkomstbewijzen van de gasolie, dat het Solvent Yellow gehalte niet representatief is voor de aanwezige hoeveelheid gasolie, dat de monstername en de monsteranalyse gebrekkig waren en dat volledig wordt voldaan aan de bedoeling van de wet- en regelgeving betreffende de voortstuwingsbrandstof van binnenschepen. Verder stelt eiseres dat de nationale regelgeving, op grond waarvan in een geval als dit de vrijstelling wordt geweigerd, in strijd is met artikel 14 van de richtlijn 2003/96EG van de EU (Energierichtlijn) en met de Overeenkomst betreffende het douane- en belastingregime voor gasolie, die in de Rijnvaart als boordvoorraad wordt verbruikt (de Gasolieovereenkomst).

8. Verweerder stelt dat de naheffingsaanslag terecht en overeenkomstig de geldende wet- en regelgeving is opgelegd. Eiseres is de middellijk aandeelhouder van de vennootschap die eigenaar is van het schip en moet aldus worden beschouwd als enig andere persoon die bij het voorhanden hebben van de gasolie is betrokken als bedoeld in artikel 51 van de Wet. Met de bunkerbon en de factuur heeft eiseres de herkomst van de gasolie niet aangetoond. Voor de bruikbaarheid van de monsters verwijst verweerder naar het door het controleteam op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal (het PV) en de uitkomst van het onderzoek door het Lab.

9. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en tot vernietiging van de naheffingsaanslag.

10. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Wettelijke bepalingen

11. Artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de accijns (de Wet) bepaalt dat onder de naam accijns een belasting wordt geheven van minerale oliën. De accijns wordt verschuldigd ter zake van de uitslag tot verbruik van de minerale olie. Op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet wordt onder uitslag tot verbruik verstaan het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving.

12. Op grond van artikel 34, eerste en tweede lid, van de Uitvoeringsregeling accijns (de Uitvoeringsregeling), wordt van accijnsgoederen die worden vervoerd of voorhanden zijn, niet zijnde onder een accijnsschorsingsregeling, aan de hand van bescheiden de herkomst aangetoond. Een bescheid dat wordt gebruikt om de herkomst aan te tonen van accijnsgoederen die worden vervoerd mag niet ouder zijn dan zes dagen, tenzij wordt aangetoond dat het vervoer langer dan zes dagen geleden is aangevangen.

13. Als artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet toepassing vindt, wordt, op grond van artikel 51, eerste lid, onder b, van de Wet, de accijns geheven van de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft en enig andere persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is.

14. Op grond van artikel 66, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet wordt onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen vrijstelling van accijns verleend ter zake van de uitslag tot verbruik van minerale oliën die worden gebruikt voor de aandrijving van schepen of als scheepsbehoeften aan boord van schepen. De artikelen 19 en 20 van het Uitvoeringsbesluit accijns (het Uitvoeringsbesluit) geven voorwaarden en nadere regels ten behoeve van de wettelijke vrijstelling. In het tweede lid van artikel 20 is bepaald dat de vrijstelling uitsluitend wordt verleend indien de oliën zijn voorzien van herkenningsmiddelen als bedoeld in artikel 1a, derde lid, van de Wet.

15. Op grond van artikel 1a, derde lid, van de Wet kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat aan minerale oliën bij ministeriële regeling, onder daarbij te stellen voorwaarden, voorgeschreven herkenningsmiddelen worden toegevoegd. Als herkenningsmiddel wordt, blijkens artikel 13, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling, aan gasolie toegevoegd per 1000 liter, ten minste 6 gram en niet meer dan 9 gram, Solvent Yellow 124. Verder moet aan lichte gasolie mede voldoende kleursel worden toegevoegd om deze een goed zichtbare en blijvende rode kleur te geven.

16. Artikel 83 van de Wet biedt verweerder de mogelijkheid fysieke controle uit te oefenen op het nakomen van fiscale verplichtingen.

17. Op grond van artikel 84 van de Wet kan de inspecteur of een door hem aangewezen ambtenaar die het onderzoek verricht, vorderen dat van goederen één of meer monsters worden verstrekt. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent het nemen van monsters. Artikel 56 van de Uitvoeringsregeling schrijft voor dat een op grond van het hiervoor genoemde artikel gevorderd monster wordt genomen onder toezicht van de inspecteur of een door hem aangewezen ambtenaar, dat het monster zodanig wordt verpakt dat de identiteit van het monster is gewaarborgd en dat het monster wordt onderzocht in of in opdracht van het Laboratorium van de Belastingdienst met gebruikmaking van internationaal erkende onderzoeksmethoden.

18. Op grond van artikel 14, eerste en tweede lid, van de Uitvoeringsregeling wordt een hoeveelheid gasolie die is opgenomen bij een temperatuur die hoger of lager is dan 15°C op de aldaar voorgeschreven wijze herleid naar een hoeveelheid bij 15°C.

19. Artikel 14 van de Energierichtlijn luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1. Naast de algemene bepalingen van Richtlijn 92/12/EEG inzake vrijgesteld gebruik van belastbare producten, en onverminderd andere communautaire bepalingen, verlenen de lidstaten voor onderstaande producten vrijstelling van belasting, op voorwaarden die zij vaststellen met het doel een juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstelling te verzekeren en fraude, ontwijking of misbruik te voorkomen:

a. a) (…)

b) (…)

c) energieproducten die worden geleverd voor gebruik als brandstof voor de vaart op communautaire wateren (met inbegrip van visserij) en niet voor gebruik aan boord van particuliere pleziervaartuigen, en aan boord van een vaartuig opgewekte elektriciteit.

Beoordeling van de gronden van het beroep

20. Primair is in geschil of eiseres al dan niet terecht als belastingplichtige is aangemerkt. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt. De wetgever heeft naar aanleiding van de op 16 december 2008 uitgevaardigde Richtlijn 2008/118/EG, houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG, de Wet op de accijns dienovereenkomstig aangepast. De memorie van toelichting inzake de wijziging van de Wet op de accijns vermeldt, voor zover hier van belang:

“Overeenkomstig artikel 7, tweede lid, onderdeel b, Accijnsrichtlijn 2008 wordt in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet, het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven, aangemerkt als uitslag tot verbruik. De huidige Richtlijn 92/12/EEG kent deze bepaling niet. Zij is in de Accijnsrichtlijn 2008 opgenomen naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie EG in de zaak Van de Water (HvJ EG 5 april 2001, zaak C 325/99 (G. van de Water tegen Staatssecretaris van Financiën), Jur. 2001, blz. I 2729 (BNB 2001/204)).

Op grond van deze nieuwe bepaling kan accijns worden geheven van een persoon die accijnsgoederen voorhanden heeft buiten een accijnsschorsingsregeling, terwijl over die goederen geen accijns is geheven. Deze mogelijkheid tot heffen is van belang in situaties, waarin accijnsgoederen worden aangetroffen waarvoor geen accijns is voldaan, maar waarvan niet kan worden vastgesteld waar deze goederen zijn vervaardigd of wat de herkomst van deze goederen is. Het enkele voorhanden hebben van deze accijnsgoederen wordt door de Accijnsrichtlijn 2008 dus aangemerkt als een zelfstandig belastbaar feit. Het huidige artikel 2f van de wet voorziet voor deze situatie in een belastbaar feit. De toepassing van deze bepaling in de praktijk is zeer sterk ingeperkt door de jurisprudentie van de Hoge Raad, (zie B.A. van Brummelen: Van vangnet tot schepnetje, Weekblad voor Fiscaal Recht 2005/1092).
De in de jurisprudentie van de Hoge Raad ontwikkelde voorwaarden voor toepassing van artikel 2f, zoals de feitelijke beschikkingsmacht en het wetenschapsvereiste, zijn voor de toepassing van het nieuwe artikel 2, eerste lid, onderdeel b, niet meer van belang. Ter zake van het in deze bepaling bedoelde «voorhanden hebben» wijst de Accijnsrichtlijn 2008 (artikel 8, eerste lid, onderdeel b) als belastingplichtige aan «de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft of enig ander persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is». Dit betekent dat ook een persoon, die niet de feitelijke beschikkingsmacht over de accijnsgoederen heeft, maar wel betrokken is bij het voorhanden hebben van die goederen, als belastingplichtige kan worden aangemerkt. De Accijnsrichtlijn 2008 vereist voorts niet dat degene die accijnsgoederen voorhanden heeft wetenschap droeg of redelijkerwijs had moeten dragen van het feit dat de goederen niet conform de wettelijke bepalingen in de heffing zijn betrokken (wetenschapsvereiste). Dit vereiste wordt door de Accijnsrichtlijn 2008 alleen gesteld in geval van een onregelmatigheid tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling (artikel 8, eerste lid, onderdeel a, onder ii).

(…)

Op grond van artikel 51, eerste lid, onderdeel b, van de wet kan de accijns dus ook worden geheven van bij voorbeeld de handlangers van degene die de accijnsgoederen feitelijk voorhanden heeft of van het brein achter een fraude.”

(Tweede Kamer, vergaderjaar 2008-2009, nr. 32 031, nr. 3, p. 8 en 23)

21. Verweerder heeft aangevoerd dat eiseres middellijk aandeelhouder is van [bedrijf Y] te [plaats] ( [bedrijf Y] ), de eigenaar van het schip. Verder heeft verweerder uittreksels uit de bestanden van de Kamer van Koophandel overgelegd waaruit blijkt dat [persoon D] ( [persoon D] ) afgevaardigd bestuurder (administrateur-délégué) is van zowel eiseres als van [bedrijf Y] . [bedrijf Y] heeft geen werknemers in dienst. De schipper heeft tijdens zijn verhoor verzocht “het verhaal naar zijn baas [N.V. X] ” te sturen. Via een e-mail aan [persoon C] , die namens eiseres op het schip aanwezig was ten tijde van de controle, heeft verweerder zich tot eiseres gewend en [persoon D] heeft uiteindelijk slechts meegedeeld geen antwoord te willen geven op die e-mail. Verder heeft eiseres de strafbeschikking die in verband met onderhavige controle ook is gegeven, zonder protest voldaan. Verweerder heeft daarmee aannemelijk gemaakt dat eiseres moet worden aangemerkt als enig ander persoon die bij het voorhanden hebben van de desbetreffende gasolie betrokken was. Een dergelijke betrokkenheid is zoals volgt uit de hiervoor opgenomen wetgeschiedenis niet beperkt tot een daadwerkelijke fysieke betrokkenheid. Met hetgeen eiseres heeft aangevoerd heeft zij het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres dan ook terecht aangemerkt als de belastingplichtige.

22. Met betrekking tot het subsidiaire standpunt van eiseres overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat bij de controle in de bunkertanks van het schip een aanmerkelijke hoeveelheid gasolie is aangetroffen. Daarmee is sprake van het voorhanden hebben van een accijnsgoed. Op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet wordt dit voorhanden hebben aangemerkt als uitslag tot verbruik, met als gevolg dat ter zake van dit voorhanden hebben accijns is verschuldigd, tenzij over de gasolie accijns is geheven of sprake is van een vrijgestelde uitslag tot verbruik.

23. Vast staat dat van de gasolie monsters zijn genomen en uit onderzoek van deze monsters naar voren is gekomen dat de gasolie minder dan de voorgeschreven hoeveelheid Solvent Yellow 124 bevatte. Eiseres heeft met wat zij daarvoor heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de monsterneming gebrekkig was. Evenmin heeft zij daarmee aannemelijk gemaakt dat het Lab andere monsters zou hebben geanalyseerd dan de monsters die aan boord van het schip zijn genomen. Het enkele feit dat uit het PV en uit de berichten van het Lab niet kan worden afgeleid dat de monsters zijn voorzien van een nadere identificatie dan het nummer van de perfraplombe, is daarvoor onvoldoende. Daarbij komt dat eiseres gezien haar kennelijke twijfels de monsters die zijn overhandigd aan de schipper of de contramonsters die op het Lab beschikbaar waren had kunnen laten analyseren ter ondersteuning van haar stellingen; dat heeft zij echter niet gedaan. Voor de beoordeling van de monsteranalyse is het, anders dan eiseres stelt, niet nodig te beschikken over stukken waarnaar in de aanvraag van het monsteronderzoek wordt verwezen. Niet valt in te zien dat de controleopdracht op zichzelf invloed heeft op het vastgestelde Solvent Yellow 124 gehalte. Dit betekent dat verweerder met de uitslagen van het Lab-onderzoek voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de ten tijde van de controle in de bunkertanks van het schip aanwezige gasolie niet voldoet aan de voorwaarden die ingevolge artikel 66 van de Wet aan de vrijstelling van accijns worden gesteld.

24. Eiseres stelt dat de onderhavige naheffing in strijd is met artikel 14, eerste lid, aanhef en onder c, van de Energierichtlijn omdat materieel aan alle voorwaarden voor de vrijstelling is voldaan en deze niet louter op grond van formele vereisten mag worden geweigerd. Uit de aanhef van artikel 14 van de Energierichtlijn volgt echter dat de lidstaten voorwaarden kunnen stellen met het doel een juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstelling te verzekeren en fraude, ontwijking of misbruik te voorkomen. De regels omtrent de herkenningsmiddelen en het aantonen van de herkomst gaan niet verder dan nodig is om dit doel te bereiken. De regeling van artikel 66 van de Wet is dan ook niet in strijd met de Energierichtlijn. Deze stelling van eiseres treft daarom geen doel. De rechtbank merkt overigens op dat de in artikel 14 van de Energierichtlijn bedoelde vrijstelling ziet op de levering van energieproducten voor een specifiek gebruik, terwijl de naheffingsaanslag is opgelegd ter zake van het voorhanden hebben daarvan. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar stelling dat de Wet in strijd is met de Gasolieovereenkomst omdat daarin is bepaald dat de voorwaarden voor het met vrijstelling betrekken van gasolie zijn onderworpen aan de nationale voorschriften.

25. Het voorstaande heeft tot gevolg dat de uitslag tot verbruik van de gasolie, in de vorm van het voorhanden hebben daarvan, niet valt onder de vrijstelling van artikel 66, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet en ter zake van deze uitslag accijns verschuldigd is geworden, tenzij met herkomstbescheiden kan worden aangetoond dat over de gasolie accijns is geheven dan wel deze reeds eerder met vrijstelling van accijns is uitgeslagen en aan het schip is afgeleverd.

26. Eiser heeft daartoe de bunkerbon en de factuur overgelegd. De rechtbank acht, gezien de data van aflevering, de stelling van verweerder dat de factuur ziet op dezelfde transactie als die vermeld op de bunkerbon aannemelijk. Daarbij is in aanmerking genomen dat uit de tot de stukken van het geding behorende kopie van de bunkerbon kan worden afgeleid dat op 19 februari 2014 bij twee afzonderlijke meters gasolie is ingenomen. Uit de factuur volgt dat het hier de levering van 10.000 m3 gasolie betreft met toepassing van de vrijstelling. Naar verweerder heeft gesteld en de rechtbank aannemelijk acht, vinden regelmatig controles plaats bij bunkerstations en blijkt daaruit dat die, voor wat betreft de hoeveelheid herkenningsmiddel in door hen te leveren gasolie, steeds voldoen aan de wettelijke norm. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat dit bij [bunkerstation] anders zou zijn. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [bunkerstation] is aangesloten bij de Stichting Vignet Olie Scheepvaart en lid is van de Nederlandse Organisatie voor de Energiebranche en als zodanig is gecertificeerd voor de levering van gasolie bestemd voor de scheepvaart die is voorzien van het vereiste Solvent Yellow 124 gehalte. Dat betekent dat de door [bunkerstation] zonder berekening van accijns geleverde gasolie geacht kan worden te zijn voorzien van de vereiste hoeveelheden Solvent Yellow 124. De aangetroffen gasolie heeft echter een beduidend lager Solvent Yellow 124 gehalte zodat niet aannemelijk is gemaakt dat dit de gasolie is die op de bunkerbon en op de factuur is vermeld. Dat volgens eiseres het in de bunkertanks aangetroffen lagere Solvent Yellow 124 gehalte het gevolg is van vermenging met de ten tijde van de bunkering bij [bunkerstation] al in de brandstoftanks aanwezige gasolie, leidt niet tot een ander oordeel. Eiseres heeft geen herkomstbescheiden overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat en hoeveel gasolie ten tijde van de bunkering bij [bunkerstation] al in de bunkertanks aanwezig was.

27. De aangetroffen hoeveelheid gasolie is ook beduidend groter dan die op de bunkerbon en de factuur is vermeld. Eiseres heeft met de door haar overgelegde bescheiden de herkomst van de in de bunkertanks aangetroffen gasolie dan ook niet aangetoond.

28. Eiseres stelt dat verweerder bij het opleggen van de naheffingsaanslag ten onrechte de op de peilglazen afgelezen hoeveelheden als uitgangspunt heeft genomen, omdat uit het PV niet blijkt dat bij de controle de temperatuur van de gasolie is vastgesteld en de hoeveelheid gasolie daarom ook niet kon worden herleid naar de hoeveelheid bij 15°C, zoals voorgeschreven in artikel 14, eerste en tweede lid van de Uitvoeringsregeling. Gezien de datum van de controle (27 februari) en het feit dat het schip is gecontroleerd toen het lag afgemeerd, acht de rechtbank echter niet aannemelijk dat de temperatuur ten tijde van de controle daadwerkelijk hoger was dan 15°C. Eiseres heeft daartoe verder ook niets aangevoerd of overgelegd. Verweerder heeft daarom mogen uitgaan van de hoeveelheid zoals dit bleek uit de peilglazen, aangezien dat niet in het nadeel van eiseres is. Verweerder heeft verder terecht slechts voor een van de bunkertanks de hoeveelheid naar beneden bijgesteld vanwege het feit dat er ook water in de tank aanwezig was omdat slechts in een van de monsters water was aangetroffen. Eiseres heeft haar stelling dat ook in de andere bunkertank water aanwezig was niet aannemelijk gemaakt.

29. Het voorstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder terecht accijns heeft nageheven over de in de bunkertanks van het schip aangetroffen gasolie. Gelet op artikel 26 van de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2012 is ook de naheffingsaanslag voorraadheffing terecht opgelegd. Tegen de belastingrente heeft eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd en gesteld noch gebleken is dat die ten onrechte of op onjuiste wijze in rekening is gebracht. Dit brengt de rechtbank tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.

Proceskosten

30. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, voorzitter en mr. G.J. Ebbeling en mr. S .E. Postema, leden, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.