Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12052

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-10-2017
Datum publicatie
25-10-2017
Zaaknummer
09/837007-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“Veroordeling voor ontucht plegen met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige. De rechtbank legt een taakstraf op voor de duur van 180 uren en legt daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 1 maand”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/837007-16

Datum uitspraak: 25 oktober 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 11 oktober 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. I. Doves en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. D.M.P. van Eijsden, advocaat te Den Haag, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij - als (taxi)chauffeur voor kinderen van het speciaal onderwijs) op één of

meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2014 tot en met 14

september 2015 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, met (de aan zijn zorg,

opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde) [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum]

1999, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt buiten echt

en/of van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid,

verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een

zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar

geestvermogens leed dat die [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil

daaromtrent te bepaken of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden

een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het geven

van een of meerder (tong)zoen(en) en/of het betasten van en/of wrijven op/over

de billen en/of borsten en/of het boven op die [slachtoffer] gaan liggen;

en/of

hij - als (taxi)chauffeur voor kinderen van het speciaal onderwijs - op één of

meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 september 2015 tot en met

03 november 2015 te 's-Gravenhage, althans in Nederland,

ontucht heeft gepleegd

met de aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige

[slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1999,

door het geven van een of meerdere (tong)zoen(en) en/of het betasten van

en/of wrijven op/over de billen en/of borsten en/of het boven op die [slachtoffer]

gaan liggen.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Verdachte wordt onder het eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde verweten dat hij zich als taxichauffeur voor kinderen van het speciaal onderwijs in de periode van 1 juni 2014 tot en met 14 september 2015 schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer] (hierna ook: [slachtoffer] ), die toen de leeftijd van 16 jaren nog niet had bereikt en/of van wie hij wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed.

Onder het tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde wordt verdachte verweten dat hij zich als taxichauffeur voor kinderen van het speciaal onderwijs in de periode 15 september 2015 tot en met 3 november 2015 schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer] , die aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid was toevertrouwd.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beiden feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde en heeft daartoe aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat er enige ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden voorafgaand aan de periode van 15 september 2015, onder andere omdat verdachte voor die tijd nog niet de vaste chauffeur was.

Ten aanzien van het tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat alleen het tongzoenen bewezen verklaard kan worden en dat verdachte ten aanzien van de overige ontuchtige handelingen moet worden vrijgesproken. Hierbij heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte ontkent dat hij bij de politie heeft verklaard dat hij het slachtoffer heeft betast en dat dit door de politie ten onrechte als zijn verklaring is opgeschreven. Verdachte heeft zijn verklaring ook niet meer kunnen doorlezen voordat hij deze ondertekende omdat hij anders de nacht op het politiebureau moest blijven. Deze bekennende verklaring ten aanzien van het betasten van de billen en borsten moet daarom worden uitgesloten van het bewijs, aldus de raadsvrouw.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Naar aanleiding van een melding is de politie op 3 november 2015 naar het [naam school] gegaan, een school voor kinderen met een meervoudige handicap, gelegen aan het [adres] te Den Haag, alwaar een chauffeur zojuist betrapt zou zijn op het zoenen met een gehandicapt meisje.2

Ter plaatse heeft [getuige] , docente op de betreffende school, tegenover de politie verklaard dat zij gezien heeft dat een leerlinge van de school genaamd [slachtoffer] voorovergebogen stond in de bus en de chauffeur, zijnde verdachte, mond op mond kuste. Vervolgens zou verdachte tegen haar verklaard hebben dat [slachtoffer] hem weleens zoent en dat hij dit niet kan tegenhouden.3

Door de directeur van de school, [aangever] , is op 5 november 2015 aangifte gedaan tegen verdachte. Hij heeft verklaard dat verdachte een chauffeur is van [naam bedrijf] , welk bedrijf het vervoer van leerlingen voor de school verzorgt. Verdachte heeft in de kamer van [aangever] , in het bijzijn van [getuige] , verklaard dat [slachtoffer] hem wilde zoenen en dat hij het niet heeft tegengehouden.4

Op 6 november 2015 heeft de politie [getuige] aanvullend als getuige gehoord. Zij heeft verklaard dat [slachtoffer] op de afdeling van het Voortgezet speciaal onderwijs zit. Op 3 november omstreeks 08:40 uur werd zij gealarmeerd door een college die had gezien dat de bus, waar nog een leerlinge van de school inzat, was weggereden. Hierop is zij naar de parkeerplaats van de school gelopen en zag zij de betreffende bus ver in een hoek staan. Toen zij naar de bus toe liep zag zij [slachtoffer] en verdachte in de bus. Verdachte zat op dat moment op de bestuurdersstoel en [slachtoffer] stond naast hem. Zij zag dat hun hoofden tegen elkaar aan zaten en zij had het idee dat er gezoend werd. Daarop heeft zij verdachte en [slachtoffer] aangesproken, waarna [slachtoffer] richting haar klas is gelopen en verdachte stilzwijgend met [getuige] is meegelopen. Aangekomen in het kantoor, waarbij ook [aangever] aanwezig was, heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] hem gezoend had en dat hij dat niet had kunnen stoppen.5

Op 1 december 2015 heeft er een studioverhoor plaatsgevonden met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1999.6 Zij heeft tijdens dit verhoor onder meer verklaard dat zij met verdachte ging zoenen. Zij heeft verdachte gevraagd om een keer te zoenen waarop verdachte zei dat dat toch niet kon, maar na doorvragen is dat toch gebeurd. Na de vakantie gingen zij echt zoenen, met haar lippen op zijn tong en hierbij deed hij ook zijn mond open en kwam naar voren. Zij gingen vaak samen in de bus liggen, verdachte bovenop haar, omdat zij bang was dat zij gezien zouden worden. Verdachte heeft ook aan haar borsten gezeten en aan haar kont. Hij heeft met zijn handen aan haar borsten gezeten, maar haar kleding is niet uit geweest. Vervolgens ging hij wrijven en knijpen over haar borsten. Ook tijdens het zoenen heeft verdachte aan haar borsten gezeten. De eerste keer dat hij aan haar borsten heeft gezeten was nog voordat zij gezoend hadden. Ook kneep verdachte haar in haar billen of gaf haar billenkoek. Dit is gebeurd voordat hij aan haar borsten heeft gezeten. Alles is begonnen voor de zomer van 2014. Toen zij bezig was met de lift van de bus omhoog en omlaag doen gaf verdachte haar billenkoek. De dag daarna ging zij weer helpen en ging verdachte wrijven.7

Naar aanleiding van het incident heeft de politie de telefoon van [slachtoffer] onderzocht waarbij is gebleken dat er tussen 3 september 2015 en 29 oktober 2015 diverse WhatsApp gesprekken hebben plaatsgevonden tussen haar en verdachte.8

Op 21 december 2015 heeft de politie verdachte gehoord. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] begin 2014 voor het eerst heeft gezien. Hij heeft in totaal twee of drie keer gezoend met [slachtoffer] en heeft hierbij de tong van [slachtoffer] aangeraakt. Daarnaast heeft hij haar betast over haar kleding heen bij haar borsten. Dit is allemaal gebeurd in de bus. Hij heeft verklaard dat hij niet bovenop [slachtoffer] is gaan liggen omdat hij 85 kilo weegt en rekening met haar wilde houden, maar dat hij wel naast haar in de bus heeft gelegen. Hij heeft verder verklaard dat de punten die [slachtoffer] heeft verklaard volgens hem wel kloppen. Rond de herfstvakantie van 2015 heeft hij voor het eerst met [slachtoffer] gezoend. Als hem later in het verhoor nogmaals wordt gevraagd hoe vaak hij met [slachtoffer] heeft gezoend antwoordt hij dat hij in totaal wel drie of vier keer met haar gezoend heeft.9 Voorts heeft verdachte verklaard dat hij vanaf september 2015 als vaste chauffeur werkzaam was voor de school, maar dat hij daarvoor weleens als chauffeur voor de school heeft gewerkt als invaller, bijvoorbeeld in de zomer van 2014.10

Conclusie

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen, in het bijzonder de verklaring van aangeefster, welke verklaring op essentiële punten steun vindt in de verklaring van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat er ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer] , bestaande uit het tongzoenen en betasten/wrijven over de billen en borsten. De rechtbank is hierbij van oordeel dat er gerede twijfel bestaat of verdachte ook daadwerkelijk bovenop [slachtoffer] is gaan liggen en sluit in dat verband niet uit dat verdachte in plaats van bovenop, naast haar in de bus heeft gelegen, zoals verdachte zelf ook verklaard heeft. Verdachte zal daarom ten aanzien van dat onderdeel uit de tenlastelegging partieel worden vrijgesproken.

De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals door de raadsvrouw is bepleit, de bekennende verklaring van verdachte ten aanzien van het betasten van de borsten en billen van [slachtoffer] uit te sluiten van het bewijs. Uit het betreffende proces-verbaal van verhoor van verdachte is niet gebleken dat de verklaring van verdachte onjuist geverbaliseerd is of dat verdachte op enig moment door de politie op onaanvaardbare wijze onder druk is gezet. Uit het proces-verbaal blijkt dat aan verdachte open vragen zijn gesteld waarna hij zelf uit eigen beweging over het betasten van de borsten van [slachtoffer] heeft verklaard. Er is naar aanleiding daarvan doorgevraagd en ook bij die gelegenheid heeft verdachte niet aangegeven dat hij anders heeft verklaard of dat hij iets anders heeft bedoeld. Sterker nog, nadat de politie de belastende verklaring van [slachtoffer] aan hem heeft voorgelezen - onder meer over het aanraken van de borsten en billen -, verklaart verdachte juist dat die punten volgens hem wel kloppen.

De pleegperiode

Voor wat betreft de pleegperiode stelt de rechtbank het volgende vast. [slachtoffer] heeft verklaard dat het tussen haar en verdachte allemaal is begonnen na de zomer van 2014. De pleegmoeder van [slachtoffer] , [naam] , heeft verklaard dat [slachtoffer] geen goed tijdsbesef heeft.11 Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] al kende in 2014, maar dat hij pas na de herfstvakantie van 2015, toen hij als vaste chauffeur werkte, voor het eerst met haar heeft gezoend. Als [slachtoffer] gevraagd wordt wanneer zij voor het eerste heeft gezoend met verdachte antwoordt zij dat zij na de vakantie echt gingen zoenen, maar onduidelijk blijft welke vakantie zij hier bedoeld heeft. Gebleken is verder dat er in de periode 3 september 2015 en 29 oktober 2015 WhatsApp-contact heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer] , waarbij onder meer afspraakjes worden gemaakt en verdachte (op 16 oktober 2015) schrijft dat ze goed kan kussen. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat weliswaar bewezen kan worden dat verdachte en aangeefster elkaar al enige tijd kenden, maar dat op grond van de verklaring van [slachtoffer] en de verklaring van verdachte niet kan worden uitgesloten dat de ontuchtige handelingen (pas) gedurende de WhatsApp gesprekken zijn ontstaan en uiteindelijk hebben plaatsgevonden rond de herfstvakantie van 2015.

Eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde

Derhalve is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte ontuchtige handelingen met [slachtoffer] heeft gepleegd in de periode van 1 juni 2014 tot 14 september 2015 zodat verdachte ten aanzien van het eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.

Tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wel bewezen dat verdachte de ontuchtige handelingen met [slachtoffer] heeft gepleegd in de periode van 15 september 2015 tot 3 november 2015. De rechtbank ziet zich thans voor de vraag gesteld of [slachtoffer] op de momenten dat de ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden ook aan de zorg, opleiding of waakzaamheid van verdachte was toevertrouwd, hetgeen voor een bewezenverklaring van artikel 249 eerste lid van Wetboek van Strafrecht noodzakelijk is. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Op grond van de verklaring van de directeur van de school [naam school] en de verklaring van verdachte kan worden vastgesteld dat verdachte, ten tijde van de bewezenverklaarde ontuchtige handelingen, als chauffeur werkzaam was bij [naam bedrijf] , welk bedrijf in de gemeente Den Haag werd ingezet voor het vervoeren van leerlingen van de school. Dit brengt met zich dat de leerlingen van de school bij dit vervoer aan de zorg en waakzaamheid van de betreffende chauffeur van dat bedrijf waren toevertrouwd. [slachtoffer] is een leerlinge van voornoemde school. De ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden in en nabij de bus van verdachte die op dat moment werkzaam was in zijn hoedanigheid van taxichauffeur. Deze omstandigheden maken dat de rechtbank van oordeel is dat [slachtoffer] daarmee op de momenten dat zij samen met verdachte in of nabij de bus was, en de ontuchtige handelingen plaatsvonden, aan zijn zorg en waakzaamheid was toevertrouwd. Dat zij doorgaans niet door verdachte maar door een andere chauffeur van en naar huis en school werd vervoerd, doet daaraan niet af.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich als taxichauffeur voor kinderen van het speciaal onderwijs in de periode 15 september 2015 tot en met 3 november 2015 schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontucht met de aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer] door het geven van tongzoenen en het betasten en/of wrijven op/over de billen en borsten.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

hij - als (taxi)chauffeur voor kinderen van het speciaal onderwijs - op

tijdstippen in de periode van 15 september 2015 tot en met 03 november 2015

te 's-Gravenhage, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en waakzaamheid

toevertrouwde minderjarige [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1999,

door het geven van een of meerdere (tong)zoen(en) en het betasten van

en/of wrijven op/over de billen en borsten.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, behandelverplichting, contactverbod met aangeefster en een beroepsverbod.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om verdachte bij een bewezenverklaring te veroordelen tot een werkstraf. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om bij een eventueel op te leggen voorwaardelijk strafgedeelte geen behandelverplichting, contactverbod en beroepsverbod op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte was werkzaam als taxichauffeur voor de school [naam school] en heeft kinderen met een meervoudige handicap van en naar school vervoerd. In die hoedanigheid heeft hij gedurende een periode van circa drie maanden ontuchtige handelingen gepleegd met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige leerlinge van voornoemde school, bestaande uit het tongzoenen en het betasten van de billen en borsten van het meisje. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij vanuit deze positie het seksuele contact is aangegaan. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat er een groot leeftijd- en intellectueel verschil aanwezig was tussen verdachte en het meisje, waarvan verdachte op de hoogte was. Hetgeen verdachte wordt verweten gaat om handelingen waarbij de geldende sociaal ethische normen worden overschreden. Naar de ervaring leert, ondervinden slachtoffers van delicten als het onderhavige veelal ook lange tijd de psychische gevolgen daarvan. Daarnaast zorgen incidenten als deze voor maatschappelijke onrust. Dit blijkt te meer uit de bijeenkomst die naar aanleiding van dit incident speciaal door de school voor de ouders van de leerlingen is georganiseerd en de verklaring van één van die ouders, waaruit volgt dat deze ouder door onderhavig incident bang was dat zijn dochter mogelijk met een zelfde soort incident te maken had gehad.

De rechtbank heeft kennis genomen van het uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte d.d. 11 september 2017. Daaruit is gebleken dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het Pro Justitia rapport d.d. 7 juli 2016, opgesteld door drs. [naam] , psycholoog. Door de psycholoog is vastgesteld dat verdachte zou lijden aan de ziekelijke stoornis schizofrenie, welke ziekte zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde heeft beïnvloed. Bij een bewezenverklaring adviseert de psycholoog daarom om verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar aan te merken.

Bij de bepaling van de zwaarte van de straf neemt de rechtbank tot uitgangspunt de straffen die in soortgelijke zaken gewoonlijk worden opgelegd. Gelet op voornoemde omstandigheden en de ernst van het feit acht de rechtbank een forse werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf aangewezen. De rechtbank ziet op grond van het tijdsverloop van de zaak, de persoonlijke omstandigheden van verdachte - het lijkt goed te gaan met verdachte en hij heeft inmiddels ander werk waarbij hij niet met kinderen in aanraking komt -, en de omstandigheid dat verdachte geen behandeling wil - geen aanleiding om aan een voorwaardelijk strafgedeelte bijzondere voorwaarden te koppelen. Daarnaast ziet de rechtbank om diezelfde redenen ook geen aanleiding om aan het voorwaardelijk strafgedeelte een extra lange proeftijd van drie jaar te verbinden.

Alles afwegende is naar het oordeel van de rechtbank het opleggen van een werkstraf voor de duur van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. De duur van deze op te leggen straf is korter dan door de officier van justitie geëist, nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie, het eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde feit niet bewezen acht.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bij dagvaarding eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bij dagvaarding tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde feit heeft begaan op de wijze als hierboven onder 3.5 is omschreven en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ontucht plegen met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 180 (honderdtachtig) uren;

beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 90 (negentig) dagen;

beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

veroordeelt verdachte voorts tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand;

bepaalt dat die straf, groot 1 (één) maand, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P. Poustochkine, voorzitter,

mr. E.M.M. Smilde-Schölvinck, rechter,

mr. M.H. Erich, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. R.A. Hopman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 oktober 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2015320611, van de politie eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche, afdeling thematische opsporing, team zeden (doorgenummerd p. 1 t/m 124).

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 17.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 18.

4 Proces-verbaal van verhoor [aangever] , p. 27 t/m 29.

5 Proces-verbaal van verhoor [getuige] , p. 32 en 33.

6 Proces-verbaal van verhoor, p. 47.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 49 en 50.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 52.

9 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte, p. 121, 122, 123.

10 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 11 oktober 2017.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 42.