Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12049

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-10-2017
Datum publicatie
24-10-2017
Zaaknummer
09/767195-16 (dagvaarding I); 09/766022-16 (dagvaarding II, ttz.gev.); 22/002197-11 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/767195-16 (dagvaarding I); 09/766022-16 (dagvaarding II, ttz.gev.); 22/002197-11 (tul)

Datum uitspraak: 24 oktober 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] ,

[adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 9 september 2016, 14 november 2016, 24 januari 2017, 7 februari 2017, 9 februari 2017, 21 april 2017 (telkens pro forma) en 27, 28 en 29 september 2017 en 13 oktober 2017 (inhoudelijk).

Deze strafzaak is inhoudelijk gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de strafzaken tegen de verdachten [medeverdachte 1] (parketnummer 09/767300-15), [medeverdachte 2] (gevoegde parketnummers 09/767150-16 en 09/765012-16), [medeverdachte 3] (parketnummer 09/767295-16) en [medeverdachte 4] (gevoegde parketnummers 09/767194-16 en 09/837061-16).

De verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zullen hierna (ook) met hun achternaam worden aangeduid, de verdachten [medeverdachte 4] en [verdachte] (ook) met hun voornaam.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr.

D.M. van Gosen en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte, mr. D.M.P. van Eijsden, advocaat te Den Haag, en door verdachte naar voren is gebracht.

Blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 9 september 2016 zijn beide dagvaardingen van verdachte reeds met instemming van de verdediging gevoegd. Nu er door de verdediging geen zwaarwegende belangen zijn aangevoerd om deze dagvaardingen weer te splitsen, ziet de rechtbank geen aanleiding om terug te komen op deze beslissing en wordt het verzoek van de raadsvrouw tot het wijzen van twee aparte vonnissen afgewezen.

2 De tenlasteleggingen

Verdachte wordt, kort gezegd, verweten dat hij:

- op 16 mei 2016 in Den Haag, al dan niet tezamen en in vereniging, in een woning aan de [adres 2] , gedurende de nacht, heeft geprobeerd in te breken om daar een hoeveelheid hennepplanten weg te nemen (dagvaarding I, feit 1), en

  • -

    in de periode van 29 april 2016 tot en met 14 juni 2016 in één of meer plaatsen in Nederland, al dan niet tezamen en in vereniging, ter voorbereiding van een gekwalificeerde diefstal waarop een maximale gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, diverse daarvoor bestemde goederen heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd of voorhanden heeft gehad (dagvaarding I, feit 2), en

  • -

    in de periode van 20 juli 2015 tot en met 1 juni 2016 op meerdere plaatsen in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (dagvaarding I, feit 3), en

- op 17 december 2015 in Voorburg [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling (dagvaarding II, feit 1), en

- op diezelfde 17 december 2015 in Voorburg een politieagente, te weten [verbalisant 1] , tijdens haar rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft mishandeld (dagvaarding II, feit 2), en

- zich eveneens op 17 december 2015 in Voorburg heeft verzet tegen zijn aanhouding door politieambtenaar [verbalisant 2] (dagvaarding II, feit 3).

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen als bijlage I bij dit vonnis en maakt daarvan deel uit.

3 Formele verweren

3.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de tapgesprekken van het nummer [telefoonnummer 1] in de periode van 15 mei 2016 tot en met 28 mei 2016 uitgesloten dienen te worden van het bewijs, nu deze tapgesprekken niet conform de wettelijke vereisten zijn aangevraagd en de machtiging dus niet correct is afgegeven. Er is derhalve sprake van een onherstelbaar vormverzuim ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, aldus de verdediging.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een vormverzuim, nu er sprake is van een verdenking van een misdrijf dat een ernstige inbreuk op de rechtsorde vormt en de rechter-commissaris aldus in redelijkheid tot afgifte van de machtiging heeft kunnen komen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat het onderzoek is gericht op het verstrekken van vertrouwelijke informatie over - onder meer - potentiële hennepkwekerijen door een mogelijk corrupte politieambtenaar, en dat in het licht van die verdenking gedurende het hele onderzoek veelvuldig is getapt op diverse telefoonnummers die onderling met elkaar in verband (leken te) staan. De aanleiding voor de tap op het nummer [telefoonnummer 1] is gelegen in een getapt gesprek van 15 mei 2016 tussen dit nummer en het nummer [telefoonnummer 2] , dat op naam staat van [medeverdachte 4] . In dit gesprek wordt er gesproken over het “pakken van die ene onder de grond”. De politie leidt, in het licht van de rest van het onderzoek, met name ook het gegeven dat door de verdachte politieambtenaar kort daarvoor een M-melding was geraadpleegd over een kwekerij in een kelder waarvan de toegang via een luik in de grond was, hieruit af dat het mogelijk gaat over een hennepkwekerij. Desgevorderd, en gelet op de verdenking die was gerezen, heeft de rechter-commissaris vervolgens een machtiging verleend voor een bevel tot het tappen van dit nummer. Voor een goed functioneren van de rechtsstaat is het van cruciaal belang dat burgers vertrouwen hebben in het overheidsapparaat en de ambtenaren die daar deel van uitmaken. Corruptief handelen van overheidsfunctionarissen tast dit vertrouwen van burgers in de overheid in ernstige mate aan. Het schenden van het ambtsgeheim in combinatie met - al dan niet georganiseerde - hennepteelt of het rippen van hennepplantages, levert dan ook een ernstige inbreuk op de rechtsorde op. Dat gedurende dit onderzoek het nummer van verdachte in beeld is gekomen, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de rechter-commissaris in redelijkheid tot afgifte van de machtiging heeft kunnen komen. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsvrouw en komt reeds daarom niet toe aan bespreking van de rest van het verweer.

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het bij dagvaarding I onder 3 tenlastegelegde feit. Ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 1 en 2 en het bij dagvaarding II onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft de officier van justitie gevorderd dat wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard dat verdachte deze feiten heeft begaan. Op haar specifieke standpunten zal hierna - voor zover relevant - nader worden ingegaan.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 1, 2 en 3 en het bij dagvaarding II onder 1 tenlastegelegde vrijspraak bepleit, omdat in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Ten aanzien van het bij dagvaarding II onder 2 tenlastegelegde feit heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken. Tot slot heeft de raadsvrouw zich wat betreft hetgeen bij dagvaarding II onder 3 tenlastegelegd, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Op de specifieke (bewijs)verweren van de verdediging zal hierna - voor zover relevant - nader worden ingegaan.

4.3

De overwegingen van de rechtbank1

4.3.1

Dagvaarding I, feit 1

Inleiding

In het onderzoek is veelvuldig getapt op veel verschillende telefoonnummers en het dossier bevat veel uitgewerkte sms-berichten en tapgesprekken. De rechtbank zal dan ook beginnen met een overweging omtrent deze nummers en beoordelen of een koppeling kan worden gemaakt met de verschillende - relevante - verdachten.

[medeverdachte 4]

Het nummer [telefoonnummer 2] ( [telefoonnummer 2] ) staat op naam van [medeverdachte 4] , de gebruiker wordt [medeverdachte 4] genoemd en in de woning aan de [adres 3] te Leidschendam, waar [medeverdachte 4] woonachtig is, is een mobiele telefoon in beslaggenomen met dit nummer.2 Bovendien is zijn stem herkend als de stem van de gebruiker van dit telefoonnummer.3

De rechtbank komt op basis hiervan tot de conclusie dat dit nummer in gebruik is bij [medeverdachte 4] .

[verdachte]

Ten aanzien van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] ( [telefoonnummer 1] ) is door de rijksrecherche het volgende geverbaliseerd. De gebruiker van nummer [telefoonnummer 1] wordt [naam 1] genoemd. De roepnaam van [verdachte] is [naam 1] en hij is de broer van [medeverdachte 4] . Uit de zendmastgegevens volgt dat de telefoon met [telefoonnummer 1] in de nacht van 16 mei 2016 tussen 04.05.05 uur en 08.43.56 uur de zendmast aan de Veurse Achterweg 26 te Leidschendam heeft aangestraald en dat is 150 meter verwijderd van zijn woonadres aan de [adres 3] te Leidschendam. In een tapgesprek op 16 juni 2016 is te horen dat een vrouw in het gesprek met telefoon [telefoonnummer 1] aangeeft dat ze steeds “de voicemail van [verdachte] krijgt als hij ophangt”.4 De stem van de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 1] is bovendien herkend als die van [verdachte] .5

De rechtbank komt op basis hiervan tot de conclusie dat dit nummer in gebruik is bij [verdachte] .

[medeverdachte 2]

Uit de opgenomen en afgeluisterde gesprekken volgt dat de gebruiker met het nummer [telefoonnummer 3] ( [telefoonnummer 3] ) “ [medeverdachte 2] ” blijkt te heten. De gebruiker noemt zichzelf ook zo. De stem van de gebruiker wordt voorts door de verbalisant herkend als de stem van [medeverdachte 2] .6

De rechtbank komt op basis hiervan tot de conclusie dat dit nummer in gebruik is bij [medeverdachte 2] .

Tapgesprekken d.d. 15 en 16 mei 2016

Op 15 mei 2016 om 23.23.41 uur heeft [medeverdachte 4] ( [telefoonnummer 2] ) telefonisch contact met [verdachte] ( [telefoonnummer 1] ). In dat telefoongesprek geeft hij aan dat [verdachte] moet gaan naar die “onder de grond”. [verdachte] vraagt “ehh alleen?” waarop [medeverdachte 4] zegt dat hij met “lange” moet gaan en dat hij vandaag moet gaan kijken. [verdachte] reageert daarop dat hij niet alleen gaat kijken, maar ook “gelijk gaat pakken”. [medeverdachte 4] zegt dan dat hij het via de binnenkant open kan maken en dat hij moet laten weten hoe het is.7 Voorts is er die nacht telefonisch contact tussen [verdachte] en de onbekend gebleven gebruiker van nummer [telefoonnummer 4] (hierna: [telefoonnummer 4] ) waaruit blijkt dat zij samen zullen gaan.8 Even later wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 4] die wil weten of [verdachte] al geweest is. “Nee”, zegt [verdachte] , “ik ga niet zo vroeg”. [verdachte] zegt dan “Die Lange is nu onderweg naar mij”.9 Om 02.19.42 uur die nacht belt [medeverdachte 4] weer naar [verdachte] en vraagt waar “ze” zijn. [verdachte] zegt dat hij bij “de lange” is om spullen uit de auto te laden en dan gaan ze “die kant” op “die spullen toch maar leeg halen”. [medeverdachte 4] antwoordt daarop dat als ze klaar zijn ze dan naar zijn huis moeten komen.10 Niet lang hierna wordt [medeverdachte 4] door de gebruiker van [telefoonnummer 4] en [verdachte] kennelijk opgehaald. Om 2.33 uur zegt [verdachte] immers tegen [medeverdachte 4] dat ze er binnen 30 seconden zijn en vraagt [medeverdachte 4] de zijdeur open te maken.11 Alle telefoons stralen vervolgens zendmasten aan bij elkaar in de buurt.12

Er volgen daarna, vanaf 03.07 uur, nog drie gesprekken tussen [medeverdachte 4] en [verdachte] . Beide telefoonnummers stralen op dat moment de zendmast aan op [adres 4] te Den Haag.13 [medeverdachte 4] vraagt hoe het gaat. [verdachte] zegt dat ze nog aan het kijken zijn. [medeverdachte 4] zegt dat ze een inschatting moeten maken en dat hij over twee minuten terugbelt.14 Een minuut later zegt [verdachte] tegen [medeverdachte 4] dat ze de deur hebben gevonden en vervolgens: “ [naam 2] (fon) Is hem ook he. Is te jong, is te jong”. [medeverdachte 4] zegt dan dat ze de voeten schoon moeten maken en alles schoon moeten maken en dat ze naar buiten moeten komen. Hij vraagt of ze een foto kunnen maken en [verdachte] zegt: “geef telefoon geef telefoon” waarop [medeverdachte 4] zegt: “Ik geeft je mijn telefoon”.15 Weer vijf minuten later belt [medeverdachte 4] naar [verdachte] en vraagt hij hoelang ze nog moeten wachten. [verdachte] zegt dan: “Zeker twee weken. Zeker twee weken is klaar. Is vijfde week.” In dat gesprek zegt [medeverdachte 4] vervolgens nog: “maar luister eens. Veeg alles daar veeg alles daar goed aan. Niet die stoffen alleen die voetafdrukken. Pas op voor die tafel en zo snap je.”

Korte tijd later, om 03.16 uur en om 3.18 uur, als wederom de telefoons de zendmast aan [adres 4] aanstralen, belt [medeverdachte 4] weer naar [verdachte] . [verdachte] vraagt of ze naar boven kunnen komen. “Nee” zegt [medeverdachte 4] , “wachten wachten er rijdt een auto weg”. [medeverdachte 4] vraagt vervolgens “Alles netjes he”.16 In het daaropvolgende gesprek zegt [medeverdachte 4] dat er iemand op een fiets komt aanfietsen en dat die hen niet gezien heeft waarna hij zegt: “ik ben de bewaker, vriend”. [verdachte] zegt in dat gesprek “nog één week!!!” en “het is zes weken” en “ik heb gezegd, 2 weken nog.”

Melding en bevindingen politie

In die nacht van 16 mei 2016 meldt om 03.30 uur de bewoonster van perceel [adres 2] in Den Haag dat zij twee jongens hoorde praten en dat er vervolgens één jongen naar binnen ging in de naastgelegen woning van waaruit je in de woning van meldster kon komen. Zij is naar buiten gevlucht en durft niet terug te gaan. Ze meldt voorts dat ze heeft gezien dat er twee jongens via het geopende raam naar binnen waren geklommen en na een paar minuten weer naar buiten kwamen zonder iets in hun handen.17

Op 20 mei 2016 zijn verbalisanten ter plaatse gegaan en zij hebben waargenomen dat de woning zich precies op de hoek van de [adres 2] , [adres 4] en de [adres 5] bevond. De voordeur is gelegen aan [adres 4] . Op de ramen was veel condens aanwezig. Op het dak van het Florence woonzorgcentrum op [adres 4] staat een grote zendmast.18 Op 20 mei 2016 werd in de kelder van het pand aan de [adres 2] in Den Haag een hennepkwekerij aangetroffen met 305 planten.19 De woning werd op 20 mei 206 afgesloten met een hangslot en in het raam van de deur zaten verschillende barsten.20 Naast de deur net om de hoek is een bordje te zien met nr. [nummer] .21

Bij de doorzoeking in de woning [adres 3] te Leidschendam werd in de slaapkamer in gebruik bij [verdachte] een telefoon in beslaggenomen; een witte Samsung. In de datafiles van die telefoon wordt een mp4 bestand aangetroffen. Dit is aangemaakt op 16 mei 2016 te 03.13.09 uur. Het bestand betreft een filmpje van een in werking zijnde hennepkwekerij. Dit filmpje is vergeleken met de foto’s van de hennepkwekerij aan de [adres 2] . Er waren opvallende overeenkomsten zoals het balkenplafond, de buizen van de afzuiging, de stekkerdoos en de ventilator aan de wand.22

Tapgesprekken 21, 22 en 23 mei 2016

Op 21 mei 2016 om 14.40 uur neemt [verdachte] contact op met de gebruiker van [telefoonnummer 4] . In dit gesprek wordt gesproken over “deze is helemaal kapot. Zie slotje daarop” maar dat “we hebben niks gedaan joh…zeg ik laats…” en dat er geen schade aan de deur is geweest wel zit er een barst in de ramen en er zit een nieuw slotje op.23 Tien minuten later belt [medeverdachte 4] met de gebruiker van [telefoonnummer 4] . Deze laatste zegt dat hij eergisteren in de avond samen met [medeverdachte 4] langs is gereden en dat er toen nog niks aan de hand was. “100% niks aan de hand”. [medeverdachte 4] geeft aan dat het helemaal mis gaat. De man zegt dat er een barst in het raam zit en er zit een slot op de deur. [medeverdachte 4] zegt: “dan moeten jullie de handel vandaag pakken”.24 Kort daarna belt [medeverdachte 2] ( [telefoonnummer 3] ) met [medeverdachte 4] . In dit gesprek geeft [medeverdachte 4] aan dat er een barst in de ruit zit en vraagt hij of [medeverdachte 2] zelf wil gaan kijken, waarop [medeverdachte 2] zegt “nee joh ben je gek?”.25 Vervolgens belt [medeverdachte 4] weer met de gebruiker van [telefoonnummer 4] en zegt hij dat het weg is en dat het de “baas” moet zijn geweest die “hem” hebben leeggehaald.26

Conclusies ten aanzien van het bewijs

Anders dan door de raadsvrouw is betoogd, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het voorgaande dat er naar zijn uiterlijke verschijningsvorm sprake is van een strafbare poging. In het bijzonder neemt de rechtbank daarbij in aanmerking het feit dat er in de onderlinge taps wordt gesproken over het “pakken” (van de hennepplanten), het door [verdachte] en een ander via het raam naar binnen klimmen en de gefrustreerde reactie van [medeverdachte 4] wanneer hij hoort dat er een slot op de deur zit en dan aan de telefoon zegt dat de handel alsnog vandaag gepakt moet worden. Het verweer van de raadsvrouw dat er geen voornemen tot wegnemen bestond, verwerpt de rechtbank dan ook. De rechtbank merkt voorts op dat het gaat om een poging, enkel omdat verdachten niets hebben meegenomen uit de woning.

Concluderend zal de rechtbank dan ook een poging tot inbraak, gedurende de nacht, in vereniging, door middel van inklimming wettig en overtuigend bewezen verklaren.

4.3.2

Dagvaarding I, feit 2

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het bij dagvaarding I onder 2 tenlastegelegde feit en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van voorbereidingshandelingen is vereist dat kan worden bewezen dat verdachte, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, opzettelijk voorwerpen verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft.

Op diefstal uit een woning in de voor de nachtrust bestemde tijd, gepleegd in vereniging of met braak, verbreking of inklimming, zoals ten laste gelegd, staat 9 jaar gevangenisstraf, waarmee aan de eis van artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht dat voorbereidingshandelingen pas strafbaar zijn als zij zijn gericht op een misdrijf waarop een gevangenisstraf van tenminste 8 jaar is gesteld, wordt voldaan. Een “gewone” inbraak is onvoldoende.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de bij verdachte aangetroffen goederen vragen oproepen en zouden kunnen duiden op een voornemen om in te gaan breken. Voor een bewezenverklaring van voorbereidingshandelingen gericht op het plegen van inbraken waarop tenminste 8 jaar gevangenisstraf staat, is echter noodzakelijk dat de rechtbank vaststelt dat het opzet van verdachte ook op voornoemde strafverzwarende aspecten was gericht. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er onvoldoende aanknopingspunten in het dossier te vinden waaruit blijkt dat verdachte voornemens was om enkel gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, met een ander of anderen, te gaan inbreken. Het feit dat verdachte éénmaal bij een dergelijke poging tot inbraak betrokken is geweest en hij meerdere gesprekken in de nacht heeft gevoerd die zouden kunnen duiden op het plegen van andere inbraken is hiervoor, anders dan de officier van justitie heeft betoogd, onvoldoende. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit feit vrijspreken.

4.3.3

Dagvaarding I, feit 3

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen kan worden hetgeen verdachte bij dagvaarding I onder 3 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

4.3.4

Dagvaarding II

Op 17 december 2015 rond 17.25 uur was [verbalisant 1] als motoragente aan het werk toen ze een opstootje zag op de Mgr. Van Steelaan in Voorburg. Ze zag dat twee mannen, die ze ambtshalve herkende als verdachte en zijn broer, zich agressief gedroegen richting een andere man. Ze zag dat de forsere man, verdachte, die man met beide handen een duw tegen zijn borstkas gaf, waardoor de man uit balans raakte. Ze hoorde en zag vervolgens dat verdachte voor de man ging staan en tegen hem zei: “Jij komt nog wel, Ik kom je opzoeken en dan zal je het nog wel merken wat er gebeurt.” Vervolgens zag en voelde ze dat verdachte met grote kracht met beide handen haar op haar borst duwde, waardoor zij met haar rug tegen de auto van de man aankwam, wat haar een pijnscheut opleverde. Naar haar inmiddels ter plaatse aangekomen collega’s [verbalisant 3] en [verbalisant 2] riep [verbalisant 1] toen dat verdachte aangehouden kon worden. Ze zag dat [verbalisant 2] probeerde verdachte aan te houden, maar dat hij zich aan zijn aanhouding onttrok en wegrende. Nadat [verbalisant 1] van [verbalisant 2] had gehoord dat hij bij verdachte pepperspray had gebruikt, zag ze dat verdachte opstond en weer weg wilde lopen.27 Op 21 december 2015 had [verbalisant 1] als gevolg van dit incident nog last van haar nek en haar rug.28

[slachtoffer] heeft over de gebeurtenissen op 17 december 2015 verklaard dat de breedste van de twee mannen zeer agressief naar hem was en hem hard naar achter duwde, waarbij die man zei: “Kanker… Ik ga je opzoeken, ik ga je vermoorden, ik weet je te vinden, ik weet je kenteken.” Terwijl hij dat zei, duwde de brede man [slachtoffer] meerdere malen met kracht naar achter tegen zijn auto aan, waardoor hij zich bedreigd en geïntimideerd voelde. Na het duwen maakte de brede man direct een foto van het kenteken van [slachtoffer] . Hierna kwam er een motoragente, die door de brede man met flinke kracht werd geduwd ter hoogte van haar borst.29

Verbalisant [verbalisant 2] , medewerker van politie Eenheid Den Haag, heeft over de aanhouding van verdachte gerelateerd dat hij verdachte had verteld dat hij aangehouden was en dat hij verdachte met beide handen bij zijn arm vastpakte. [verbalisant 2] voelde dat verdachte zich met kracht losrukte en wegliep. Ook nadat [verbalisant 2] verdachte had bespoten met pepperspray, rende verdachte weg. Toen [verbalisant 2] verdachte wilde boeien, trok verdachte met kracht zijn arm terug.30

Verdachte heeft bij de politie bekend dat hij zowel de man als de motoragente heeft geduwd en dat hij, nadat hij had gehoord dat hij was aangehouden, is weggerend.31

Ten aanzien van de bedreiging van [slachtoffer] heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Verdachte heeft immers bekend dat hij heeft geduwd, gescholden en een foto heeft gemaakt, maar ontkent dat hij heeft gedreigd. Onafhankelijke getuigen hebben alleen gehoord dat er iets is gezegd in de trant van “We zoeken je op” en “Wij komen je thuis opzoeken”, hetgeen onvoldoende bewijs voor bedreiging oplevert, aldus de verdediging. De rechtbank stelt allereerst vast dat de strekking van de woorden waarover aangever heeft verklaard en de woorden waarover [verbalisant 1] heeft gerelateerd met elkaar in overeenstemming is. Deze bewoordingen zijn reeds naar hun aard bedreigend, te meer gelet op de situatie waarin die woorden zijn geuit, namelijk in een verkeersruzie, waarbij aangever door twee jongere mannen op agressieve wijze is bejegend en waarbij verdachte aangever meermalen hard heeft geduwd. De rechtbank acht dan ook de bedreiging, zoals tenlastegelegd, wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van de mishandeling van [verbalisant 1] heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat is bepleit enkel ‘pijn’ en niet ook ‘letsel’ bewezen te achten. Gelet op de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, en in het bijzonder op het proces-verbaal van bevindingen, waaruit blijkt dat [verbalisant 1] vier dagen na de mishandeling nog last van haar nek en haar rug had, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verbalisant 1] ten gevolge van de mishandeling door verdachte niet alleen pijn, maar ook letsel heeft ondervonden.

Ten aanzien van het verzet tijdens de aanhouding heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Gelet op de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Al het bovenstaande leidt tot de volgende bewezenverklaring.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat:

Dagvaarding I:

1.

(ZD 2)

hij op 16 mei 2016 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, in een woning gelegen aan de [adres 2] , gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, weg te nemen een hoeveelheid hennepplanten, geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededaders, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming via een raam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Dagvaarding II:

1.

hij op 17 december 2015 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- die [slachtoffer] meermalen met kracht tegen de borst geduwd, en

- met zijn telefoon een foto gemaakt van het kenteken van de auto van die [slachtoffer] , en heeft hij hem, [slachtoffer] , de woorden heeft toegevoegd: "Kanker. Ik ga je opzoeken, ik ga je vermoorden, ik weet je te vinden, ik weet je kenteken" en/of "Jij komt nog wel. Ik kom je opzoeken en dan zal je nog wel merken wat er gebeurt.".

2.

hij op 17 december 2015 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] , gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, met kracht met beide handen tegen de borst heeft geduwd, waardoor zij met haar rug tegen een stilstaande auto aankwam, ten gevolge waarvan voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

3.

hij op 17 december 2015 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, toen een aldaar dienstdoende politieambtenaar (te weten [verbalisant 2] , medewerker bij politie Eenheid Den Haag) verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één op heterdaad ontdekt strafbaar feit, had aangehouden en had vastgegrepen, teneinde verdachte ter geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen eerstgenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft verzet door

- te rukken en/of te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaar verdachte trachtte te geleiden, en

- nadat die politieambtenaar hem, verdachte, met pepperspray bespoten had, weg te rennen van die ambtenaar, en

- zijn hand weg te trekken op het moment dat die politieambtenaar zijn handboeien om de pols van verdachte wilde slaan.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd (cursief weergegeven). Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

5.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 1 tenlastegelegde feit betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken, nu er sprake was van vrijwillige terugtred. Verdachte heeft immers samen met de anderen zelfstandig besloten om te stoppen en weg te gaan. Dat het stoppen mede is ingegeven door van buiten komende omstandigheden is niet relevant, aldus de raadsvrouw.

5.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat dit verweer geen doel treft. Daartoe heeft zij aangevoerd dat dit beroep alleen al dient te stranden op het feit dat deze vrijwillige terugtred gedurende het hele onderzoek niet is aangevoerd door verdachte zelf en hij nu ter zitting alleen heeft aangegeven te zijn gestopt, zonder verdere tekst en uitleg daarbij te geven. Daarna is het verweer slechts bij monde van zijn advocaat naar voren gebracht.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat een beroep op vrijwillige terugtred pas kan slagen indien vast komt te staan dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk. Daarbij is beslissend dat de vrijwillige terugtred het gevolg was van spontane besluitvorming aan de zijde van de verdachte en niet plaatsvond uitsluitend onder invloed van externe prikkels. Daarbij merkt de rechtbank volledigheidshalve op dat een voltooide poging een vrijwillige terugtred niet uitsluit.

Uit de hierboven onder 4.3.1 genoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte en zijn mededaders de intentie hadden om de hennepplanten weg te nemen. Dit blijkt onder meer uit het tapgesprek tussen verdachte en zijn broer waarin besproken wordt dat zij niet alleen willen gaan kijken, maar ook direct gaan pakken, het inklimmen van verdachte met een ander in de woning en de diverse andere gesprekken tussen verdachte en zijn broer waarin naar voren komt dat de hennepplanten nog te jong zijn en dat zij zeker nog twee weken moeten wachten. Wanneer de broer van verdachte bekend is geworden met het feit dat er op dat adres een nieuw slot is geplaatst, stuurt hij bovendien meteen de anderen aan om die dag alsnog het pand leeg te halen. Hij is op dat moment ook duidelijk gefrustreerd. Verdachte en zijn mededaders zijn dus niet alleen voorafgaand bezig met het “pakken” van de hennepplanten, maar ook achteraf. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachtes intentie om de hennepplanten weg te nemen op geen enkel moment is gewijzigd. Gelet op deze gang van zaken is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat verdachte is teruggetreden als gevolg van een omstandigheid van de wil van verdachte afhankelijk, maar dat het bij een poging is gebleven uitsluitend onder invloed van een externe prikkel, namelijk het feit dat de hennepplanten te jong waren. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsvrouw

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de in het dictum genoemde strafbare feiten op.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van twaalf maanden met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft zij gevorderd dat bij uitspraak de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om ten aanzien van dagvaarding I geen langere gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot dagvaarding II niet uitgelaten over een eventuele strafoplegging. Tot slot heeft zij zich verzet tegen de opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich, samen met zijn broer en een ander, schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak in een woning waar een hennepkwekerij zat. Dit is een ernstig en zeer hinderlijk feit. Bovendien veroorzaken dergelijke feiten veel maatschappelijke onrust en brengen een groot gevoel van onveiligheid teweeg. Dit blijkt eens te meer uit de melding die door een omwonende is gedaan. Zij heeft rond 03.30 uur halsoverkop en volledig in paniek haar woning verlaten toen zij een eerste man zag inklimmen. Vervolgens durfde zij niet meer terug te gaan. Door zo te handelen heeft verdachte schade teweeggebracht en overlast veroorzaakt. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Voorts heeft verdachte op 17 december 2015 samen met zijn broer op straat op agressieve wijze een oudere medeweggebruiker aangesproken op zijn rijgedrag, dat verdachte en zijn broer kennelijk niet beviel. Hierbij heeft verdachte deze medeweggebruiker meermalen geduwd, verbaal bedreigd en zijn kenteken gefotografeerd, wat de man als bedreigend heeft ervaren. Ook een te hulp geschoten motoragente is door verdachte op agressieve wijze bejegend en geduwd. Aan zijn aanhouding heeft verdachte zich vervolgens proberen te onttrekken, hetgeen ertoe heeft geleid dat verdachte moest worden bespoten met pepperspray en naar de grond werd gewerkt. Uit het proces-verbaal en de toelichting op haar vordering als benadeelde partij is gebleken dat de motoragente van de duw nog enige tijd fysiek last heeft gehad. De medeweggebruiker heeft, uit angst voor represailles, een andere auto aangeschaft. Van deze gebeurtenissen zijn diverse mensen tegen wil en dank getuige geweest en twee daarvan hebben, eveneens uit angst voor represailles, hun verklaring ingetrokken. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij, als hem kennelijk iets niet bevalt, er niet voor terugdeinst geweld te gebruiken.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte, gedateerd 1 september 2017. Hieruit blijkt dat verdachte reeds veelvuldig met politie en justitie in aanraking is gekomen, waaronder meerdere malen voor soortgelijke feiten. Hiervoor heeft verdachte verschillende gevangenisstraffen uitgezeten, welke hem er kennelijk niet van hebben weerhouden andermaal de fout in te gaan. Dit weegt de rechtbank ten nadele van verdachte mee bij de straftoemeting.

Uit een voortgangsrapport van de reclassering d.d. 26 september 2017 blijkt dat hoewel verdachte niets met de reclassering te maken wilde hebben, hij wel de gemaakte afspraken nakwam. Ter terechtzitting is gebleken dat verdachte geen waarde hecht aan de mogelijke hulp die de reclassering kan bieden en bovendien geen vertrouwen heeft in deze instantie.

De rechtbank acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden passend en geboden. De rechtbank ziet geen aanleiding om over te gaan tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

8 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[verbalisant 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 266,-, vermeerderd met de wettelijke rente, bestaande uit immateriële schade.

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in haar geheel dient te worden toegewezen.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht deze vordering als vergoeding ter zake van immateriële schade gedeeltelijk toewijsbaar, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het bij dagvaarding II onder feit 2 bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal naar billijkheid een bedrag van € 150,- toewijzen. De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 17 december 2015 is ontstaan.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen.

Dit brengt mee dat verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bij dagvaarding II onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 150,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 december 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [verbalisant 1] .

9 De inbeslaggenomen goederen

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (hierna: beslaglijst) onder 1 en 3 genummerde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard en dat het onder 2 genummerde voorwerp zal worden teruggegeven aan de rechthebbende, te weten de Nationale Politie.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat alle inbeslaggenomen goederen dienen te worden geretourneerd aan verdachte.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien dit aan verdachte toebehorende voorwerp bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten, dan wel de feiten waarvan hij wordt verdacht, is aangetroffen, terwijl het voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. Bovendien is de inhoud van dit in beslag genomen boekje van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Ten aanzien van het onder 2 genummerde voorwerp op de beslaglijst overweegt de rechtbank als volgt. Dit voorwerp betreft een stukje papier uit één van de politiesystemen. Het belang van strafvordering verzet zich niet meer tegen de teruggave en de rechtbank zal de teruggave dan ook gelasten aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon/instelling, te weten de Nationale Politie, Eenheid Den Haag.

Voorts zal de rechtbank het op de beslaglijst onder 3 genummerde voorwerp verbeurdverklaren, nu met behulp van dit voorwerp het bij dagvaarding I onder 1 bewezenverklaarde feit is begaan en voorbereid.

10 De vordering tenuitvoerlegging

10.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot tenuitvoerlegging van het bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 4 april 2012 voorwaardelijk opgelegde deel van de gevangenisstraf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat tenuitvoerlegging niet mogelijk is, nu de Hoge Raad de straf in cassatie heeft gewijzigd.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht redenen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 8 juli 2016 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij (na partiële vernietiging door de Hoge Raad op 10 juni 2014) onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof te Den Haag d.d. 4 april 2012, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld arrest was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

Nu blijkens het door de raadsvrouw overgelegde schrijven de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf door de Hoge Raad niet is gewijzigd, ziet de rechtbank geen aanleiding om de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen.

11 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14g, 24, 24c, 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 45, 57, 63, 180, 285, 300, 304 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

12 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bij dagvaarding I onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bij dagvaarding I onder 1 en bij dagvaarding II onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan op de wijze zoals hierboven onder 4.4 is omschreven, en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I, feit 1:

poging tot diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming;

ten aanzien van dagvaarding II, feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van dagvaarding II, feit 2:

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

ten aanzien van dagvaarding II, feit 3:

wederspannigheid;

verklaart het bewezen verklaarde en verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte en wijst af de vordering van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [verbalisant 1] , een bedrag van € 150,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 december 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 150,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 december 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [verbalisant 1] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 3 (drie) dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten: 1.00 STK Administratie, groen;

gelast de teruggave aan de Nationale Politie, Politie Eenheid Den Haag, van het op de beslaglijst onder 2 genummerde voorwerp, te weten: 1.00 STK Administratie, stukje papier uit politiesysteem;

verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 3 genummerde voorwerp, te weten: 1.00 STK Telefoontoestel, wit, Samsung;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld arrest van het Gerechtshof te Den Haag d.d. 4 april 2012, gewezen onder parketnummer 22/002197-11, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.A.C. Koster, voorzitter,

mr. E.M.A. Vinken, rechter,

mr. R.E. Perquin, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. T. Ketelaars, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 oktober 2017.

Bijlage I (de tenlasteleggingen):

Dagvaarding I:

1.

(ZD 2)

hij op of omstreeks 16 mei 2016 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 2] , gedurende de voor de

nachtrust bestemde tijd, weg te nemen een hoeveelheid hennep(planten), althans enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die weg te nemen hennep(planten), althans dat goed onder zijn/hun bereik te brengen door middel van inklimming via een raam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid (rechtbank: ter terechtzitting van 9 september 2016 aangemerkt als kennelijke verschrijving).

2.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 29 april 2016 tot en met 14 juni 2016 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenis van acht jaren of meer is gesteld, te weten diefstal met braak

en/of verbreking en/of inklimming, in vereniging, in/uit een woning gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, opzettelijk een (peil)baken en/of schaartjes en/of portofoons en/of een auto en/of navigatiesystemen en/of telefoons bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad.

3.

(ZD 10)

hij in of omstreeks de periode van 20 juli 2015 tot en met 1 juni 2016 te Nieuwerkerk aan den IJssel, gemeente Zuidplas en/of Waddinxveen en/of Moordrecht, gemeente Zuidplas en/of 's-Gravenhage en/of Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen,

te weten (in ieder geval) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 4] welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- omkoping van ambtenaren (art. 177 Sr.) en/of

- opzettelijke schending van wettelijke geheimhoudingsplichten/beroeps- of ambtsgeheimen (art. 272 Sr.) en/of

- passieve ambtelijke omkoping tot ongeoorloofde prestatie (art. 363 Sr.) en/of

- ( gekwalificeerde) diefstal (art. 310 en/of 311 Sr.) en/of

- verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van hennep (art. 3 onder B en/of C Opiumwet).

Dagvaarding II:

1.

hij op of omstreeks 17 december 2015 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- die [slachtoffer] (meermalen) met kracht tegen de borst geduwd en/of

- met zijn telefoon een foto gemaakt van het kenteken van de auto van die [slachtoffer] , waarna hij hem, [slachtoffer] , de woorden heeft toegevoegd: "Kanker. Ik ga je opzoeken, ik ga je vermoorden, ik weet je te vinden, ik weet je kenteken" en/of "Jij komt nog wel. Ik kom je opzoeken en dan zal je nog wel merken wat er gebeurt," althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

2.

hij op of omstreeks 17 december 2015 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg,, opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, (met kracht) met beide handen tegen de borst heeft geduwd, waardoor zij met haar rug tegen een stilstaande auto aankwam, ten gevolge waarvan voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3.

hij op of omstreeks 17 december 2015 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, toen een aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaar (te weten [verbalisant 2] , aspirant bij politie Eenheid Den Haag) verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op

heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en), had aangehouden en had vastgegrepen, althans vast had, teneinde verdachte ter geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen eerstgenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft verzet door

- te rukken en/of te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaar verdachte trachtte te geleiden en/of

- ( nadat die politieambtenaar hem, verdachte, met pepperspray bespoten had), weg te rennen van die ambtenaar en/of

- zijn hand(en) weg te trekken op het moment dat die politieambtenaar zijn handboei(en) om de pols(en) van verdachte wilde slaan.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 20150080, van de Rijksrecherche, onderverdeeld in verschillende zaaksdossiers (dagvaarding I), dan wel pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2015373636 Z, van de Politie Eenheid Den Haag, met bijlagen, doorgenummerd blz. 1-52 (dagvaarding II).

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 mei 2016, Algemeen Dossier, p. 192-194; proces-verbaal van relaas ‘PF 24-01-2017, map I’ p. 7; proces-verbaal van proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 1 juni 2016 p. 108-109 met bijlage “inbeslaggenomen goederen” p. 110.

3 Een geschrift, te weten een uitgeschreven tapgesprek, ZD 2, p. 24.

4 Proces-verbaal van identificatie [verdachte] d.d. 24 mei 2016, ‘proces-verbaal tbv pro forma 14 november 2016’, p 22-24.

5 Proces-verbaal van bevindingen naluisteren tapgesprekken d.d. 19 juli 2016, ZD 2, p. 210-218 met bijlagen.

6 Proces-verbaal stemherkenning en identificatie [medeverdachte 2] d.d. 2 mei 2016, ZD 1, p. 75-78.

7 Een geschrift, te weten een uitgeschreven tapgesprek d.d. 15 mei 2016, ZD 2, p. 23.

8 Geschriften, te weten twee uitgeschreven tapgesprekken d.d. 16 mei 2016, ‘aanvullingen zaaksdossiers’, ZD 2, p.302 en 303.

9 Een geschrift te weten een uitgeschreven tapgesprek d.d. 16 mei 2016, ‘aanvullingen zaaksdossiers’, ZD 2, p. 293.

10 Een geschrift, te weten een uitgeschreven tapgesprek d.d. 16 mei 2016, ZD 2, p. 25.

11 Een geschrift, te weten een uitgeschreven tapgesprek d.d. 16 mei 2016, ZD 2, p. 235.

12 Een geschrift, te weten een uitgeschreven tapgesprek d.d. 16 mei 2016, ZD 2, p. 235; een geschrift, te weten een printlijst inclusief paalgegevens, ‘aanvullingen zaaksdossiers’, ZD 2, p. 327-329.

13 Drie geschriften, te weten drie uitgeschreven tapgesprekken, ZD 2, p. 26, 27 en 28; een geschrift te weten een printlijst inclusief paalgegevens, ‘aanvullingen zaaksdossiers’, ZD 2, p. 327-329.

14 Een geschrift, te weten een uitgeschreven tapgesprek d.d. 15 mei 2016, ZD 2, p. 26.

15 Een geschrift, te weten een uitgeschreven tapgesprek d.d. 16 mei 2016, ZD 2, p. 27.

16 Een geschrift, te weten een uitgeschreven tapgesprek d.d. 16 mei 2016, ZD 2, p. 29.

17 Een mutatierapport d.d. 16 mei 2016, ZD 2, p. 31-34.

18 Een proces-verbaal van relaas d.d. 20 mei 2016, ZD 2, p. 19-20; een proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 mei 2016, ZD 2, p. 43.

19 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 mei 2016, ZD 2, p. 47.

20 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 juni 2016, ZD 2, p. 193 (tekst en afgebeelde foto).

21 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 juni 2016, ZD 2, p. 194 (afgebeelde foto).

22 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 juli 2016, ZD 2, p. 219-222; een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 1 juni 2016, Beslagdossier, p. 108-109 met bijlage “inbeslaggenomen goederen” p. 110-111.

23 Een geschrift, te weten een uitgeschreven tapgesprek d.d. 21 mei 2016, ZD 2, p. 199.

24 Een geschrift, te weten een uitgeschreven tapgesprek d.d. 21 mei 2016, ‘aanvulling PF 24-01-2017’, p. 8.

25 Een geschrift, te weten een uitgeschreven tapgesprek d.d. 21 mei 2016, ‘aanvulling PF 24-01-2017’, p. 9.

26 Een geschrift, te weten een uitgeschreven tapgesprek d.d. 21 mei 2016, ‘aanvulling PF 24-01-2017’, p. 10.

27 Proces-verbaal aangifte verbalisant [verbalisant 1] , d.d. 17 december 2015, p. 31-32.

28 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 december 2015, p. 36.

29 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer] , d.d. 17 december 2015, p. 27-29.

30 Proces-verbaal aanhouding d.d. 17 december 2015, p. 11.

31 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 december 2015, p. 45-47.