Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12048

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-10-2017
Datum publicatie
24-10-2017
Zaaknummer
09/797468-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dodelijk verkeersongeval; vrijspraak van artikel 6 subsidiair artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/797468-16

Datum uitspraak: 24 oktober 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 10 oktober 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M. Ariese en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. B.J. de Bruijn, advocaat te Den Haag, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 juli 2016 te Maasland, gemeente Midden-Delfland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (racefiets), daarmede rijdende over de weg, (het fietspad van) de Trekkade, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen:

hij, verdachte aldaar,

- heeft gereden op een smal fietspad met een snelheid van ongeveer 28 kilometer per uur, althans met een gelet op de verkeersveiligheid en/of verkeersituatie ter plaatse te hoge snelheid, immers werd het zicht (ernstig) belemmerd door de bosschages en bomen en het afbuigende fietspad en/of (vervolgens)

- onvoldoende rechts heeft gehouden en/of op korte afstand achter een of meer voor hem rijdende fietsers heeft gereden en zich er niet, althans onvoldoende van heeft vergewist dat voor hem op dezelfde weg verkeer zou kunnen bevinden en/of (vervolgens)

- zijn snelheid en/of zijn positie op de weg niet zodanig heeft aangepast dat hij tijdig tot stilstand kon komen, althans voldoende naar rechts kon uitwijken tengevolge waarvan hij met zijn racefiets frontaal tegen een hem tegemoetkomende fietser is gebotst waardoor die fietser op de betonnen kaderand ten val is gekomen en (vervolgens) in het water terecht is gekomen, waardoor een ander te weten die fietser (genaamd [naam] ) werd gedood;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 juli 2016 te Maasland, gemeente Midden-Delfland, als bestuurder van een voertuig (racefiets), daarmee rijdende op de weg, (het fietspad van) de Trekkade, als volgt heeft gehandeld:

hij, verdachte aldaar,

- heeft gereden op een smal fietspad met een snelheid van ongeveer 28 kilometer per uur, althans met een gelet op de verkeersveiligheid en/of verkeersituatie ter plaatse te hoge snelheid, immers werd het zicht (ernstig) belemmerd door de bosschages en bomen en het afbuigende fietspad en/of (vervolgens)

- daarbij onvoldoende rechts heeft gehouden en/of op korte afstand achter een of meer voor hem rijdende fietsers heeft gereden en zich er niet, althans onvoldoende van heeft vergewist dat voor hem op dezelfde weg verkeer zou kunnen bevinden en/of (vervolgens)

- zijn snelheid en/of zijn positie op de weg niet zodanig heeft aangepast dat hij tijdig tot stilstand kon komen, althans voldoende naar rechts kon uitwijken tengevolge waarvan hij met zijn racefiets frontaal tegen een hem tegemoetkomende fietser is gebotst waardoor die fietser op de betonnen kaderand ten val is gekomen en (vervolgens) in het water terecht is gekomen, waardoor een ander te weten die fietser (genaamd [naam] ) werd gedood, door welke gedraging(en) van ver, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Op 28 juli 2016 is verdachte met zijn Look-racefiets op de Trekkade te Maasland, gemeente Midden-Delfland in aanraking gekomen met een tegemoetkomende bestuurder van een elektrische Koga-fiets, de toen 81-jarige [het slachtoffer] , als gevolg waarvan [het slachtoffer] is overleden. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of dit ongeval aan de schuld van verdachte is te wijten als bedoeld in artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), dan wel (subsidiair) of verdachte gevaar of hinder heeft veroorzaakt op de weg.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit kan worden bewezen, nu sprake is van aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 6 WVW aan de zijde van verdachte. Daartoe heeft hij, kort gezegd, aangevoerd dat verdachte, die niet ter plaatse bekend was, rekening had kunnen en moeten houden met eventuele tegenliggers en zijn snelheid en positie op de weg zodanig had moeten aanpassen dat die hem ongehinderd konden passeren.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat integrale vrijspraak moet volgen. Hij heeft daartoe, kort gezegd, aangevoerd dat het niet aan de schuld van verdachte is te wijten dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden. De breedte van het fietspad zou geen probleem geweest moeten zijn. Voorts lijkt de afstand van verdachte op zijn voorganger geen oorzaak te zijn van het ongeluk. Verder werd er voor een wielrenner niet al te hard gereden, terwijl er aandacht was voor de verkeersveiligheid. Ook is onduidelijk wat de handelingen van het slachtoffer zelf zijn geweest. Het is onvoldoende duidelijk geworden door welke gedragingen het ongeval heeft plaatsgevonden. Meerdere scenario’s zijn mogelijk, waaronder een tijdelijke onoplettendheid van één van de partijen, aldus de raadsman.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Inleiding

Vaststaat dat er op 28 juli 2016 een tragisch verkeersongeval heeft plaatsgevonden op de Trekkade in Maasland. Bij dat ongeval zijn verdachte en [het slachtoffer] met elkaar in botsing gekomen en is [het slachtoffer] te water geraakt. Verdachte en zijn vrienden hebben [het slachtoffer] uit het water gehaald en zij hebben getracht hem te reanimeren. Dat mocht niet baten. Bij [het slachtoffer] is een schedelbasisfractuur vastgesteld als gevolg van een harde val, waarbij hij met het achterhoofd de kaderand heeft geraakt. [het slachtoffer] is als gevolg hiervan overleden. Dit is een zeer treurige gebeurtenis voor de nabestaanden van [het slachtoffer] , die plotseling zijn geconfronteerd met het verlies van een dierbare. Zoals tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren is gekomen, heeft het ongeval ook zijn sporen nagelaten bij verdachte, die dit ongeval en deze afloop niet heeft gewenst.

De rechtbank dient te vraag te beantwoorden of verdachte (desalniettemin) een verwijt kan worden gemaakt van het ongeval in de zin van artikel 6 WVW, dan wel artikel 5 WVW. Dit verwijt kan niet worden afgeleid uit het gevolg. Met andere woorden, de omstandigheid dat [het slachtoffer] is overleden betekent niet zonder meer dat verdachte in juridische zin schuld heeft aan het ongeval. Aan de hand van alle omstandigheden van het geval zal moeten worden beoordeeld of daarvan sprake is, waarbij dient te worden uitgegaan van de verwijten zoals geformuleerd in de tenlastelegging.

De omstandigheden van het ongeval

Uit het dossier zijn de volgende omstandigheden gebleken. Verdachte reed als bestuurder van de Look-fiets - zijnde een racefiets - samen met drie andere racefietsers op de Trekkade, komende uit de richting van het Trekkadepad en gaande in de richting van de Oude Veiling te Maasland. [het slachtoffer] heeft als bestuurder van de Koga-fiets, kort voor de confrontatie met de Look-fiets, de rijbaan van de Trekkade bereden, komende uit de richting van de Oude Veiling en gaande in de richting van het Trekkadepad te Maasland.

De Trekkade bestaat ter plaatse van de aanrijding uit één rijbaan bestemd voor twee rijrichtingen. Gezien vanuit de rijrichting van de Koga-fiets boog de rijbaan direct over de brug naar links af. Aan de rechterzijde van de rijbaan bevond zich een smalle groenstrook met daarnaast water (de Noordvliet). Aan de linkerzijde van de rijbaan waren bosschages en bomen gesitueerd die in combinatie met de afbuigende rijbaan nadelig van invloed zijn op het zicht. Op de Trekkade was in het geheel geen belijning aanwezig. De rijbaanbreedte (inclusief klinkers) bedroeg 2,30 meter. De toegestane maximumsnelheid op de Trekkade bedraagt 30 kilometer per uur.

Uit de verkeersongevalsanalyse en de diverse getuigenverklaringen blijkt dat verdachte kort voor de botsing met de Koga-fiets met een snelheid van circa 28 km/u reed en dat de botssnelheid van de Look-fiets 26 km/h bedroeg.

Verdachte en de drie personen met wie hij die dag aan het fietsen was, namelijk [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] , hebben allen een verklaring afgelegd over het ongeval.

[getuige 2] heeft verklaard dat hij kort voor het ongeval voorop reed. Hij zag dat er een tegenligger aan kwam rijden. Dit was een fietser. Hij kon niet door de bocht kijken. Hij zag de fietser pas toen hij net in de bocht zat. Hij riep hierop ‘‘tegen’’. Toen hij dat had geroepen was de fietser bijna ter hoogte van hem. Nadat de fietser hem was gepasseerd hoorde hij een harde klap. Ze reden in geschakelde formatie. De onderlinge afstand was ongeveer 30 cm.

[getuige 3] heeft verklaard dat, omdat er een onoverzichtelijke bocht met een heg en bomen voor hen lag die hen het zicht in de bocht ontnam, zij hun positie op dat moment aan het veranderen waren, zodat ze achter elkaar zouden fietsen. [getuige 2] ging als eerste fietsen en [getuige 3] ging als tweede fietsen. Hij weet niet of verdachte en [getuige 1] ook al achter elkaar aan het fietsen waren toen zij de bocht naderden. In zijn tweede verklaring heeft hij verklaard dat hij, toen hij de tegenligger zag, in versprongen formatie reed.

[getuige 1] heeft verklaard dat ze twee aan twee achter elkaar fietsen in de richting van Maasland. Vlak voor dat het fietspad stopte, hoorde hij dat [getuige 2] een commando gaf van “tegen”, waardoor hij wist dat er een tegenligger naderde. Ze reageerden hier allemaal op en toen bemerkte hij dat verdachte naast hem weg was. Hij dacht dat verdachte achter hem ging fietsen, maar hij hoorde ook een klap. In zijn tweede verklaring heeft [getuige 1] verklaard dat verdachte ten tijde van de aanrijding achter hem reed. Hij weet niet of verdachte schuin achter hem reed.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de aanwezige bosschages en bomen hem niet hebben belemmerd in zijn zicht en dat dit niet de oorzaak is geweest van het ontstaan van de botsing. Naar zijn mening had de botsing niet voorkomen kunnen worden, omdat de bestuurder van de Koga-fiets op het moment dat er door de voorste wielrenner ( [getuige 2] ) ‘tegen’ werd geroepen al ter hoogte van de wielrengroep was. Volgens verdachte zijn er van tevoren afspraken gemaakt hoe er gefietst zou worden en wat de commando’s zouden zijn bij (bijvoorbeeld) tegemoetkomend verkeer. Verdachte heeft voorts verklaard dat de wielrengroep in een licht versprongen formatie reed en dat zij, toen er door de voorste wielrenner ‘tegen’ werd geroepen, in versprongen formatie en uiterst rechts zijn gaan rijden. Verdachte kan zich niet meer goed herinneren op welk moment dit precies gebeurde.

Conclusie

De rechtbank overweegt dat uit het bovenstaande volgt dat een aantal omstandigheden niet kan worden vastgesteld, terwijl uit de omstandigheden die wel kunnen worden vastgesteld niet volgt dat daardoor het ongeval is veroorzaakt.

Bij een botsing als de onderhavige, waarbij tegenliggers op elkaar zijn gebotst, is in het bijzonder relevant wáár op de weg die beide bestuurders reden ten tijde van de botsing. Er bestaat immers in principe geen risico op een botsing, als ieder op zijn eigen weghelft rijdt. Er kan echter niet worden vastgesteld wat de positie van verdachte was op de rijbaan op het moment van de botsing. De getuigenverklaringen en de verklaring van verdachte wijzen erop dat verdachte niet naast [getuige 1] reed, maar achter hem dan wel schuin achter hem. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat verdachte onvoldoende rechts zou hebben gehouden. Ook is onduidelijk gebleven wat de positie was van [het slachtoffer] op de weg ten tijde de botsing en daarmee of die positie heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Met andere woorden, niet kan worden uitgesloten dat [het slachtoffer] onvoldoende rechts heeft gehouden.

Het staat wel vast dat verdachte ongeveer 28 kilometer per uur reed ten tijde van het ongeval. Het is echter niet gebleken dat hierdoor het ongeval (mede) is veroorzaakt. Voorts zijn er wel aanwijzingen dat verdachte relatief kort op zijn voorligger reed, maar dat die omstandigheid zou hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval, is evenmin gebleken.

Concluderend is onvoldoende duidelijk geworden hoe het ongeval heeft kunnen plaatsvinden. Aldus kan naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard of en zo ja, in hoeverre verdachte ter zake van het ontstaan van de botsing verwijtbaar onvoorzichtig heeft gehandeld en daarmee een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt. Dit betekent dat verdachte van het primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt ook met zich, dat het subsidiair tenlastegelegde niet kan worden bewezen. Er kan, ook gelet op de wijze van tenlastelegging, uitsluitend worden vastgesteld dat verdachte met een snelheid van circa 28 kilometer per uur heeft gereden en hij op relatief korte afstand van degene voor hem heeft gereden. Zonder een nadere feitelijke concretisering van de omstandigheden van het geval ter plaatse, volgt daaruit niet dat sprake was van enig concreet gevaar of hinder.

De rechtbank begrijpt dat het onbevredigend kan zijn dat achteraf niet kan worden vastgesteld hoe het ongeval precies heeft kunnen plaatsvinden. De wel gebleken feiten en omstandigheden laten echter de mogelijkheid open dat sprake is van een noodlottig ongeval, zonder dat sprake is van een strafrechtelijk verwijt.

4 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.E. Alink, voorzitter,

mr. M. Rootring, rechter,

mr. J. Montijn, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.M.M. van den Hoek, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 oktober 2017.