Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1201

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-02-2017
Datum publicatie
23-02-2017
Zaaknummer
C/09/494738 / FA RK 15-6489
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

(omgekeerde) onaanvaardbaarheidscorrectie uit Chelouche/Van Leer; het via de aanknopingsladder bereikte toepasselijke recht (Engels recht) op de verdeling vindt geen toepassing omdat dit tot onaanvaardvare gevolgen leidt, dus toch Nederlands recht

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 100
Burgerlijk Wetboek Boek 1 102
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 182
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2017/45
FJR 2017/72.9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 15-6489 (scheiding) / FA RK 16-2523 (verdeling)

Zaaknummer: C/09/494738 (scheiding) / C/09/508410 (verdeling)

Datum beschikking: 10 februari 2017

Scheiding

Beschikking op het op 17 augustus 2015 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,

thans verblijvende in [verblijfplaats] ,

advocaat: mr. K.M. Lans te Bilthoven.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: voorheen mr. N.P.J.M. Kreté-Marres te ’s-Gravenhage, thans mr. A. J. van Steensel te ’s-Gravenhage.

Procedure

Bij beschikking van 29 juli 2016 van deze rechtbank is:

  • -

    de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;

  • -

    een door de man te betalen partneralimentatie van € 6.680,- bruto per maand bepaald;

  • -

    het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw toegekend;

  • -

    bepaald dat de beslissing ter zake van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en de proceskosten wordt aangehouden en dat de behandeling van deze verzoeken zal worden voortgezet ter terechtzitting van

11 januari 2017 om 15.30 uur.

De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:

  • -

    de brief d.d. 23 december 2016, met bijlagen, van de zijde van de man, tevens aanvullend verzoekschrift;

  • -

    de brief d.d. 29 december 2016, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief d.d. 30 december 2016, met bijlagen, van de zijde van de man;

  • -

    de brief d.d. 9 januari 2017, met bijlage, van de zijde van de man, tevens aanvullend verzoekschrift;

  • -

    de brief d.d. 10 januari 2017, met bijlagen, van de zijde van de vrouw.

Op 11 januari 2017 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten. Van de zijde van de man en de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

Verdeling huwelijksgemeenschap

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot verdeling van de gemeenschap.

Ten tijde van de huwelijkssluiting had de man de Nederlandse nationaliteit en de vrouw de Hongaarse. Zij heeft op 1 februari 1999 de Nederlandse nationaliteit verkregen. Nu door de man, noch door de vrouw is gesteld dat zij hun vermogensrechtelijke verhouding ten tijde van de huwelijkssluiting geregeld hebben door het recht aan te wijzen waaraan deze onderworpen is, en zij voorts geen gemeenschappelijke nationaliteit bezaten ten tijde van de huwelijkssluiting dan wel kort daarna, is (op grond van de aanknopingsladder uit de uitspraak van de Hoge Raad van 10 december 1976, NJ 1977/275 m. nt. JCS (Chelouche/Van Leer) de eerste huwelijksdomicilie bepalend voor het tussen de echtgenoten geldende huwelijksvermogensregime.

Op grond van de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting komt de rechtbank tot het oordeel dat het eerste huwelijksdomicilie van de echtgenoten in Engeland is gelegen. Partijen zijn op [datum huwelijk] te [Nederland] gehuwd. Op dat moment bestond bij partijen reeds het plan om naar [Engeland] (Engeland) te gaan, alwaar de man een (tijdelijke) functie (voor maximaal drie jaar) zou gaan vervullen op uitzendbasis vanuit zijn dienstverband bij de Nederlandse overheid. De man was al voor het huwelijk – namelijk in februari 1991 – door de ministerraad benoemd voor deze functie. Verder is gebleken dat de man zijn huurwoning in [plaats] bij brief van 21 april 1991 heeft opgezegd per 31 mei 1991. Vast staat dat partijen enkele weken na het huwelijk naar [Engeland] zijn gegaan en dat zij daar een (eerste) appartement hebben gehuurd voor de periode van 15 mei tot en met 15 juni 1991. De vrouw stelt dat partijen zich vanaf dat moment definitief in [Engeland] hebben gevestigd, terwijl de man stelt dat partijen in die periode meerdere malen heen en weer zijn gereisd tussen Nederland en Engeland, omdat zij wegens het onverwachte overlijden van de vader van de man – daags na hun trouwdag - twijfelden of zij hun plan om naar Engeland te gaan nog zouden kunnen uitvoeren.

De rechtbank stelt in dit kader vast dat partijen voor de periode van 15 mei tot en met 15 juni 1991 een tijdelijk huurcontract en vanaf 31 mei 1991 een huurcontract voor een jaar voor een woning in [Engeland] hebben getekend. Bovendien is in die periode een deel van de inboedel naar [Engeland] overgebracht. De rechtbank ziet hierin voldoende aanknopingspunten om te oordelen dat het eerste huwelijksdomicilie van partijen in Engeland is gelegen. Partijen hebben zich immers binnen zes maanden na de huwelijkssluiting in Engeland gevestigd en hebben daar vervolgens tot 1993 gewoond.

Dat het eerste huwelijksdomicilie van partijen is gelegen in Engeland, zou betekenen dat het tussen partijen geldende huwelijksvermogensregime wordt beheerst door het Engelse recht.

De man heeft een beroep gedaan op de (omgekeerde) onaanvaardbaarheidscorrectie uit het arrest van de Hoge Raad van 10 december 1976, NJ 1977/275 m. nt. JCS (Chelouche/Van Leer), in die zin dat het via de aanknopingsladder bereikte toepasselijke recht geen toepassing moet vinden als dit tot onaanvaardbare gevolgen leidt.

De rechtbank is met de man van oordeel dat in dit geval de toepasselijkheid van het Engelse recht – en daarmee van de volledige scheiding van goederen – onaanvaardbaar moet worden geacht. De man heeft onweersproken gesteld dat partijen gedurende het hele huwelijk er vanuit zijn gegaan dat tussen hen naar Nederlands recht een gemeenschap van goederen bestaat. De vrouw heeft aanvankelijk in deze procedure ook nog dit standpunt ingenomen. Gelet hierop gaat de rechtbank hier dus vanuit. Door de man is ook onweersproken gesteld dat partijen toentertijd bewust in Nederland, in gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Hier zou bewust voor gekozen zijn omdat de vrouw haar dienstverband en leefomgeving in Hongarije had opgegeven en omdat partijen wilden bereiken dat de vrouw ook kon meedelen nu alleen de man met zijn carrière verder zou gaan. Bovendien is de periode in Engeland beperkt geweest gelet op de gehele duur van het huwelijk terwijl ook in die periode de band met Nederland is gebleven nu de man uitgezonden is geweest als vertegenwoordiger van de Nederlandse overheid en hij ook in dienst is gebleven als Nederlands ambtenaar. Dit alles brengt mee dat de rechtbank in dit geval (toch) Nederlands recht van toepassing acht op het huwelijksvermogensregime van partijen en dat derhalve – nu gesteld nog gebleken is dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt – gelet op het bepaalde in artikel 1:93 BW moet worden aangenomen dat tussen partijen een gemeenschap van goederen bestaat.

Omvang huwelijksgoederengemeenschap

De te verdelen huwelijksgoederengemeenschap zou volgens partijen uit de volgende bestanddelen bestaan:

a. de echtelijke woning gelegen te [adres] , met de daarop rustende hypothecaire geldleningen bij Direktbank Woninghypotheken ten bedrage van € [bedrag] (leningnummer [nummer] ) en

€ [bedrag] (leningnummer [nummer] ) en de daaraan gekoppelde polissen (garantieverzekeringen) bij ASR Levensverzekering N.V. (polisnummers [nummer] en [nummer] );

de spaarverzekering bij Reaal Levensverzekering (polisnummer [nummer] );

het Ohra Nabestaanden Plan (polisnummer [nummer] );

de ING Betaalrekening met [nummer] op naam van beide partijen;

de ING Profijtrekening met [nummer] op naam van beide partijen;

de ING Bonusrenterekening met [nummer] op naam van beide partijen;

de ING Betaalrekening met [nummer] op naam van de man;

de ING Spaarloonrekening met rekeningnummer [nummer] op naam van de man;

de ING Betaalrekening met [nummer] op naam van de vrouw;

de auto merk Volvo met kenteken [nummer] ;

de auto merk Subaru Outback [nummer] ;

de inboedelgoederen;

de erfenis van de vader van de vrouw;

de schuld aan Directa van € [bedrag] ;

de creditcardschulden van € [bedrag] ;

de schuld aan de Belastingdienst van € [bedrag] .

Peildatum

Als peildatum voor de waardering van de bestanddelen van de huwelijksgemeenschap geldt 17 augustus 2015.

Ad a: de echtelijke woning, de hypothecaire geldleningen en de ASR-polissen

De vrouw heeft verzocht de woning aan haar toe de delen voor een waarde van € [bedrag] onder vergoeding van de helft van de waarde aan de man en onder ontslag van de man uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen. De vrouw stelt dat zij de man in dat geval wegens overbedeling een bedrag van € [bedrag] verschuldigd is, bestaande uit de helft van € [bedrag] minus de hypothecaire geldleningen van in totaal

€ [bedrag] minus een fiscale boete bij aflossen van € [bedrag] .

De rechtbank gaat ervan uit – alle feiten en omstandigheden beziend – dat de vrouw de woning niet kan overnemen onder ontslag van de man uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw uitgaat van een te laag bedrag dat zij aan de man verschuldigd zou zijn wegens overbedeling. De vrouw baseert de waarde van de woning van € [bedrag] op een in haar opdracht uitgevoerde waardebepaling uit augustus 2015, kennelijk vanwege de veronderstelling dat de peildatum omvang gelijk is aan de peildatum voor de waardering. Dit laatste is niet juist. De peildatum voor de waardering zou op zijn vroegst op heden bepaald kunnen worden en zoals ook door de man is aangevoerd is het aannemelijk dat de woning in deze periode in waarde is gestegen. Daarnaast houdt de vrouw rekening met een aan de belastingdienst verschuldigde boete die mede ten laste van de man zou moeten komen. Dit is ten onrechte, reeds omdat inmiddels een dergelijke boete niet meer verschuldigd is aangezien de 15-jaarstermijn is overschreden, met als gevolg dat de vrouw een hoger bedrag aan de man dient te betalen.

Overigens heeft de vrouw op geen enkele wijze onderbouwd dat zij financieel in staat is om de woning over te nemen onder vergoeding van de helft van de waarde aan de man. De vrouw ontvangt op dit moment de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie, maar aannemelijk is dat dit bedrag naar beneden zal worden bijgesteld in de thans aanhangige hoger beroepsprocedure. De rechtbank heeft de draagkracht van de man immers berekend op basis van zijn salaris en een deel van de door hem ontvangen buitenlandvergoedingen. Nu de man niet langer in het buitenland verblijft en het dienstverband van de man binnenkort zal worden beëindigd, zal zijn inkomen vermoedelijk verminderen. De stelling van de vrouw dat de man een ontslagvergoeding zal ontvangen waarmee hij zijn inkomen zal kunnen aanvullen is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om ervan uit te gaan dat de partneralimentatie ongewijzigd zal blijven.

Nu, gelet op het voorgaande in onderlinge samenhang bezien, naar het oordeel van de rechtbank niet is gebleken dat de vrouw de woning kan overnemen, zal de rechtbank bepalen dat de woning aan een derde verkocht dient te worden. De rechtbank zal bepalen dat de over- dan wel onderwaarde (dat wil zeggen de verkoopprijs van de woning, na aflossing van de twee hierop rustende hypothecaire leningen en na aftrek van de verkoopkosten) bij helfte dient te worden verdeeld. Tevens zal de rechtbank bepalen dat de twee aan de hypothecaire leningen gekoppelde ASR-polissen (garantieverzekeringen) dienen te worden afgekocht en dat ieder van partijen gerechtigd zal zijn tot de helft van de opbrengst.

Voor deze situatie heeft de vrouw uitdrukkelijk toegezegd mee te zullen werken aan de verkoop en alle daaraan verbonden handelingen. De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat partijen in gezamenlijk overleg een makelaar zullen benaderen en afspraken zullen maken over de vraag- en verkoopprijs en over wie al dan niet aanwezig zal zijn bij de bezichtigingen door potentiële kopers. De rechtbank zal alle verzoeken van de man die zien op veroordeling van de vrouw tot medewerking aan het verkooptraject, de koopovereenkomst en de levering van de woning derhalve afwijzen.

Ad b: de spaarverzekering bij Reaal Levensverzekering

Partijen zijn het erover eens dat de spaarverzekering bij Reaal geen pensioen is in de zin van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat (de waarde van) deze verzekering in de gemeenschap van goederen valt.

De vrouw wenst de spaarverzekering toegedeeld te krijgen zonder verdere verrekening. De man wil dat de spaarverzekering wordt afgekocht en dat de afkoopwaarde bij helfte wordt verdeeld.

De rechtbank is van oordeel dat de spaarverzekering moet worden afgekocht en dat de afkoopwaarde (vermindert met de verschuldigde belasting) bij helfte moet worden gedeeld. De rechtbank zal aldus beslissen.

Ad c: het Ohra Nabestaanden Plan

Gebleken is dat het Ohra Nabestaanden Plan inmiddels is beëindigd door de man, maar nog bestond op te peildatum. Nu dit een product zonder waardeopbouw betreft, hetgeen door de man is gesteld en door de vrouw onvoldoende is weersproken, komt dit niet voor verdeling in aanmerking.

Ad d t/m f en o: de gezamenlijke bank- en spaarrekeningen en de creditcardschulden

De man verzoekt te bepalen dat de banksaldi per peildatum bij helfte worden verdeeld, dat het negatieve saldo op de gezamenlijke betaalrekening door partijen ieder voor de helft wordt aangezuiverd en dat elk van partijen de helft van de creditcardschulden voor zijn/haar rekening dient te nemen.

De vrouw betwist dat de bankssaldi per peildatum bij helfte dienen te worden verdeeld c.q. aangezuiverd en dat de creditcardschulden bij helfte dienen te worden gedragen. Zij stelt dat partijen medio vorig jaar zijn overeengekomen dat de vrouw daarvoor niet draagplichtig zou zijn.

Partijen zijn het erover eens dat zij hebben afgesproken dat het bedrag van (ongeveer)

€ [bedrag] dat de vrouw heeft opgenomen van de gezamenlijke rekening (de ING Betaalrekening met [nummer] ) niet aan de gemeenschap hoeft te vergoeden omdat zij dit zou aanwenden ter bestrijding van de kosten van haar levensonderhoud en dat van de kinderen en onder de voorwaarde dat de vrouw geen voorlopige-voorzieningenprocedure zou starten.

De vrouw legt deze afspraak nu kennelijk zo uit dat zij niet hoeft bij te dragen aan het negatieve saldo per peildatum op de gezamenlijke rekening. De man stelt dat voornoemde afspraak niet te maken heeft met het feit dat het negatieve saldo op de gezamenlijke rekening per peildatum (-/- € [bedrag] ) en de creditcardschulden schulden zijn die in de gemeenschap vallen en voor rekening van beide partijen komen.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw de bewijslast draagt van haar stelling dat zij niet draagplichtig zou zijn voor het negatieve saldo op de gezamenlijke rekening(en) en de creditcardschulden ook onder de afspraak van partijen vallen. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de man is de vrouw hier naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat het negatieve saldo op de gezamenlijke betaalrekening door partijen ieder voor de helft wordt aangezuiverd en dat elk van partijen de helft van de creditcardschulden voor zijn/haar rekening zal nemen.

De rechtbank zal de ING Betaalrekening en de daaraan gekoppelde ING Profijtrekening en ING Bonusrenterekening, allen met [nummer] , toedelen aan de man, onder bepaling dat partijen de saldi op die rekeningen per peildatum bij helfte verdelen dan wel ieder voor de helft aanzuiveren.

Ad g t/m i: de bankrekeningen op naam van de man dan wel de vrouw

Ten aanzien van de overige bankrekeningen zijn partijen het volgende overeengekomen.

De rechtbank zal de ING Betaalrekening met IBAN [nummer] en de ING Spaarloonrekening met rekeningnummer [nummer] toedelen aan de man, onder vergoeding van de helft van het saldo per peildatum aan de vrouw.

De rechtbank zal de ING Betaalrekening met [nummer] toedelen aan de vrouw, onder vergoeding van de helft van het saldo per peildatum aan de man.

Ad j: de auto merk Volvo

Partijen zijn het erover eens dat de auto merk Volvo zal worden toegedeeld aan de vrouw, onder vergoeding van de helft van de waarde aan de man. Partijen twisten over de waarde van de auto; de man stelt een waarde van € 1.650,- en de vrouw € 500,-. Bij gebrek aan nadere onderbouwing door beide partijen zal de rechtbank de waarde van de auto schatten op een bedrag van € 1.100,-.

Ad k: de auto merk Subaru Outback

Partijen zijn het erover eens dat de auto merk Subaru Outback zal worden toegedeeld aan de man, onder vergoeding van de helft van de waarde aan de vrouw. Partijen twisten over de waarde van de auto. De vrouw stelt een waarde van € 9.850,-. De man op € 4.750,-, waarbij hij in ogenschouw heeft genomen dat de verkoopwaarde lager is dan vergelijkbare modellen omdat de auto nog een diplomatiek kenteken heeft en de koper nog belasting personenauto’s en motorrijwielen (bpm) dient af te dragen. Nu de vrouw niet heeft weersproken dat sprake is van een diplomatiek kenteken zal de rechtbank aansluiten bij de door de man voorgestane waarde van € 4.750,-.

Ad l: de inboedelgoederen

De man stelt dat partijen de inboedel reeds feitelijk hebben verdeeld en dat dit zo kan blijven zonder nadere verrekening. De man stelt dat partijen hadden afgesproken dat zij gezamenlijk zouden afreizen van [plaats] naar Nederland om vervolgens ook feitelijk uit elkaar te gaan. De vrouw is echter zonder overleg al een aantal dagen eerder naar Nederland gegaan zodat partijen vervolgens via een live Skype-verbinding hebben besproken wie welke (inboedel)goederen zou meenemen en waarheen deze verhuisd zouden moeten worden. Zo waren er dozen met goederen die naar Nederland (de vrouw), zouden gaan, dozen met goederen die naar [plaats] , [land] (de man) zouden gaan en dozen met goederen voor de kinderen.

De vrouw stelt dat partijen met bovenbeschreven indeling in dozen geen verdeling van de inboedel hebben bedoeld te bewerkstelligen. De vrouw wil dat (alsnog) een waarde wordt toegekend aan de goederen die naar de man in [plaats] zijn verhuisd en dat zodoende wordt berekend voor welk bedrag de man is overbedeeld. Dat door de feitelijke verdeling de man is overbedeeld moet al blijken uit de door haar overgelegde taxaties van de in zijn bezit zijnde CD-verzameling ten bedrage van € 45.000,-. Zij stelt de waarde van de onder haar aanwezige inboedel op een bedrag van € 20.000,-. De man weerspreekt dat door hem alleen de waardevolle inboedel is meegenomen. Ook betwist hij de juistheid van de taxatie van de CD-verzameling. Hij stelt daarentegen dat de vrouw is overbedeeld reeds omdat zij thans beschikt over de inboedel die was achtergebleven in de echtelijke woning in ’s-Gravenhage en de extra inboedelgoederen die vanuit [plaats] naar de vrouw in Nederland zijn verhuisd.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inboedel die de man onder zich heeft een beduidend hogere waarde vertegenwoordigt dan de inboedel die de vrouw onder zich heeft. De overgelegde taxatie van de CD’s is hiervoor niet voldoende, nu niet is na te gaan welke waarde aan welke CD is toegekend. Ook haar verwijzing naar een lijst van de verhuizer van 12 augustus 2015 is niet voldoende nu het hier kennelijk om de waarde op basis van de aanschafprijs gaat. Gelet hierop zou het aan de orde zijn dat alle vermogensbestanddelen in het bezit van beide partijen getaxeerd zouden worden om op die manier te kunnen vaststellen of er sprake is van een (groot) verschil in waarde tussen de inboedel die beide partijen onder zich hebben. Een andere oplossing zou zijn om opnieuw alle inboedelbestanddelen onderling te verdelen. Ter terechtzitting is namens de vrouw aangegeven dat zij aan beide oplossingen niet wil meewerken. Zij stelt aanspraak te maken op een door de man aan haar te betalen bedrag in geld wegens de overbedeling van de man.

De rechtbank is van oordeel dat bij deze stand van zaken in redelijkheid geoordeeld dient te worden dat ieder de in zijn of haar bezit zijnde inboedelbestanddelen houdt zonder nadere verrekening. Immers er kan geen nieuwe verdeling tot stand komen en ook niet een taxatie waarbij alle inboedelbestanddelen zijn betrokken. De rechtbank zal derhalve beslissen dat ieder de inboedel houdt die zij onder zich heeft zonder nadere verrekening.

Ad m: de erfenis van de vader van de vrouw

Partijen zijn het erover eens dat de erfenis die de vrouw heeft ontvangen na het overlijden van haar vader, buiten de gemeenschap van goederen valt omdat deze onder uitsluitingsclausule is verkregen.

Ad n: de schuld aan Directa

De rechtbank stelt voorop dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen nu een schuld geen goed is als bedoeld in artikel 3:182 BW. Voorop staat bovendien dat het niet mogelijk is door verdelingshandelingen wijzigingen aan te brengen in de in artikel 1:102 BW neergelegde aansprakelijkheid van partijen jegens schuldeisers. In de onderlinge verhouding tussen partijen dient ieder van hen voor de helft bij te dragen in de schuld tenzij daaromtrent anders wordt overeengekomen (artikel 1:100 BW). Indien, ten slotte, één van partijen, daartoe aangesproken door de schuldeiser, meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem aangaat, heeft hij voor het meerdere een regresrecht op de andere partij (artikel 6:10 BW).

Partijen zijn het erover eens dat de schuld aan Directa tot de gemeenschap behoort. Nu zij geen andersluidende afspraken hebben gemaakt, gelden in hun onderlinge verhouding voormelde uitgangspunten. De rechtbank zal vastleggen dat in hun onderlinge verhouding elk van partijen de helft van de schuld voor zijn/haar rekening dient te nemen.

Ad p: de schuld aan de Belastingdienst

De rechtbank stelt vast dat de schuld aan de Belastingdienst tot de gemeenschap behoort, nu deze betrekking heeft op de huwelijkse periode (belastingjaar 2010).

Nu partijen geen andersluidende afspraken hebben gemaakt, gelden in hun onderlinge verhouding voormelde uitgangspunten. De rechtbank zal vastleggen dat in hun onderlinge verhouding elk van partijen de helft van de schuld voor zijn/haar rekening dient te nemen.

Gebleken is dat de man deze schuld reeds heeft afbetaald. Derhalve dient de vrouw aan de man de helft daarvan (zijnde een bedrag van € [bedrag] ) te vergoeden.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:

1. aan de man worden toebedeeld:

1.1

de helft van de resterende verkoopopbrengst van de echtelijke woning gelegen te [adres] (na aflossing van de hierop rustende hypothecaire leningen bij Direktbank Woninghypotheken (leningnummers [nummer] en [nummer] ) en na aftrek van de verkoopkosten);

1.2

de helft van de opbrengst uit de twee polissen (garantieverzekering) bij ASR Levensverzekering N.V. met polisnummers [nummer] en [nummer] ;

1.3

de helft van de afkoopwaarde van de spaarverzekering bij Reaal Levensverzekering (polisnummer [nummer] );

1.4

de ING Betaalrekening, de ING Profijtrekening en de ING

Bonusrenterekening, allen met [nummer] , onder

vergoeding van de helft van de saldi op die rekeningen per peildatum aan de vrouw, dan wel onder de bepaling dat de vrouw de helft van de negatieve saldi op die rekeningen per peildatum aan de man dient te voldoen;

1.5

de ING Betaalrekening met IBAN [nummer] , onder

vergoeding van de helft van het saldo per peildatum aan de vrouw;

1.6

de ING Spaarloonrekening met rekeningnummer [nummer] , onder

vergoeding van de helft van het saldo per peildatum aan de vrouw;

1.7

de auto merk Subaru Outback [nummer] , onder vergoeding van

€ 2.375,- aan de vrouw;
1.8 de inboedel die hij onder zich heeft zonder nadere verrekening;

2. aan de vrouw worden toebedeeld:

2.1

de helft van de resterende verkoopopbrengst van de echtelijke woning gelegen te [adres] (na aflossing van de hierop rustende hypothecaire leningen bij Direktbank Woninghypotheken (leningnummers [nummer] en [nummer] ) en na aftrek van de verkoopkosten);

2.2

de helft van de opbrengst uit de twee polissen (garantieverzekering) bij ASR Levensverzekering N.V. met polisnummers [nummer] en [nummer] ;

2.3

de helft van de afkoopwaarde van de spaarverzekering bij Reaal Levensverzekering (polisnummer [nummer] );

2.4

de ING Betaalrekening met [nummer] , onder

vergoeding van de helft van het saldo per peildatum aan de man;

2.5

de auto merk Volvo met kenteken [nummer] , onder vergoeding van € 550,-

aan de man;

2.6.

de inboedel dij zij onder zich heeft zonder nadere verrekening,

en verklaart deze vaststelling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat in de onderlinge verhouding tussen partijen elk van hen de helft van de schuld aan Directa van € [bedrag] , de creditcardschulden van € [bedrag] en de schuld aan de Belastingdienst van € [bedrag] voor zijn/haar rekening dient te nemen;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. Vink, bijgestaan door mr. J.M.N. van Limpt-Schrover als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2017.