Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1198

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-02-2017
Datum publicatie
13-02-2017
Zaaknummer
AWB 16/15608
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nareis van een oma uit Syrië. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat er geen “more than normal emotional ties” zijn. De speciale band tussen oma en kleinzoon maakt dit niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/15608

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: S.B. Kleerekooper),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. V. Schreuder).

Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag die referent namens eiseres heeft ingediend tot afgifte van een machtiging tot voorlopige verblijf (mvv) voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ afgewezen.

Bij besluit van 16 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2016 en is (vanwege het ontbreken van een tolk) voortgezet op 13 januai 2017. Eiseres is niet verschenen. Zij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Wel verschenen is de referent, de heer [naam referent] , evenals zijn echtgenote en zijn zoon. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk was op 13 januari 2017 mevrouw Mansouri aanwezig.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1943 en heeft de Syrische nationaliteit. Op 7 mei 2015 is de hiervoor genoemde aanvraag ingediend. Referent is de zoon van eiseres. Referent is sinds 31 maart 2016 woonachtig in Nederland. Voordat referent Syrië had verlaten, woonde eiseres samen met referent, haar schoondochter en haar kleinzoon. Na de komst van referent en de rest van het gezin in Nederland, is eiseres in Syrië achtergebleven. Eiseres is 73 jaar oud en heeft medische klachten, waardoor zij afhankelijk is van zorg.

2. Verweerder heeft in het bestreden besluit meegewogen dat tussen eiseres en haar zoon geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele binding (‘more than normal emotional ties’). Weliswaar is tussen eiseres en referent sprake van familie- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM), maar de hiervoor genoemde meer dan gebruikelijke emotionele afhankelijkheid doet zich niet voor. De omstandigheid dat eiseres in het verleden in Syrië met referent en zijn gezin heeft samengewoond en lijdt aan medische klachten (cardiovasculaire ziekten, hypertensie en occlusie van de slagaders) is daartoe onvoldoende. Dit geldt ook voor het feit dat referent eiseres financieel ondersteunt. De gestelde psychische problemen van de kleinzoon van eiseres kunnen evenmin leiden tot de conclusie dat tussen eiseres en haar kleinzoon sprake is van een meer dan normale afhankelijkheidsrelatie. Verder is evenmin gebleken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele binding tussen eiseres en haar schoondochter. Referent is (noodgedwongen) zonder eiseres naar Nederland vertrokken en eiseres zich daarna alleen weten te redden.

3. Eiseres voert aan dat wel degelijk sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele binding tussen haar en referent en zijn gezin, wegens haar leeftijd en medische klachten en de omstandigheid dat zij in het verleden met referent en zijn gezin heeft samengewoond. Zij stelt dat zij alleen niet kan overleven, aangezien zij exclusief afhankelijk is van de zorg van referent. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat haar kleinzoon psychische problemen ondervindt als gevolg van het feit dat hij haar moet missen. Hieruit volgt dat tussen hen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele binding. Ter onderbouwing van haar klachten heeft eiseres medische stukken overgelegd. Ook heeft zij stukken overgelegd die zien op de gezondheidssituatie van haar kleinzoon. Eiseres is van mening dat verweerder, gelet op de bijzondere omstandigheden in deze zaak, te streng is bij zijn belangafweging. Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Raad) van 10 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY0146, rechtsoverweging 6.1., aangevoerd dat zij in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning. Zij komt immers, net zoals bij pleegkinderen het geval is, ten laste van referent. Voorts is namens eiseres ter zitting nog aangevoerd dat richtlijn 2003/86 (Gezinsherenigingsrichtlijn) van toepassing is.

4. Niet in geschil tussen partijen is de omstandigheid dat eiseres op leeftijd is en lijdt aan medische klachten, waardoor zij zorgbehoevend is. Evenmin is in geschil dat de kleinzoon van eiseres zijn oma heel erg mist. In geschil is of een afwijzing van de aanvraag van eiseres een ongeoorloofde schending oplevert van artikel 8 van het EVRM.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Op grond van artikel 2p, eerste lid, en artikel 2q, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een mvv worden verleend indien de vreemdeling aantoont te voldoen aan de vereisten voor toegang en verlening van een verblijfsvergunning en kan een mvv worden geweigerd indien niet voldaan is aan die voorwaarden.

7. Ingevolge artikel 13 van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, of indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

8. Ingevolge artikel 14, derde lid, van de Vw wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de ambtshalve verlening, wijziging en verlenging, de beperkingen en de voorschriften.

9. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw worden afgewezen, indien de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven.

10. Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) houden de in artikel 14, derde lid, van de Vw bedoelde beperkingen verband met verblijf als familie- of gezinslid.

11. Ingevolge artikel 3.71, tweede lid, van het Vb is de vreemdeling die behoort tot een van de categorieën personen zoals genoemd in voornoemd artikel, sub a tot en met r, vrijgesteld van het vereiste van een geldige machtiging tot verblijf, op grond van artikel 17, eerste lid, onder g, van de Vw 2000.

12. In onderdeel B7/3.8.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is het door verweerder gehanteerde beleid in dit verband opgenomen en daaruit vloeit voort dat verweerder familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM aanneemt tussen ouders en hun meerderjarige kinderen als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (more than normal emotional ties) tussen het meerderjarige kind en diens ouder(s).

13. Ook uit bestendige jurisprudentie (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 14 juli 2016, zaaknummer 201600154/1/V2) volgt dat het familie- en gezinsleven tussen volwassen verwanten slechts onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM valt als tussen hen sprake is van een meer dan normale afhankelijkheid (more than normal emotional ties).

14. De rechtbank overweegt dat de Gezinsherenigingsrichtlijn gezinshereniging met familieleden in opgaande lijn toestaat, maar dat deze richtlijn geen directe werking heeft. De Gezinsherenigingsrichtlijn overstijgt de toepasselijke nationale bepalingen dan ook niet. Uit de uitspraak van de Raad van 6 december 2007, zaaknummer 200703563/1, volgt dat artikel 4, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn een facultatieve bepaling bevat en dus geen directe werking heeft. De hierover naar voren gebrachte beroepsgrond faalt.

15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat tussen eiseres en referent sprake is van more than normal emotional ties, als gevolg waarvan een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM achterwege kan blijven. De rechtbank overweegt daartoe dat eiseres weliswaar in het verleden met referent heeft samengewoond en last heeft van medische klachten, maar dat verweerder terecht heeft overwogen dat dit onvoldoende is om een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele binding aan te nemen. Niet gebleken is dat eiseres zich na het vertrek van referent niet heeft weten te redden. Voorts blijkt nergens uit dat zij voor zorg en ondersteuning uitsluitend van referent en zijn gezin afhankelijk is. Het is aannemelijk dat een ander dan referent sindsdien aan eiseres de nodige zorg heeft geboden. Daarnaast heeft eiseres onvoldoende onderbouwd dat haar drie dochters niet in staat zijn om in haar zorg te voorzien. Hoewel de rechtbank alle begrip heeft voor het feit dat eiseres door haar familieleden (in het bijzonder haar kleinzoon [naam kleinzoon] ) ontzettend wordt gemist, heeft verweerder terecht overwogen dat uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat de psychische problematiek van de kleinzoon van eiseres het directe gevolg is van de afwezigheid van eiseres of dat hij op haar permanente hulp en zorg is aangewezen.

16. Ten aanzien van het betoog van eiseres dat verweerder referent en zijn gezin ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar, overweegt de rechtbank als volgt. Het uitgangspunt ten aanzien van het horen in bezwaar is de in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb vervatte algemene regel dat er voor het bestuur een hoorplicht bestaat, behoudens de in artikel 7:3 van de Awb genoemde uitzonderingen. Van een kennelijk ongegrond bezwaar als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb is sprake indien, aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift, in samenhang met hetgeen in eerste instantie door de vreemdeling is aangevoerd en met de motivering van de primaire beslissing, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Naar het oordeel van de rechtbank doet een dergelijke situatie zich hier voor. Het bezwaarschrift biedt geen aanknopingspunten op grond waarvan verweerder had moeten horen.

17. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiseres om een mvv terecht heeft kunnen afwijzen.

18. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

19. De rechter begrijpt dat [naam kleinzoon] een bijzondere band heeft met zijn oma. Het is verdrietig voor hem dat hij zijn oma moet missen. Hij deed veel dingen samen met haar en dat kan nu niet meer. De rechter kan dat niet voor [naam kleinzoon] oplossen. De rechter hoopt en denkt dat [naam kleinzoon] het gemis van zijn oma een plekje kan geven. Zijn papa en mama kunnen hem daarbij helpen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Nollen, rechter, in aanwezigheid van

mr. R.C. Smeets, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 03-02-2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.