Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11966

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
23-10-2017
Zaaknummer
NL17.8285
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: staandehouding, Dublinclaimant, redelijk vermoeden illegaal verblijf

Wetsartikelen: art. 50 van de Vw

Samenvatting:

De staandehouding is op grond van artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) onrechtmatig geweest. Eiser had op dat moment op grond van artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw rechtmatig verblijf en dat was ook bekend bij degenen die hem staande hielden. Staandehouding op grond van artikel 50 van de Vw mag alleen bij een redelijk vermoeden van illegaal verblijf.

Verweerder is er sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 1 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2992) van op de hoogte hoe een Dublinclaimant in bewaring kan worden gesteld. Het is de taak van verweerder om vervolgens de politie te instrueren over deze werkwijze. Van verweerder mag worden verwacht dat die werkwijze binnen enige tijd na de uitspraak van de ABRvS wel op orde is. De praktijk laat echter zien dat bij bijna alle “Dublinbewaringen” de staandehouding nog steeds op onrechtmatige wijze plaatsvindt. Bij de zich telkens maar herhalende onjuistheden bij de staandehoudingen van Dublinclaimanten komt aan het belang van verweerder een afnemend gewicht toe en omgekeerd wordt de telkens maar opnieuw optredende onrechtmatigheid van de staandehoudingen hem zwaarder aangerekend. Verweerder mag er niet van uitgaan dat de belangenafweging die hier aan de orde is steeds in zijn voordeel uitpakt. Op een gegeven moment moet de uitvoering gewoonweg deugen. In ieder geval bij staandehoudingen een jaar na de uitspraak van de ABRvS van 1 november 2016 moet dat het geval zijn. Verweerder moet dan rekening houden met een voor hem merkbaar strengere beoordeling bij de afweging van de belangen. In de nu ter beoordeling staande situatie van eiser pakt de belangenafweging nog juist in het voordeel van verweerder uit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.8285


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Woudwijk),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).


Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt van rechtswege ook tot toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 11 september 2017 de maatregel van bewaring opgeheven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Algerijnse nationaliteit. Hij is geboren op [1970] .

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat de staandehouding onrechtmatig is geweest, omdat deze heeft plaatsgevonden op grond van artikel 50 van de Vw. Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 1 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2992) en stelt zich op het standpunt dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen.

4. De rechtbank is met eiser van oordeel dat de staandehouding op grond van artikel 50 van de Vw onrechtmatig is geweest. Eiser had op dat moment op grond van artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw rechtmatig verblijf en dat was ook bekend bij degenen die hem staande hielden. Dat laatste blijkt uit het proces-verbaal van staandehouding van 5 september 2017. Staandehouding op grond van artikel 50 van de Vw mag alleen bij een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. In de door eiser aangehaalde uitspraak van 1 november 2016 beschrijft de ABRvS precies op welke wijze een Dublinclaimant wel in bewaring kan worden gesteld, namelijk door onmiddellijk tot het horen over te gaan en de maatregel van bewaring, kort gezegd, als grondslag voor de overbrenging te laten dienen. Eiser is in dit geval niet alleen ten onrechte staande gehouden op grond van artikel 50 van de Vw (op 5 september 2017, om 10.22 uur), maar vervolgens ook eerst overgebracht van Assen naar Soesterberg (aankomst dezelfde dag om 12.05 uur). Daar is hij gehoord om 12.47 uur en in bewaring gesteld om 13.18 uur.

5. De onrechtmatigheid van de staandehouding maakt de daaropvolgende inbewaringstelling pas onrechtmatig indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Uit de uitspraak van de ABRvS van 13 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1595) volgt dat van zwaarwegende belangen aan de kant van verweerder sprake kan zijn indien de vreemdeling daadwerkelijk op korte termijn kan worden uitgezet of het risico dat het voornemen tot uitzetting niet kan worden gerealiseerd onaanvaardbaar moet worden geacht.

6. De rechtbank overweegt dat verweerder er sinds de uitspraak van de ABRvS van 1 november 2016 van op de hoogte is hoe een Dublinclaimant in bewaring kan worden gesteld. Het is de taak van verweerder om vervolgens de politie te instrueren over deze werkwijze. Van verweerder mag worden verwacht dat die werkwijze binnen enige tijd na de uitspraak van de ABRvS wel op orde is. De praktijk laat echter zien dat bij bijna alle “Dublinbewaringen” de staandehouding nog steeds op onrechtmatige wijze plaatsvindt. De rechtbank is van oordeel dat bij de zich telkens maar herhalende onjuistheden bij de staandehoudingen van Dublinclaimanten aan het belang van verweerder een afnemend gewicht toekomt en dat omgekeerd de telkens maar opnieuw optredende onrechtmatigheid van de staandehoudingen hem zwaarder worden aangerekend. Verweerder mag er niet van uitgaan dat de belangenafweging die hier aan de orde is steeds in zijn voordeel uitpakt. Op een gegeven moment moet de uitvoering gewoonweg deugen. In ieder geval bij staandehoudingen een jaar na de uitspraak van de ABRvS van 1 november 2016 moet dat het geval zijn. Verweerder moet dan rekening houden met een voor hem merkbaar strengere beoordeling bij de afweging van de belangen. In de nu ter beoordeling staande situatie van eiser pakt de belangenafweging nog juist in het voordeel van verweerder uit. De rechtbank overweegt dat de overdracht van eiser aan België binnen zes dagen heeft plaatsgevonden. Verder heeft eiser in het gehoor voor de oplegging van de maatregel van bewaring van 5 september 2017 verklaard dat hij niet zal meewerken aan de overdracht aan België. In deze omstandigheden, met name de snelle overdracht, ziet de rechtbank een nog net voldoende belang om te oordelen dat de belangenafweging in dit geval in het voordeel van verweerder uitvalt. De onrechtmatigheid van de staandehouding maakt dus niet dat de maatregel van bewaring om die reden onrechtmatig moet worden geacht. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Verder voert eiser aan dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld te worden bijgestaan door een advocaat tijdens het gehoor voor de oplegging van de maatregel van bewaring van 5 september 2017 om 12.47 uur. Eiser heeft voorafgaand aan dat gehoor te kennen gegeven dat hij tijdens het gehoor wil worden bijgestaan door een advocaat. Aan de advocaat van eiser is niet medegedeeld dat eiser hierom had verzocht. De advocaat heeft daarom een afspraak gemaakt om eiser later die dag te bezoeken om 15.00 uur. Eiser is hierdoor zo in zijn belangen geschaad dat de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geoordeeld.

8. In het proces-verbaal van staandehouding van 5 september 2017 staat dat eiser erop is gewezen dat hij in geval van verhoor recht heeft op bijstand van een advocaat. In dat proces-verbaal is niet aangekruist of eiser te kennen heeft gegeven hiervan gebruik te willen maken of hiervan heeft afgezien. In het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van gehoor voor de oplegging van de maatregel van bewaring van 5 september 2017 staat dat eiser bij de staandehouding te kennen heeft gegeven bijstand te willen hebben van een advocaat. Met die vermelding van de verbalisant is nog onduidelijk of eiser heeft gezegd te willen worden bijgestaan door een advocaat tijdens het gehoor of alleen tijdens de verdere procedure. Uit het proces-verbaal volgt verder dat de advocatenpiketdienst van het op handen zijnde gehoor op de hoogte is gesteld. In de piketmelding van 5 september 2017 staat niet vermeld of eiser heeft verzocht om bijstand door een advocaat tijdens het gehoor. Verder volgt uit het proces-verbaal dat het gehoor heeft plaatsgevonden zonder aanwezigheid van een raadsman, omdat er twee uren zijn verstreken na het inlichten van de advocatenpiketdienst / piketadvocaat en er geen reactie van die zijde is ontvangen.

9. Omdat uit de stukken niet duidelijk wordt wat eiser hierover precies heeft verklaard, moet het ervoor worden gehouden dat eiser de wens heeft geuit dat er een advocaat bij het gehoor aanwezig is. Er is op 5 september 2017 om 10.40 uur een piketmelding verzonden en verweerder heeft vervolgens twee uren gewacht met het begin van het gehoor. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het aan de advocaat is om na ontvangst van de piketmelding telefonisch contact op te nemen met het detentiecentrum. In dat telefoongesprek kan dan aan de advocaat worden meegedeeld of eiser de wens heeft geuit dat de advocaat aanwezig is bij het gehoor. De advocaat van eiser heeft ter zitting meegedeeld dat zij vóór de ontvangst van de piketmelding telefonisch contact heeft gehad met de piketcentrale voor de vraag of zij beschikbaar was voor de afhandeling van piketmeldingen en dat zij op enig moment na ontvangst van de piketmelding telefonisch contact heeft gehad met het detentiecentrum voor het maken van een afspraak om eiser te bezoeken. De advocaat van eiser kon niet met zekerheid zeggen of zij binnen de twee uren na de piketmelding contact heeft gezocht met het detentiecentrum. De rechtbank volgt verweerder in zijn stelling dat het op de weg van de advocaat ligt om na ontvangst van de piketmelding contact op te nemen met het detentiecentrum voor meer informatie. De rechtbank acht het aannemelijk dat de piketcentrale niet op de hoogte was van eisers wensen en eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn advocaat tijdig contact heeft opgenomen met het detentiecentrum. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld. Dat eiser direct voorafgaand aan het gehoor heeft verzocht om bijstand door een advocaat, volgt de rechtbank niet. Uit het proces-verbaal van gehoor voor de oplegging van de maatregel van bewaring van 5 september 2017 volgt dat eiser eraan is herinnerd dat hij bij de staandehouding heeft gezegd bijgestaan te willen worden door een advocaat, dat er een piketmelding is verzonden maar dat er nog geen reactie van de advocaat is vernomen. Eiser heeft daarop geantwoord dat hij het oneens is met de inbewaringstelling, maar hij heeft niet gereageerd op wat verweerder hem heeft voorgehouden over de aanwezigheid van een advocaat bij het gehoor. Deze beroepsgrond slaagt niet.

10. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat er een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken.

Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

11. Eiser voert aan dat hij detentieongeschikt is. De bewaring is gezien zijn medische situatie onevenredig bezwaarlijk. Er heeft ten onrechte geen onderzoek plaatsgevonden door een arts voorafgaand aan de oplegging van de maatregel van bewaring. De stelling van verweerder dat de situatie in de vrije maatschappij gelijk is aan de situatie in het detentiecentrum is niet juist. Eiser is in het detentiecentrum in een isoleercel geplaatst, terwijl hij in de vrije maatschappij in behandeling was bij de geestelijke gezondheidszorg.

12. De enkele stelling van eiser dat zijn medische situatie maakt dat hij niet in bewaring kan blijven, is onvoldoende voor het oordeel dat hij detentieongeschikt is. De stelling is niet met documenten onderbouwd. Evenmin zijn voor zo'n oordeel concrete aanknopingspunten in het dossier aanwezig. In de maatregel van bewaring heeft verweerder meegewogen dat eiser heeft verklaard vier maal een zelfdodingspoging te hebben gedaan, dat hij onder behandeling staat voor zijn psychische problemen en dat eiser heeft gezegd dat hij schizofreen is en last heeft van depressies. Verweerder mocht in zijn beoordeling betrekken dat de medische zorgverlening in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Er is zo nodig gespecialiseerde zorg aanwezig voor personen met psychische problemen en als die zorg niet voldoende is, kan eiser worden overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. Ook is er een Extra Beveiligde Zorgafdeling aanwezig op het detentiecentrum om de veiligheid van eiser te waarborgen. Er is een medisch verpleegkundige aanwezig geweest bij de staandehouding en het gehoor voor de oplegging van de maatregel van bewaring. Eiser kan in het detentiecentrum worden bezocht door een arts. De omstandigheid dat eiser in een isoleercel heeft gezeten, maakt niet dat hij detentieongeschikt moet worden geacht of dat hieruit volgt dat de medische zorg in het detentiecentrum ontoereikend is. Eiser is op de Extra Beveiligde Zorgafdeling binnen het detentiecentrum geplaatst om de veiligheid voor zijn leven en zijn gezondheid te waarborgen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder hiermee onzorgvuldig heeft gehandeld of dat de maatregel onevenredig bezwaarlijk is. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

13. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser is op alle afspraken en vertrekgesprekken verschenen. Er was geen sprake van onttrekkingsgevaar. Eiser heeft in het gehoor voor de oplegging van de maatregel van bewaring van 5 september 2017 verklaard dat hij zou vertrekken als verweerder hem een datum gaf waarop hij weg moest zijn. Die gelegenheid heeft verweerder hem niet gegeven. Eiser had er belang bij om zijn medische behandeling voort te zetten en was daardoor in zicht bij verweerder. Gelet op eisers psychische situatie had ervoor moeten worden gekozen aan eiser een meldplicht op te leggen.

14. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de ABRvS van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).

15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op de niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Eiser heeft in het vertrekgesprek van 1 augustus 2017 verklaard dat hij nooit terug wil naar België. Ook in het gehoor van 5 september 2017 heeft eiser verklaard dat hij niet naar België wil. Aan de verklaring van eiser dat hij zelfstandig wil vertrekken kan dan ook weinig waarde worden toegekend, omdat daarmee niet aannemelijk is geworden dat eiser zou vertrekken naar een land waar zijn toelating is gewaarborgd. De stelling van eiser dat hij in zicht is bij verweerder, omdat hij onder behandeling staat bij het GGZ, volgt de rechtbank niet. Dit is onvoldoende voor de conclusie dat eiser zich beschikbaar zou houden voor verweerder op het moment dat de overdracht geregeld is. Dat eiser is verschenen op vertrekgesprekken is daarvoor ook onvoldoende. Eiser heeft in die vertrekgesprekken verklaard dat hij zijn tas zal gaan inpakken en naar een ander Europees land zal vertrekken. Deze beroepsgrond slaagt niet.

16. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A. Verburg, rechter, in aanwezigheid van S. Brussaard, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.