Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11905

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-10-2017
Datum publicatie
24-10-2017
Zaaknummer
09/000497-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“Artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie. Er is geen sprake van strijd met het ne bis in idem beginsel neergelegd in artikel 68 Sr. Een onderzoek naar de rijgeschiktheid kan niet als een “criminal charge” in de zin van artikel 6 van het EVRM worden aangemerkt. Met name het ontbreken van een punitief karakter ervan, maakt dat de maatregel niet is aan te merken als een straf of een sanctie.

Ook een vergelijking met de uitspraak van de Hoge Raad van 3 maart 2015 inzake het alcoholslotprogramma gaat niet op. De bij een strafrechtelijke vervolging wegens rijden onder invloed mogelijk op te leggen boete met ontzegging van de rijbevoegdheid is niet gelijk te stellen met de bestuurlijke procedure van oplegging van een onderzoek naar de rijgeschiktheid, waarvan de uitkomst niet vast staat, ondanks dat daar aanzienlijke kosten mee zijn gemoeid.

Er is dan ook geen sprake van een zodanige gelijkenis tussen de strafrechtelijke vervolging en de bestuurlijke procedure, dat dit zou moeten leiden tot de conclusie dat strafvervolging in strijd zou zijn met de beginselen van een goede procesorde die met zich brengen dat iemand niet twee maal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2017/63
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/000497-16

Datum uitspraak: 24 oktober 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de door de politierechter naar de meervoudige strafkamer verwezen zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1964 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] [woonplaats]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 10 oktober 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S.R.C. Polderman en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. P.T. Verweijen, advocaat te Rotterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 2 januari 2016 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van haar adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 855 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

3 Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

3.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte. Hij heeft daartoe – verkort en zakelijk weergegeven – het navolgende aangevoerd.

Het openbaar ministerie heeft gehandeld in strijd met het in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) gecodificeerde ne bis in idem beginsel.

Door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) is immers besloten om aan verdachte een onderzoek naar haar rijgeschiktheid op te leggen.

Naar de mening van de raadsman vinden de strafrechtelijke vervolging en de bestuursrechtelijke procedure hun oorsprong in dezelfde gedraging (het rijden onder invloed met meer dan 785 microgram alcohol per liter bloed), zijn de beschermde rechtsgoederen in hoge mate vergelijkbaar (bevordering van de verkeersveiligheid) en komen de gevolgen van de bestuursrechtelijke procedure en de van het instellen van strafvervolging te verwachten sancties in hoge mate overeen (een betalingsverplichting enerzijds en een geldboete met ontzegging van de rijbevoegdheid anderzijds). Mede gelet op de criteria genoemd in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in de zaak Engel en anderen tegen Nederland van 8 juni 1976 (NJ 1978, 223) en in het arrest van het EHRM in de zaak Nilsson tegen Zweden van 13 december 2005 (ECLI:NL:XX:2005:AV3572), voldoet het onderzoek naar de rijgeschiktheid aan de vereisten van een “criminal charge” en is er sprake van een situatie dat tweemaal voor hetzelfde feit wordt vervolgd.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Hij heeft daarbij verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:434) inzake het alcoholslotprogramma.

3.2

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Er is geen sprake van strijd met het ne bis in idem beginsel en het openbaar ministerie heeft niet gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde.

Een onderzoek naar de rijgeschiktheid is niet aan te merken als een “criminal charge”. Het is een tijdelijke maatregel en geen sanctie. Daarbij kan het onderzoek verschillende uitslagen opleveren, waarbij het rijbewijs niet altijd ongeldig wordt verklaard.

Voorts is voornoemd onderzoek opgelegd naar aanleiding van en niet op grond van een strafbaar feit. De officier van justitie heeft verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 11 november 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3205) en naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 20 november 2015 (ECLI:NL:RBNNE:2015:6094).

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het niet-ontvankelijkheidsverweer van de verdediging. Daartoe is het volgende redengevend.

Ook als het juist zou zijn, zoals de verdediging aanvoert, dat zowel de onderhavige strafrechtelijke vervolging als het door het CBR aan verdachte opgelegde onderzoek naar de rijgeschiktheid zijn oorsprong vindt in het ten laste gelegde rijden onder invloed met een alcoholgehalte in het bloed van meer dan 785 microgram per liter, en zowel die vervolging als het onderzoek strekken tot bevordering van de verkeersveiligheid, dan nog is er geen sprake van strijd met het ne bis in idem beginsel neergelegd in artikel 68 Sr. Een onderzoek naar de rijgeschiktheid kan niet als een “criminal charge” in de zin van artikel 6 van het EVRM worden aangemerkt. Het betreft een bestuurlijke maatregel die erop is gericht de deelname aan een onderzoek naar de geschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig af te dwingen. Hierbij is van belang dat de kwalificatie die de wetgever aan de maatregel geeft, het met de maatregel beoogde doel, de aard en de zwaarte van de maatregel en – met name – het ontbreken van een punitief karakter ervan, maken dat de maatregel niet is aan te merken als een straf of een sanctie.1 Dat betekent dat een vervolging en eventueel een strafrechtelijke sanctie nadat reeds deze maatregel is opgelegd niet als een dubbele bestraffing in strijd met het ne bis in idem beginsel heeft te gelden. Dat een onderzoek naar de rijgeschiktheid aanzienlijke kosten met zich brengt (€ 1.086,- inclusief de kosten voor het opleggen van de maatregel, zo stelt de verdediging) en door verdachte als “straf” wordt gevoeld, maakt niet dat de maatregel alleen daardoor al een punitief karakter krijgt. .

Anders dan de verdediging heeft betoogd, gaat ook een vergelijking met de uitspraak van de Hoge Raad van 3 maart 2015 inzake het alcoholslotprogramma, niet op. De bij een strafrechtelijke vervolging wegens rijden onder invloed mogelijk op te leggen boete met ontzegging van de rijbevoegdheid is niet gelijk te stellen met de bestuurlijke procedure van oplegging van een onderzoek naar de rijgeschiktheid, waarvan de uitkomst niet vast staat, ondanks dat daar aanzienlijke kosten mee zijn gemoeid.

Er is dan ook geen sprake van een zodanige gelijkenis tussen de strafrechtelijke vervolging en de bestuurlijke procedure, dat dit zou moeten leiden tot de conclusie dat strafvervolging in strijd zou zijn met de beginselen van een goede procesorde die met zich brengen dat iemand niet twee maal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat bij de samenloop van de oplegging door het CBR van een onderzoek naar de rijgeschiktheid aan verdachte en een strafrechtelijke vervolging geen sprake is van dubbele bestraffing en dat evenmin sprake is van schending van de beginselen van een goede procesorde.

Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in de strafvervolging van verdachte.

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Verdachte wordt ervan verdachte dat zij – kort samengevat – op 2 januari 2016 een auto heeft bestuurd, terwijl het alcoholgehalte van haar uitgeademde lucht de wettelijke grens overschreed.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde feit bepleit, nu er geen onderzoek als bedoeld in artikel 8, lid 2, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994 heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft immers bij de politie verklaard dat zij twee glazen alcohol heeft gedronken, hetgeen niet overeenkomt met de uitslag van 855 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht. Deze verklaring had naar de mening van de raadsman door de politie moeten worden opgevat als een ondubbelzinnige betwisting van het resultaat van de ademanalyse. De politie had derhalve bij verdachte dienen te verifiëren of zij van het recht op een tegenonderzoek gebruik wenste te maken. Dit heeft de politie echter nagelaten.

4.4

De beoordeling van de tenlastelegging2

Niet ter discussie staat dat verdachte op 2 januari 2016 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, in haar personenauto heeft gereden, nadat zij tevoren alcohol had gebruikt. Dit wordt ook door verdachte bekend.3 Na een ademanalyse bleek het alcoholgehalte van de adem van verdachte 855 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht te zijn.4

Met betrekking tot het verweer van de raadsman dat is nagelaten een onderzoek als bedoeld in artikel 8, lid 2, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 te laten plaatsvinden, overweegt de rechtbank het navolgende.

In artikel 10a (oud) van het Besluit Alcoholonderzoeken is - kort gezegd - neergelegd dat een verdachte, dadelijk na het mededelen van de uitslag van een ademanalyse, de wens kenbaar kan maken dat een tegenonderzoek wordt verricht. In de Nota van Toelichting bij het oorspronkelijke Besluit Alcoholonderzoeken (Stb.1987,432) wordt uitdrukkelijk opgemerkt dat de politie niet verplicht is een verdachte op de mogelijkheid van dit tegenonderzoek te wijzen. De rechtbank verwijst daarbij voorts naar de arresten van de Hoge Raad van 15 februari 1983 (NJ 1983, 448) en 12 april 1983 (NJ 1983, 569), waarin hij heeft beslist dat een verdachte niet behoeft te worden medegedeeld dat hij recht heeft op een tegenonderzoek met betrekking tot de uitslag van een bloedproef (of urineproef). Betwist een verdachte echter het resultaat van de ademanalyse dan moet een opsporingsambtenaar de verdachte wel wijzen op de mogelijkheid van het tegenonderzoek (zie onder meer het arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 21 november 1997, NJ 1998, 140).

Verdachte heeft de uitslag van de ademanalyse niet ondubbelzinnig betwist. Verdachte heeft bij de politie immers op geen enkele wijze de uitslag van de ademanalyse ter discussie gesteld. Zij heeft slechts gemeld dat zij die avond twee glazen wijn op had. Deze opmerking kan niet gelden als een ondubbelzinnige betwisting van de uitkomst van de ademanalyse zodat de politie, anders dan de verdediging heeft aangevoerd, verdachte niet hoefde te wijzen op het recht op een tegenonderzoek. Het uitblijven van een mededeling van die aard leidt derhalve niet tot ongeldigheid van het bloedonderzoek.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

zij op 2 januari 2016 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van haar adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 855 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 750,-, subsidiair 15 dagen hechtenis, en voorts tot een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van negen maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd of ingehouden is geweest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht – gelet op het lange tijdsverloop, de bestuursrechtelijke procedure bij het CBR en de persoonlijke omstandigheden van verdachte – met toepassing van artikel 9a Sr geen straf of maatregel aan verdachte op te leggen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft in haar auto gereden, terwijl zij onder de invloed was van een forse hoeveelheid alcohol. Verdachte heeft hiermee een groot risico genomen en niet alleen haar eigen veiligheid, maar ook die van andere weggebruikers in gevaar gebracht. Dat zij niet in staat was fatsoenlijk een auto te besturen blijkt wel uit de verklaringen van de getuigen die hebben gezien dat zij slingerde en bijna een botsing veroorzaakte. Het is niet aan verdachte te danken dat dit niet veel slechter is afgelopen.

Uit een haar betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 11 september 2017 blijkt dat verdachte in 2013 eveneens is veroordeeld voor rijden onder invloed.

De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit en het feit dat verdachte eerder veroordeeld is voor een soortgelijk feit, niet met een toepassing van artikel 9a Sr kan worden volstaan.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat verdachte in bestuursrechtelijke procedures reeds aanzienlijke bedragen heeft moeten betalen voor het onderzoek naar haar rijgeschiktheid (opgelegd naar aanleiding van het ten laste gelegde feit). Voorts ligt in de lijn der verwachting dat verdachte, nu haar rijbewijs van rechtswege op grond van artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994 ongeldig zal worden verklaard, kosten moet maken om opnieuw haar rijbewijs te halen. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke geldboete niet passend. De rechtbank is van oordeel dat kan worden volstaan met de eveneens door de officier van justitie geëiste ontzegging van de rijbevoegdheid.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen bijkomende straf is gegrond op de artikelen:

- 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor 9 (NEGEN) MAANDEN;

bepaalt, dat de tijd, dat het rijbewijs vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak reeds ingevorderd of ingehouden is geweest bij de uitvoering van de haar opgelegde ontzegging geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.W. du Pon, voorzitter,

mr. M.P.M. Loos, rechter,

mr. N.I.S. Wallet, rechter,

in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 oktober 2017.

1 Vergelijk uitspraken van de Raad van State, Afdeling Rechtspraak, d.d. 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1460 en d.d. 2 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2062.

2 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en).

3 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 2 januari 2016, van de politie Eenheid Den Haag, district Alphen aan den Rijn-Gouda, nummer PL1500-2016002187, en eigen verklaring verdachte ter terechtzitting van 10 oktober 2017.

4 Een geschrift, te weten een uitslag ademanalyse d.d. 2 januari 2016, testnummer 160102828.