Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11867

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
10-11-2017
Zaaknummer
NL.17.7443
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, homoseksualiteit, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.7443


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 september 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. T. Neijzen),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. de Jong).


Procesverloop
Bij besluit van 17 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.7444, plaatsgevonden op 14 september 2017. Zowel eiser als zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1985 en de Algerijnse nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 3 september 2016 een asielaanvraag ingediend.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in zijn land van herkomst, Algerije, problemen heeft ondervonden vanwege zijn homoseksualiteit. Hij heeft een gevangenisstraf van drie jaar uitgezeten vanwege seksueel contact met een andere man. Nadat eiser uit de gevangenis kwam, kreeg hij een relatie met een andere man. Toen deze relatie werd ontdekt door de familie van de andere man, is eiser gevlucht.

3. De identiteit, nationaliteit en afkomst van eiser worden door verweerder geloofwaardig geacht. Verweerder acht de door eiser gestelde homoseksualiteit en de problemen de hij daardoor heeft ondervonden echter niet geloofwaardig.

4. Eiser voert, kort samengevat, aan dat hij wel homoseksueel is. Verweerder heeft zijn verklaringen hieromtrent ten onrechte niet geloofwaardig geacht. Er heeft zich wel een ontwikkelingsproces voorgedaan en eiser vindt ook dat hij voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat hij specifiek voor mannen gevoelens had en niet voor vrouwen. Eiser heeft een gegronde vrees voor vervolging onder andere in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens (EVRM). Algerije is voor eiser geen veilig land van herkomst, nu hij daar al eens eerder is gestraft vanwege zijn homoseksualiteit.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Verweerder heeft in de onderhavige zaak de gestelde seksuele gerichtheid van eiser onderzocht en beoordeeld conform de Werkinstructie (WI) 2015/9. Tijdens het gehoor zijn aan eiser vragen gesteld, die samenhangen met de in de WI 2015/9 genoemde thema’s, zoals privéleven, familie/vrienden, religie en relaties. In het voornemen en het bestreden besluit heeft verweerder de verklaringen van eiser met betrekking tot deze thema’s beoordeeld. Gebleken is dat verweerder in zijn beoordeling met name gewicht heeft toegekend aan de antwoorden van eiser op vragen over het proces van ontdekking en bewustwording en zelfacceptatie. Verweerder heeft daarbij gehandeld in overeenstemming met de WI 2015/9 door in dit verband betekenis toe te kennen aan de omstandigheid dat eiser afkomstig is uit een land waar LHBT-gerichtheid niet wordt geaccepteerd.

5.2

Eiser komt uit Algerije, een land waar (het uiten van) homoseksualiteit is verboden. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat van eiser dan ook verwacht mag worden dat er sprake is geweest van een proces van bewustwording met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid en dat hij daar concreet over kan verklaren. Het zwaartepunt ligt op de verklaringen over zijn eigen ervaringen hierbij.

5.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gestelde seksuele gerichtheid van eiser en de daardoor ondervonden problemen niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden en acht daarvoor het volgende van belang.

5.3.1

Verweerder heeft het bevreemdend kunnen achten dat eiser zich eerst op zeventienjarige leeftijd seksueel aangetrokken voelde tot zijn eerste vriend ([persoon A]), die hij al kende toen hij jonger was, maar waarvan hij op de dag dat zij gemeenschap hadden nog niet wist of [persoon A] ook homoseksueel was. Daarbij mocht verweerder ook betrekken dat [persoon A] zonder enige aanleiding seks met eiser wilde hebben en dat eiser zich niet eerder aangetrokken voelde tot [persoon A]. Verweerder heeft aan eiser mogen tegenwerpen dat hij, ondanks het advies van het FMMU, geen concrete verklaringen heeft kunnen afleggen over de duur van de relatie met [persoon A]. Dat uit het FMMU-advies blijkt dat eiser soms moeite kan hebben met chronologie, staat er niet aan in de weg dat wel van eiser verwacht mag worden dat hij over bepaalde gebeurtenissen concreet kan verklaren. Verweerder mocht bijvoorbeeld aan eiser tegenwerpen dat hij niet kan vertellen wat eiser die dag op het strand met [persoon A] heeft besproken en hoe eiser erachter is gekomen dat [persoon A] homoseksueel was. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen omtrent (het ontstaan van) de relatie met [persoon A] niet bijdragen aan de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde homoseksualiteit. Anders dan eiser stelt, blijkt uit het dossier niet dat hij een proces van bewustwording heeft doorgemaakt.

5.2.3

Voorts heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaring van eiser tijdens het nader gehoor, dat hij aan jongens gewend was geraakt omdat jonge mannen in Algerije weinig in de gelegenheid komen om in contact te komen met meisjes omdat ze vaak gesluierd zijn, de indruk wekt dat eiser anders wel in contact wilde komen met een vrouw. Dit draagt niet bij aan de geloofwaardigheid van eisers relaas. Hetzelfde geldt voor eisers stelling dat als hij praktiserend moslim was geweest, hij dan niet met mannen naar bed zou zijn gegaan.

5.3.3

Ook heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt hoe het voor hem was toen hij zich ervan bewust werd dat hij op jongens viel. Anders dan eiser stelt, houdt verweerder er wel rekening mee dat het voor kan komen dat mannen uit (streng) islamitische gezinnen in Algerije geen innerlijke worsteling meemaken. Komende uit een dergelijk gezin, had van eiser echter wel verwacht mogen worden dat hij een proces van bewustwording heeft doorgemaakt en hierover concreet kan verklaren. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser hierin niet is geslaagd. Verweerder heeft meerdere keren aan eiser gevraagd hoe het voor hem was toen hij erachter kwam dat hij op jongens viel, maar eiser heeft daar geen concreet antwoord op gegeven. Eiser heeft slechts verklaard dat het hem niets deed toen hij erachter kwam dat hij niet op meisjes valt. Het enkele feit dat eiser schuldgevoelens zegt te hebben gehad, is door verweerder terecht als onvoldoende bestempeld. Eisers beroepsgrond, dat hij voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat hij specifiek voor mannen gevoelens had, slaagt niet.

5.3.4

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is geworden dat eiser in de gevangenis heeft gezeten vanwege zijn gestelde homoseksualiteit. De door eiser overgelegde kopie van een vrijlatingsdocument is onvoldoende om te kunnen oordelen dat de detentie iets te maken had met eisers gestelde homoseksualiteit.

5.3.5

Gelet op het bovenstaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers gestelde homoseksualiteit niet geloofwaardig is. In samenhang daarmee slagen eisers overige beroepsgronden ook niet. Niet is gebleken dat Algerije voor hem geen veilig derde land is of dat hij een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens (EVRM).

6. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 september 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.