Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11865

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
10-11-2017
Zaaknummer
NL17.7304 en NL17.7306
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin/Italië, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: NL17.7304 en NL17.7306


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 september 2017 in de zaak tussen

[eiser]

en

[eiseres]

gezamenlijk te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. M.J. van Basten Batenburg),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. de Jong).

Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaken NL17.7305 en NL17.7307, plaatsgevonden op 14 september 2017. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is ter zitting gebruik gemaakt van een telefonische tolk.

Overwegingen

1. Eisers, man en vrouw, stellen de Ethiopische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum] 1996 en op [geboortedatum] 1997. Op 14 maart 2017 hebben zij een asielaanvraag ingediend.

2. De aanvraag is door verweerder niet in behandeling genomen. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening).

In dit geval is uit Eurodac gebleken dat eisers op 3 oktober 2016 in Zwitserland een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend. Daarnaast is uit Eurodac gebleken dat eisers de buitengrens van de lidstaten die gebonden zijn aan de Dublinverordening respectievelijk op 16 juli 2016 en op 29 juli 2017 op illegale wijze hebben overschreden via Italië. Gelet op deze informatie heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft dit verzoek op 12 april 2017 aanvaard.

3. Eisers voeren, kort samengevat, aan dat zij in een kwetsbare positie verkeren vanwege de geboorte van hun kind. Verweerder had moeten onderzoeken of overdracht van eisers aan Italië in dit specifieke geval mogelijk is en had individuele garanties moeten opvragen. Dit, gelet op het feit dat volgens eisers uit rechtspraak en informatie van mensenrechtenorganisaties blijkt dat de opvang van asielzoekers, vooral die van kwetsbare personen, zeer beperkt en penibel is. Hiertoe verwijst eiser naar een aantal stukken:

- Veelgestelde vragen Dublin Italië van februari 2017 van Vluchtelingenwerk Nederland;

- Country Report on Human Rights Practices 2016 – Italy, van US State Department van
3 maart 2017;

- Rapport fact finding mission van de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa van
2 maart 2017.

Volgens eisers mag in dit geval daarom geen beroep worden gedaan op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Voorts stellen eisers zich op het standpunt dat zij, door naar Zwitserland te vertrekken, het EU-grondgebied meer dan drie maanden hebben verlaten. Eisers doen een beroep op artikel 19, tweede lid, van de Dublinverordening.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft geoordeeld in de uitspraak van 10 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2278) is de situatie van Italië niet zodanig verslechterd dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verweerder heeft daarbij voldoende gemotiveerd dat uit de door eiser aangehaalde stukken niet blijkt dat er sprake is van een dermate gewijzigd beeld dat er sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen die ernstige gronden vormen om aan te nemen dat eisers een reëel risico zullen lopen op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest. Verweerder heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat, gelet op de ‘Circular Letters’ van 8 juni 2015, 15 februari 2016 en 12 oktober 2016, door Italië afdoende is gegarandeerd dat eisers na overdracht passende huisvesting zullen krijgen. Daarbij wordt rekening gehouden met de leeftijd van hun kind en de situatie dat zij als gezin bij elkaar kunnen blijven. Verweerder heeft ter zitting nog verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 8 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2155), waarin de Afdeling heeft overwogen dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel er in beginsel van uit mag gaan dat de Italiaanse autoriteiten de in de brief van 8 juni 2015 gegeven garanties over de opvang van gezinnen met minderjarige kinderen in de praktijk zullen nakomen. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit in hun specifieke geval niet zo zal zijn. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen verdere individuele garanties nodig zijn en dat overdracht van eisers geen reëel risico op schending van artikel
3 van het Europees Verdrag voor bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) met zich zal brengen. De beroepsgronden dat niet is voldaan aan het ‘Tarakhel’-arrest en dat niet uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in deze zaak, slagen daarom niet.

4.2

Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat Zwitserland verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van het asielverzoek op grond van het verlopen van de termijn van artikel 23, tweede lid, van de Dublinverordening. Er is sprake van een expliciet claimakkoord met Italië en verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat Italië op de hoogte was van het asielverzoek in Zwitserland, gelet op de informatie uit Eurodac. Ook eisers beroep op artikel 19, tweede lid, van de Dublinverordening slaagt niet. Nu Zwitserland is gebonden aan de Dublinverordening, is geen aanleiding om aan te nemen dat eisers het grondgebied van de lidstaten in de zin van de Dublinverordening hebben verlaten toen zij naar Zwitserland vertrokken. Dat Zwitserland geen EU-lidstaat is maakt dit niet anders. Aan de Dublinverordening zijn immers zowel EU-lidstaten als niet-EU-lidstaten gebonden. Eisers betoog op dit punt leidt niet tot een ander oordeel en anders dan eiser tijdens de zitting heeft verzocht ziet de rechtbank geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen over dit onderwerp.

4.3

Gelet op het bovenstaande heeft verweerder niet ten onrechte besloten om de asielaanvragen niet in behandeling te nemen, nu Italië daarvoor verantwoordelijk is. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 september 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.