Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11863

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
18-10-2017
Zaaknummer
AWB 16/11202
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht ingetrokken en een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd, omdat hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Het beroep van eiser op artikel 8 van het EVRM faalt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat intrekking van eisers verblijfsvergunning, na 35 jaar verblijf in Nederland, niet in strijd is met het in artikel 8 van het EVRM beschermde recht op privéleven. De banden die eiser in Nederland is aangegaan zijn niet zo bijzonder dat het intrekken van zijn verblijfsvergunning en het opleggen van een inreisverbod daarom een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn gezins- en privéleven opleveren. Voor zover eiser heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 7 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1525), overweegt de rechtbank dat de Afdeling in deze uitspraak, naast een verblijf van de betrokken vreemdeling in Nederland van 32 jaar, zwaar gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat sprake was van een afname in de aard en ernst van de gepleegde strafbare feiten en dat daarvan in het geval van eiser geen sprake is. Hetzelfde geldt voor de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 juli 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:9200) waarbij het ging om een vreemdeling die 31 jaar in Nederland had verbleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/11202

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [datum] ,

v-nummer [nummer] ,

van Marokkaanse nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. drs. M.J. Verwers),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Bij besluit van 13 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht ingetrokken tot 6 juli 2013 en een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd.

Daartegen heeft eiser op 27 november 2015 bezwaar gemaakt.

Op 3 december 2015 heeft verweerder het besluit van 13 november 2015 aangevuld.

Bij besluit van 28 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 24 mei 2016 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 12 juli 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.P. Guérain.

De beoordeling

1. De rechtbank is van oordeel dat eiser aannemelijk heeft gemaakt in aanmerking te komen voor vrijstelling van het betalen van griffierecht.

2. Ingevolge artikel 8:1, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), dient de rechtbank het bestreden besluit - de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen - te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

4. Bij de beoordeling van het beroep gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser is op 14 april 1980 Nederland binnengekomen. Verweerder gaat ervan uit dat eiser vanaf die datum rechtmatig verblijf in Nederland heeft op basis van gezinshereniging. Sinds 13 januari 1989 is eiser in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.

5. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 9 november 2015 blijkt dat eiser in de periode van mei 1986 tot november 2013 onherroepelijk is veroordeeld voor onder andere diefstallen, diefstal met geweldpleging, opiumdelicten, verkrachting, openlijke geweldpleging, mishandelingen, mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, zware mishandelingen en mishandeling gepleegd tegen een ambtenaar. Eiser is voorts gedagvaard in verband met een zedenzaak met als pleegdatum 15 februari 2015.

6. Verweerder heeft aan het primaire besluit, welk besluit bij het bestreden besluit is gehandhaafd, het volgende ten grondslag gelegd.

Eisers verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt ingetrokken, omdat hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Verweerder verwijst daarbij naar het uittreksel Justitiële Documentatie. Omdat eiser veroordeeld is wegens een of meer misdrijven die hij na 1 juli 2012 heeft gepleegd, is het huidige artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) van toepassing. Verweerder heeft eisers verblijfsduur in de zin van het Vb 2000 vastgesteld op 16 jaar en 9 maanden. Nu de som van eisers onvoorwaardelijke gevangenisstraffen 3 jaar en 10 maanden is, kan zijn verblijfsvergunning worden ingetrokken ongeacht zijn verblijfsduur. De in het Vb 2000 beschreven situaties waarbij het verblijf niet kan worden beëindigd, zijn niet op eiser van toepassing. Dat eiser een verblijfsduur heeft van meer dan tien jaar staat niet in de weg aan de intrekking van zijn verblijfsvergunning, omdat eisers veroordelingen betrekking hebben op ernstige misdrijven die leiden tot een ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit en hij is veroordeeld voor een misdrijf uit de Opiumwet met een strafbedreiging van zes jaar of meer. Ook is aan de voorwaarde voldaan dat het moet gaan om een misdrijf waartegen in de wet een gevangenisstraf van drie jaar of meer is bedreigd. Tot slot heeft verweerder de aard van de door eiser gepleegde misdrijven in aanmerking genomen, zoals zware mishandeling, harddrugsdelicten, verkrachting en diefstal met geweld. Gelet op wat bekend is kan verweerder niet uitsluiten dat eiser niet opnieuw misdrijven zal plegen.

Verweerder heeft gesteld dat geen aanleiding bestaat de intrekking achterwege te laten in afwijking van de in de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) neergelegde beleidsregels.

Omdat eiser een gevaar voor de openbare orde vormt bestaat verder aanleiding om een inreisverbod tegen hem uit te vaardigen. De intrekking van eisers verblijfsvergunning en het opleggen van een inreisverbod leveren geen schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) op, aldus verweerder.

7. Hiermee kan eiser zich niet verenigen. Op hetgeen daartoe wordt aangevoerd wordt in het navolgende - voor zover van belang - ingegaan.

8. De rechtbank overweegt als volgt.

9. De beroepsgronden zien op zowel de intrekking van de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd als op het opgelegde inreisverbod voor de duur van tien jaar. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 9 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:298) heeft een vreemdeling tegen wie een inreisverbod met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) is uitgevaardigd, zolang dat inreisverbod voortduurt, geen belang bij de beoordeling van het beroep tegen de intrekking van een zodanige vergunning. De vraag of verweerder de verblijfsvergunning van de desbetreffende vreemdeling heeft kunnen intrekken, kan ten volle aan de orde worden gesteld in het kader van de toetsing van het inreisverbod. De rechtbank ziet daarom aanleiding de gronden van eiser gericht tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning in het kader van het beroep tegen het inreisverbod te bespreken. Het beroep, voor zover gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

Intrekking verblijfsvergunning onbepaalde tijd

10. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat verweerder op grond van de nationale wet- en regelgeving bevoegd was om de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd van eiser in te trekken.

11. Eiser heeft aangevoerd dat bij de intrekking van zijn verblijfsvergunning ten onrechte geen belangenafweging heeft plaatsgevonden. Het gaat immers om een kan-bepaling. Dit betoog faalt. Verweerder heeft onderzocht of op grond van bijzondere omstandigheden aanleiding bestond om de intrekking achterwege te laten. Ook heeft verweerder, gelet op artikel 3.86, zeventiende lid, van het Vb 2000 gelezen in samenhang met artikel 3.98, tweede lid, van het Vb 2000 beoordeeld of de intrekking van eisers verblijfsvergunning in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM. Verweerders beoordeling in het primaire en bestreden besluit is in overeenstemming met deze bepalingen, nu verweerder een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft gemaakt en daarbij heeft beoordeeld of de door eiser aangevoerde persoonlijke omstandigheden aanleiding dienden te vormen om af te zien van de intrekking van zijn verblijfsvergunning.

12. Eiser heeft daarnaast betoogd dat verweerder had moeten toetsen aan het Europeesrechtelijk openbare orde criterium, te weten of sprake is van een actuele, reële en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Immers, aldus eiser, de intrekking van zijn verblijfsvergunning is in strijd met Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging en Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2011/51/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011, aldus eiser.

De beroepsgronden falen. Eiser heeft desgevraagd ter zitting niet kunnen aangeven waarom hij onder de werkingssfeer van deze richtlijnen zou vallen. De rechtbank ziet daar evenmin aanknopingspunten voor. Verweerder heeft in het kader van de intrekking van eisers verblijfsvergunning dan ook terecht getoetst aan artikel 22 van de Vw 2000 en artikel 3.86 gelezen in samenhang met artikel 3.98 van het Vb 2000.

Artikel 8 van het EVRM

13. Eiser heeft betoogd dat de intrekking van zijn verblijfsvergunning en de uitvaardiging van een zwaar inreisverbod een ongerechtvaardigde inbreuk maken op zijn recht op familie- en gezinsleven en privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

14. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht overwogen dat geen sprake is van gezins- en familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiser en zijn ouders en broers en zussen, aangezien niet is gebleken van een meer dan de gebruikelijke afhankelijkheid tussen eiser en deze familieleden. In eisers stelling dat sprake is van een intensief gezinsleven en in de overgelegde brief van zijn ouders van 10 december 2015, waarin staat dat hun familieband weer net zo hecht is geworden als vroeger en eiser veel contact heeft met zijn familieleden, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding hoeven zien om tot een ander oordeel te komen.

15. Niet in geschil is dat sprake is van familie- of gezinsleven tussen eiser en zijn partner, [partner] , en dat het bestreden besluit een inmenging vormt op dit familieleven.

16. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), onder meer het arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, (JV 2006/90) en de jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ7527), volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van gezinsleven een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds.

De rechter dient te beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van eiser bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend dient te zijn.

17. In het primaire besluit, dat is gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder met inachtneming van de ‘guiding principles’, bedoeld in de arresten van het EHRM van 2 augustus 2001 in de zaak Boultif tegen Zwitserland (nr. 54273/00) en van 18 oktober 2006 (hierna: het arrest Boultif) in de zaak Üner tegen Nederland (nr. 46410/99, beide: www.echr.coe.int), het algemeen belang dat is gediend met de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, afgewogen tegen het persoonlijk belang van eiser bij het uitoefenen van zijn familie- en gezinsleven hier te lande. Verweerder heeft aan het belang van de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten doorslaggevend gewicht toegekend.

Daarbij weegt volgens verweerder zwaar in het nadeel van eiser mee dat hij vanaf jonge leeftijd meerdere malen onherroepelijk is veroordeeld voor misdrijven, onder meer voor zware mishandeling, harddrugsdelicten, verkrachting, diefstal met geweld en wederspannigheid. Het gaat om ernstige misdrijven die leiden tot een ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit en meerdere veroordelingen voor een misdrijf uit de Opiumwet met een strafbedreiging van zes jaar of meer. Verweerder heeft in aanmerking genomen dat de som van eisers onvoorwaardelijke gevangenisstraffen drie jaar en tien maanden bedraagt.

Verder heeft verweerder de tijd die is verstreken sinds het laatste misdrijf, gepleegd op 6 juli 2013, en eisers gedrag daarna zwaar in zijn nadeel meegewogen. Eisers verklaring dat hij sinds juli 2003 het roer heeft omgegooid is in strijd met het feit dat hij op 20 februari 2015 is gedagvaard voor verkrachting/wederrechtelijke vrijheidsberoving, gepleegd op 15 februari 2015. Verweerder heeft ook in aanmerking genomen dat eiser de afgelopen jaren veelal in detentie heeft verbleven en dat onvoldoende is gebleken van een daadwerkelijke en bestendige positieve gedragsverandering in de maatschappij. Nu eiser ten tijde van het bestreden besluit nog voorlopig gehecht was voor het delict gepleegd op 15 februari 2015, had verweerder voldoende reden om aan te nemen dat eiser een gevaar vormt voor de Nederlandse openbare orde en veiligheid.

Verweerder heeft voorts in zijn besluitvorming betrokken dat eiser en zijn partner sinds ongeveer anderhalf jaar een relatie hebben. Zij hebben elkaar leren kennen toen eiser op weg was naar een penitentiaire-inrichting (hierna: PI) en hun relatie is begonnen na het plegen van het misdrijf op 6 juli 2013 en de onherroepelijke veroordeling daarvoor. Gelet op deze veroordeling en de overige veroordelingen in de periode van 1987 tot 2013 was het voor eiser en zijn partner duidelijk, of had dat in ieder geval moeten zijn, dat de plannen voor een gezinsleven in Nederland mogelijk niet door zouden gaan. De Nederlandse nationaliteit van eisers partner en haar zoontje heeft verweerder in het voordeel van eiser in de belangenafweging betrokken. Verweerder ziet echter geen objectieve belemmering om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. Omdat de zoon van eisers partner nog relatief jong is, heeft hij nog weinig banden met Nederland en zal hij weinig moeite hebben om in Marokko op te groeien. Dat eisers partner niet wil terugkeren naar Marokko is een persoonlijke keuze.

De duur van eisers rechtmatige verblijf in Nederland, ruim 36 jaar vanaf negenjarige leeftijd, heeft verweerder in eisers voordeel meegewogen. Verweerder heeft daarnaast in eisers voordeel meegewogen dat het centrum van zijn leven in Nederland is. Eiser heeft verschillende cursussen gevolgd, hij heeft jongeren met problemen geholpen en hij heeft verklaard na zijn vrijlating voor werk terecht te kunnen bij de Sociale werkplaats [locatie] . Verweerder heeft daarbij wel aangetekend dat eiser geen stukken ter onderbouwing heeft overgelegd. Tot slot heeft verweerder eisers banden met Nederland bij dit aspect betrokken.

18. Eiser heeft betoogd dat de door verweerder gemaakte belangenafweging in zijn voordeel had moeten uitvallen en dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bestreden besluit in overeenstemming is met de ‘fair balance’ die moet worden gevonden tussen het belang van eiser enerzijds en het Nederlands algemeen belang anderzijds.

Verweerder heeft miskend dat eiser voor het delict dat hij op 15 februari 2015 zou hebben gepleegd, nog niet onherroepelijk is veroordeeld en dat derhalve ook geen sprake is van een actuele bedreiging van de openbare orde omdat de pleegdatum van het laatste delict waarvoor hij is veroordeeld 6 juli 2013 is. Eiser heeft voorts gesteld dat het er gelet op de ‘guiding principles’ om gaat of zijn partner op de hoogte was van de misdrijven toen het familieleven begon, hetgeen niet het geval is. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte en zonder deugdelijke motivering voorbijgaat aan de in bezwaar aangevoerde onmogelijkheid het gezinsleven in Marokko uit te oefenen. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft meegewogen dat hij op zeer jonge leeftijd naar Nederland is gekomen, hij hier sindsdien ruim 36 jaar verblijft en dat sprake is van een gedragsverandering in positieve zin.

19. Gelet op de hiervoor onder 17 weergegeven motivering heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank alle door eiser aangevoerde belangen voldoende bij zijn besluitvorming betrokken.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het aangevoerde geen aanleiding hoeven zien om te concluderen dat geen sprake is van een actuele bedreiging. Zoals volgt uit het bestreden besluit heeft verweerder gewicht toegekend aan de omstandigheid dat eiser in de loop van tientallen jaren is veroordeeld voor meerdere ernstige misdrijven en dat hij sinds het in 2013 gepleegde delict veelal in detentie heeft verbleven.

Met betrekking tot eisers beroepsgronden betreffende het zedendelict uit 2015 waarvoor hij ten tijde van het bestreden besluit was gedagvaard, overweegt de rechtbank dat verweerder er bij zijn beoordeling niet van uit is gegaan dat eiser al veroordeeld was voor dit feit. Anders dan eiser stelt heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank bij zijn beoordeling mogen betrekken dat eiser ten tijde van het bestreden besluit was gedagvaard en in dit kader in detentie verbleef, omdat dit een beeld geeft van eisers huidige situatie. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank verder niet ten onrechte overwogen dat het feit dat eiser is gedagvaard niet strookt met eisers verklaring dat hij sinds de veroordeling in 2013 het roer heeft omgegooid. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het feit dat eiser inmiddels is veroordeeld voor verkrachting, gepleegd op 15 februari 2015, tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 voorwaardelijk, niet wijst op de door eiser gestelde gedragsverandering. Verweerder heeft dan ook niet ten onrechte overwogen dat vanwege de combinatie van deze omstandigheden onvoldoende is gebleken dat sprake is van een daadwerkelijke en bestendige positieve gedragsverandering.

Eisers stelling dat zijn partner niet op de hoogte was van de misdrijven die hij heeft gepleegd toen het familieleven begon, volgt de rechtbank niet. Zoals verweerder in het primaire besluit heeft overwogen, heeft eiser blijkens het proces-verbaal van verhoor van 6 augustus 2015 verklaard dat hij haar verteld heeft over zijn verleden. In de bij de zienswijze gevoegde brief van eiser staat bovendien dat hij haar zijn hele levensverhaal heeft verteld. Zoals verweerder verder in het bestreden besluit heeft overwogen, heeft zijn partner in haar brief van 10 december 2015 aangegeven dat zij hem heeft leren kennen toen hij aan haar vroeg welke bus naar de PI ging. Ook staat daarin dat eiser in zijn verlofweekenden bij haar thuis kwam.

Eisers stelling dat het onmogelijk is om het gezinsleven in Marokko uit te oefenen, faalt, reeds omdat deze stelling niet is onderbouwd.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op de hiervoor gegeven motivering, zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Aldus heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat het intrekken van eisers verblijfsvergunning geen schending inhoudt van artikel 8 van het EVRM.

20. Voorts is niet in geschil dat sprake is van privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM en dat het bestreden besluit een inmenging vormt op dit privéleven.

21. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat intrekking van eisers verblijfsvergunning niet in strijd is met het in artikel 8 van het EVRM beschermde recht op privéleven. De banden die eiser in Nederland is aangegaan zijn niet als zodanig bijzonder aan te merken dat het intrekken van zijn verblijfsvergunning en het opleggen van een inreisverbod een schending van het privéleven oplevert. Eiser verblijft sinds 1980 in Nederland, maar vanaf 1987 tot en met 2015 heeft hij een aanzienlijk aantal ernstige misdrijven gepleegd. Ten tijde van de besluitvorming zat eiser wederom in detentie. Eiser heeft geen diploma, heeft geen vaste werkkring opgebouwd en zit langdurig in de bijstand. Eisers plannen om alles aan te pakken voor werk zijn niet concreet gemaakt. Verweerder neemt voorts aan dat eiser in Marokko weer een leven kan opbouwen, nu hij de taal spreekt en de cultuur kent. Verweerder overweegt daarnaast dat het niet onredelijk is om bepaalde banden die met Nederland zijn aangegaan op afstand te onderhouden.

Voor zover eiser heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 7 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1525), overweegt de rechtbank dat de Afdeling in deze uitspraak zwaar gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat sprake was van een afname in de aard en ernst van de gepleegde strafbare feiten en dat daar in het geval van eiser geen sprake van is. Hetzelfde geldt voor de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 juli 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:9200). Verweerder heeft voorts voldoende gemotiveerd waarom eisers langdurige verblijf in Nederland niet van doorslaggevend belang is.

22. Daarnaast heeft eiser gesteld dat verweerder ten onrechte voorbij is gegaan aan het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 28 november 2011 (nr. W04.11.0396/1). Daarin wordt geadviseerd de verblijfsbeëindiging na twintig jaar rechtmatig verblijf slechts in zeer uitzonderlijke gevallen aan te merken is als een noodzakelijke en proportionele inbreuk op het recht op eerbiediging van het gezins- of familieleven, dan wel het privéleven. In het Nader Rapport ontwerpbesluit houdende wijziging van het Vb 2000 in verband met aanpassing van de glijdende schaal van 20 maart 2012 (Stc. 2012, 14035), waarnaar verweerder verwijst, is vermeld dat het advies niet wordt overgenomen en dat in voorkomende gevallen een zorgvuldige belangenafweging zal plaatsvinden. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in dit geval een dergelijke belangenafweging gemaakt. Verweerder heeft verder overwogen dat de jurisprudentie van het EHRM, zie het arrest van 9 december 2010 in de zaak Gezginci tegen Zwitserland (nr. 16327/05, www.echr.coe.int), ruimte laat voor verblijfsbeëindiging na een periode van zeer lang verblijf. Eisers beroepsgrond faalt dan ook.

Artikel 4:84 van de Awb

23. In dit verband heeft eiser betoogd dat zijn persoonlijke omstandigheden voor verweerder aanleiding hadden moeten vormen om af te wijken van de beleidsregels. Nu eiser in dit kader dezelfde omstandigheden heeft aangevoerd als in het kader van artikel 8 van het EVRM, is de rechtbank onder verwijzing naar de punten 19 en 21 van oordeel dat deze beroepsgrond faalt.

Inreisverbod

24. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser als een ernstige bedreiging voor de openbare orde heeft kunnen aanmerken en hem een inreisverbod voor de duur van tien jaar heeft mogen opleggen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit, waarin het primaire besluit is overgenomen, voldoende deugdelijk gemotiveerd waarom het persoonlijke gedrag van eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Verweerder heeft daartoe kunnen overwegen dat eiser een veelpleger en een recidivist is en is veroordeeld tot aanzienlijke straffen voor een groot aantal ernstige misdrijven. Eiser verbleef ten tijde van het bestreden besluit bovendien in detentie in verband met een zedenzaak waarvoor hij op 20 februari 2015 is gedagvaard. Ook in dit kader heeft eiser aangevoerd dat geen sprake is van een actuele bedreiging, omdat deze zedenzaak nog niet is afgerond en het laatste strafbare feit welke heeft geleid tot een veroordeling drie jaar geleden is gepleegd. Nu eiser dezelfde beroepsgrond heeft aangevoerd in het kader van artikel 8 van het EVRM, verwijst de rechtbank naar het oordeel hierover in rechtsoverweging 19. De beroepsgrond faalt.

Eiser heeft daarnaast aangevoerd dat van het opleggen van het inreisverbod dient te worden afgezien, omdat dit in strijd is met zijn recht op gezins- en familieleven en privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Nu eiser in dit kader niets anders heeft aangevoerd dan wat hij heeft aangevoerd in het kader van de intrekking van zijn verblijfsvergunning, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om af te zien van het opleggen van het inreisverbod of de duur daarvan te verkorten.

25. Eiser heeft ten slotte verzocht hetgeen is aangevoerd in de bezwaarfase als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep. Nu verweerder hier in het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd op in is gegaan en eiser deze gronden, anders dan besproken in deze uitspraak, in beroep niet nader heeft onderbouwd, kan deze enkele verwijzing niet leiden tot het daarmee door eiser beoogde resultaat.

Conclusie

26. Het beroep zal, voor zover gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, niet-ontvankelijk worden verklaard. Het beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd niet-ontvankelijk;

 verklaart het beroep tegen het inreisverbod ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Tj. Gerbranda, voorzitter, mr. drs. J.H. van Breda en mr. dr. R. Ortlep, rechters, in tegenwoordigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).

Bijlage

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 8

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 22

2. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20, kan worden ingetrokken indien:

c. de houder daarvan bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, dan wel hem terzake de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, is opgelegd.

Artikel 66a

2. Onze Minister kan een inreisverbod uitvaardigen tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is en die Nederland niet onmiddellijk moet verlaten.

4. Het inreisverbod wordt gegeven voor een bepaalde duur, die ten hoogste vijf jaren bedraagt, tenzij de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. De duur wordt berekend met ingang van de datum waarop de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

7. In afwijking van het zesde lid en artikel 8 en met uitzondering van het rechtmatig verblijf van de vreemdeling die een eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 heeft ingediend zolang op die aanvraag nog niet is beslist, kan de vreemdeling jegens wie een inreisverbod geldt geen rechtmatig verblijf hebben, in geval de vreemdeling:

a. bij onherroepelijk geworden rechtelijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd dan wel hem ter zake de maatregel als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd;

b. een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.

8. In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod.

Vreemdelingenbesluit 2000

Artikel 3.86

4. De aanvraag kan voorts worden afgewezen op grond van artikel 18, eerste lid, onder e, van de Wet, indien de vreemdeling wegens ten minste drie misdrijven bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf of jeugddetentie, een taakstraf of een maatregel als bedoeld in artikel 37a, 38m of 77h, vierde lid, onder a of b, van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd, bij onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf is opgelegd, dan wel het buitenlandse equivalent van een dergelijke straf of maatregel is opgelegd, en de totale duur van de onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelten van die straffen en maatregelen ten minste gelijk is aan de in het vijfde lid bedoelde norm.

5. De in het vierde lid bedoelde norm bedraagt bij een verblijfsduur van:

ten minste 15 jaar: 14 maanden.

6. Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt onder verblijfsduur verstaan: de duur van het rechtmatige verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet of als Nederlander, direct voorafgaande aan het moment waarop het misdrijf is gepleegd of aangevangen.

7. Bij de berekening van de in het tweede en vijfde lid bedoelde normen wordt betrokken:

a. indien een taakstraf is opgelegd:

1°. de duur van de vrijheidsstraf die de rechter heeft vastgesteld voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht;

2°. voor iedere twee uren bij strafbeschikking opgelegde taakstraf: een dag vrijheidsstraf;

10. In afwijking van de voorgaande leden wordt de aanvraag niet afgewezen bij een verblijfsduur van tien jaren, tenzij er sprake is van:

a. een misdrijf als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;

b. een misdrijf uit de Opiumwet waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld.

17. De aanvraag wordt niet afgewezen, indien uitzetting van de vreemdeling in strijd zou zijn met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Artikel 3.98

1. De verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd kan op grond van artikel 22, tweede lid, onder c, van de Wet worden ingetrokken, indien de vreemdeling wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf, een taakstraf of de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, dan wel het buitenlands equivalent daarvan, is opgelegd, en de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan de norm, bedoeld in artikel 3.86, tweede, derde dan wel vijfde lid.

2. De artikelen 3.86 en 3.87 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.5a

5. In afwijking van het eerste tot en met vierde lid, bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste tien jaren, indien het betreft een vreemdeling die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Deze ernstige bedreiging kan blijken uit onder meer:

a. een veroordeling naar aanleiding van een geweldsdelict of opiumdelict;

b. een veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaren is bedreigd;

c. de omstandigheid dat hem artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen, of

d. de oplegging van een maatregel als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht.

Vreemdelingencirculaire 2000

Paragraaf B12/2.8. Intrekking verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd

IND trekt de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd in als zich een omstandigheid voordoet als genoemd in artikel 22, tweede lid, Vw en als de artikelen 3.97 en 3.98 Vb hierop geen uitzondering maken.

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:84

Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.