Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1184

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
09-02-2017
Zaaknummer
AWB 17/772, 17/775
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde asielaanvraag.

De rechtbank volgt niet het standpunt van verweerder dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen omdat eiser de verklaring van de wijkafgevaardigde van de deelgemeente Elf van Khair Khana van de stad Kabul, gedateerd 19 oktober 2016, eerder had moeten overleggen.

De rechtbank overweegt dat het bepaalde in artikel 33, tweede lid, onder d, en artikel 40, tweede en derde lid, van de Procedurerichtlijn is geïmplementeerd in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. In de nationale bepaling is geen verwijtbaarheidstoets opgenomen, zoals door verweerder gehanteerd in het bestreden besluit, inhoudende dat reeds geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen, indien hetgeen aan de opvolgende asielaanvraag ten grondslag is gelegd door de vreemdeling eerder naar voren had kunnen worden gebracht. Anders dan in het tweede en derde lid, van artikel 40 van de Procedure-richtlijn, is in het vierde lid van dat artikel de mogelijkheid voor lidstaten opgenomen om in het kader van een opvolgende asielaanvraag een verwijtbaarheidstoets (“buiten zijn toedoen”) in de nationale wetgeving op te nemen, maar gelet op de tekst van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw heeft Nederland er niet voor gekozen om het vierde lid te implementeren. Gelet hierop, kan in artikel 30a, eerste lid, onder d, Vw geen verwijtbaarheidstoets worden “ingelezen”. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder bij de vraag of eiser aan zijn huidige, opvolgende asielaanvraag (relevante) nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd, ten onrechte een verwijtbaarheidstoets heeft gehanteerd. De grond slaagt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 30a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2017/77
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 17/772 (beroep)

AWB 17/775 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 7 februari 2017 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Afghaanse nationaliteit,

eiser, verzoeker

hierna te noemen eiser,

(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. B. van Beers, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiser heeft eerder, op 31 oktober 2015, een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser heeft zijn eerdere asielaanvraag in het kort gebaseerd op het volgende. Eiser is afkomstig uit Kabul, hij heeft de Afghaanse nationaliteit en is Tadzjiek. Eiser had een buurmeisje, [naam] , waar hij al van jongs af aan mee speelde en verliefd op was. De vader van eiser en de vader van [naam] hadden ooit gesproken over een toekomstig huwelijk, maar nadat eiser op 10-jarige leeftijd bij een auto-ongeluk een nier was verloren, vond haar vader eiser geen goede huwelijkspartner meer. Eiser had al tien jaar een relatie met [naam] en zij wilden met elkaar trouwen. Zij hadden regelmatig in het openbaar afspraakjes; ze gingen naar de bazaar, wandelden samen en hebben vijf of zes keer samen in een restaurant gegeten. Dit was buiten medeweten van haar familie en zij namen voorzorgsmaatregelen. Eiser heeft in totaal wel tien keer om de hand van [naam] gevraagd, maar dit verzoek werd telkens afgewezen door haar vader. Op een dag heeft de vader van [naam] definitief geweigerd waardoor eiser en [naam] alle hoop verloren om nog met instemming van de vader van [naam] te mogen huwen. [naam] was hierdoor zo ontdaan dat ze in de nacht van 27 op 28 september 2015 over de gemeenschappelijke scheidsmuur is geklommen en naar eisers slaapkamer is gegaan met het voorstel om samen te vluchten en Islamitisch te trouwen. Eiser wilde echter de familie-eer niet bezoedelen en slechts met toestemming van haar ouders trouwen. Omdat [naam] ondanks zijn aandringen niet wilde teruggaan, is eiser in de woonkamer gaan slapen, terwijl [naam] in zijn slaapkamer bleef. Toen zij er de volgende ochtend nog bleek te zijn, heeft de moeder van eiser haar terug naar huis gebracht. Eiser ging ondertussen op aanraden van zijn moeder naar een oom om fruit op te halen. De vader van [naam] is heel erg boos geworden en hij is met een wapen op zoek gegaan naar eiser in hun huis. Eisers moeder is toen naar eisers oom toe gegaan en heeft gezegd dat eiser daar voorlopig moest blijven. Omdat de woede van [naam] vader niet bekoelde en hij nog twee keer naar eiser gezocht heeft in hun huis, heeft eiser besloten te vluchten.

1.2

Verweerder heeft de gestelde relatie met [naam] en de gebeurtenissen op 27 en 28 september 2015 niet geloofwaardig geacht en heeft de aanvraag bij besluit van 25 juni 2016 afgewezen op grond van artikel 31 Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Het door eiser hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 3 augustus 2016 (AWB 16/14005) ongegrond verklaard.

2. Op 14 december 2016 heeft eiser de in geding zijnde, herhaalde aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiser heeft daaraan ten grondslag gelegd dat hij een document heeft, waaruit blijkt dat hij problemen heeft met de vader van [naam] . Het document betreft een verklaring van de wijkafgevaardigde van de deelgemeente [naam deelgemeente] van de stad Kabul, gedateerd 19 oktober 2016, en is mede ondertekend door buren die ooggetuigen zijn.

3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. Daartoe heeft hij zich op het standpunt gesteld dat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd aan zijn opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

4. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurelichtlijn, indien de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend waaraan door de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

5. De rechtbank zal beoordelen of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser aan zijn huidige asielaanvraag geen (relevante) nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd.

6. Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte tegenwerpt dat hij te laat een opvolgende aanvraag heeft ingediend en onvoldoende gemotiveerd heeft aangegeven waarom het door eiser overlegde document onbruikbaar is. Verweerder heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de persoonlijke (afhankelijke) situatie van eiser. Eiser was in bewaring gesteld. Hij heeft het originele document in deze late fase ingebracht omdat het nog onderweg was uit Afghanistan en hij het originele document dus niet eerder in zijn bezit had.

6.1

Verweerder neemt het standpunt in dat geen sprake is van een nieuw gebleken feit of omstandigheid (de rechtbank leest: nieuwe elementen of bevindingen) omdat eiser het document eerder had kunnen en derhalve had moeten overleggen. Eiser heeft tegenover de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) verklaard dat hij het document reeds eind september/begin oktober 2016 per mail heeft ontvangen. Daarbij heeft eiser eerder een asiel- en beroepsprocedure (bijgestaan door een advocaat) doorlopen en is hem een folder overhandigd waarin het belang van originele documenten staat beschreven. Tevens worden alle asielzoekers door VluchtelingenWerk Nederland (VWN) geïnformeerd over de asielprocedure en ook over het belang van originele documenten. Zo heeft eiser wel zijn originele taskera voorafgaand aan zijn eerste asielprocedure over laten komen. Van eiser had verwacht mogen worden dat hij opnieuw asiel zou hebben aangevraagd direct nadat hij het document onder ogen heeft gekregen. Dat hij dit heeft nagelaten klemt te meer, nu eiser op 7 december 2016 reeds is aangehouden. Ook bij deze gelegenheid heeft hij zijn asielwens nog immer niet kenbaar gemaakt maar heeft hij daarmee gewacht tot 14 december 2016.

6.2

De rechtbank volgt niet het standpunt van verweerder dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen omdat eiser de verklaring van de wijkafgevaardigde van de deelgemeente [naam deelgemeente] van de stad Kabul, gedateerd 19 oktober 2016, eerder had moeten overleggen.

6.3

In artikel 33, tweede lid, onder d, van de Procedurerichtlijn 2013/32/EU (PB 2013, L 180; de Procedurerichtlijn) staat vermeld dat de lidstaten een verzoek om internationale bescherming alleen als niet-ontvankelijk beschouwen wanneer het verzoek een volgend verzoek is en er geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen of door de verzoeker werden voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU.

Ingevolge artikel 40, tweede lid van de Procedurerichtlijn wordt een volgend verzoek om internationale bescherming, om krachtens artikel 33, tweede lid, onder d, een beslissing over de ontvankelijkheid van een verzoek om internationale bescherming te nemen, eerst aan een voorafgaand onderzoek onderworpen om uit te maken of er nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn of door de verzoeker zijn voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt krachtens Richtlijn 2011/95/EU.
In het derde lid is bepaald dat, indien uit het in lid 2 bedoelde voorafgaande onderzoek wordt geconcludeerd dat er nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen of door de verzoeker werden voorgelegd die de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt krachtens Richtlijn 2011/95/EU, wordt het verzoek verder behandeld overeenkomstig hoofdstuk II. De lidstaten kunnen ook in andere redenen voorzien om een volgende verzoek verder te behandelen.

In het vierde lid is bepaald dat de lidstaten kunnen bepalen dat het verzoek enkel verder wordt behandeld indien de betrokken verzoeker buiten zijn toedoen de in de leden 2 en 3 van dit artikel beschreven situaties in het kader van de vorige procedure niet kon doen gelden, in het bijzonder door zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel krachtens artikel 46 uit te oefenen.

6.5

De rechtbank overweegt dat het bepaalde in artikel 33, tweede lid, onder d, en artikel 40, tweede en derde lid, van de Procedurerichtlijn is geïmplementeerd in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. In de nationale bepaling is geen verwijtbaarheidstoets opgenomen, zoals door verweerder gehanteerd in het bestreden besluit, inhoudende dat reeds geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen, indien hetgeen aan de opvolgende asielaanvraag ten grondslag is gelegd door de vreemdeling eerder naar voren had kunnen worden gebracht. Anders dan in het tweede en derde lid, van artikel 40 van de Procedure-richtlijn, is in het vierde lid van dat artikel de mogelijkheid voor lidstaten opgenomen om in het kader van een opvolgende asielaanvraag een verwijtbaarheidstoets (“buiten zijn toedoen”) in de nationale wetgeving op te nemen, maar gelet op de tekst van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw heeft Nederland er niet voor gekozen om het vierde lid te implementeren. Gelet hierop, kan in artikel 30a, eerste lid, onder d, Vw geen verwijtbaarheidstoets worden “ingelezen”. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder bij de vraag of eiser aan zijn huidige, opvolgende asielaanvraag (relevante) nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd, ten onrechte een verwijtbaarheidstoets heeft gehanteerd. De grond slaagt.

6.6

Het beroep is in zoverre gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank zal thans bezien of er aanleiding is om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel of gedeeltelijk in stand blijven en daartoe de overige standpunten van partijen bespreken.

7. Eiser voert aan dat in het overgelegde document wordt aangegeven dat zijn problemen nog voortduren en een bemiddelingspoging geen resultaat heeft opgeleverd. Dit zijn nieuwe feiten en omstandigheden en werpen een nieuw licht op de zaak van eiser. Verweerder heeft, zonder deugdelijke motivering, de inhoud van het door eiser overlegde document ten onrechte niet bij haar besluitvorming betrokken. Dat eiser geen gedetailleerde beschrijving heeft geven over de afgelegde route van het document, wil niet zeggen dat de inhoud ervan niet klopt. Eiser is van mening dat verweerder de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas diende te toetsen naar aanleiding van de inhoud van het overgelegde originele, gedateerde en vertaalde document, dat afkomstig is van een objectieve bron. Het is onjuist dat het door eiser overlegde document op zijn verzoek tot stand is gekomen. Eiser heeft zijn moeder gebeld en de reden van zijn afwijzing van de eerdere asielaanvraag verteld. Zijn moeder heeft tevergeefs getracht om het probleem van eiser op te lossen en heeft daarna voornoemd document gestuurd. De bemiddelingspoging is relevant mede gelet op het feit dat eerwraak volgens het ambtsbericht een reëel onderwerp is in het kader van een risico als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het is voorts logisch dat documenten en bewijzen op verzoek en ten behoeve van een belanghebbende worden opgesteld.

7.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het ingebrachte document is opgesteld op verzoek van eiser, via zijn moeder. Dat betreft een niet objectieve, noch verifieerbare bron. Voorts heeft eiser nagenoeg niets kunnen vertellen over dit document, noch de wijze van verkrijging. Niet valt in te zien dat eiser niet stilstaat bij de route dat een dergelijk document heeft afgelegd. Eiser is niet in staat gebleken om de verzendenveloppe over te leggen waarmee het document naar zijn oom in Nederland zou zijn gestuurd door zijn moeder, terwijl hij tevens heeft verklaard dat hij regelmatig contact heeft met zijn oom. Met betrekking tot de bemiddelingspoging wekt het bevreemding dat eiser niet direct na het ontstaan van zijn problemen de bemiddeling en hulp zou hebben ingeroepen van mensen van zijn stamgenoten, al dan niet de wijkvertegenwoordiger met ondersteuning door zijn buren. Van bedreiging door de vader van [naam] is uit de eerdere procedure niet gebleken. Eiser heeft daarbij verklaard dat hij, voorafgaand aan zijn vertrek uit zijn land van herkomst, nog een week bij een oom in Afghanistan zou hebben verbleven.

7.2

In het proces-verbaal van gehoor van DT&V van 14 december 2016 is het volgende opgenomen (V: vraag uitvoerend ambtenaar, A: antwoord betrokkene -eiser-):

V: Wanneer bent u in het bezit gekomen van dit document?

A: Ik heb mijn moeder gebeld toen ik een ongegrond beroep heb gekregen en gezegd dat ik terug moest naar Afghanistan. Mijn moeder heeft toen gezegd dat het niet goed was om terug te komen omdat het niet veilig voor mij was. Zij heeft toen de wijkvertegenwoordiger in Afghanistan benaderd en gevraagd een document op te stellen dat ik niet veilig ben. In dit document staat dat hij verklaart dat meerdere bewoners problemen met mij hebben omdat ik een relatie heb gehad met mijn buurmeisje. Mijn buurman wil mij vermoorden.

7.3

Met verweerder constateert de rechtbank dat het door eiser overgelegde document is opgesteld op verzoek van de moeder van eiser, die geen objectieve bron is. De rechtbank stelt voorts vast dat de inhoud van de verklaring van de wijkafgevaardigde niet overeenstemt met de verklaringen van eiser in de eerdere asielprocedure. De wijkafgevaardigde vermeldt immers het volgende:

“Ik ben zelf persoonlijk als de wijkafgevaardigde van deelgemeente Elf samen met een groep ouderen en buren voor het oplossen van hun problemen aanwezig geweest bij verschillende zittingen. Echter heeft dit niet tot resultaat geleidt. De bedreigingen van de familie van [naam] bleven voortduren. [eiser] was daardoor noodgedwongen om te vluchten.”

Eiser heeft tijdens het nader gehoor op 13 juni 2016 (pagina 23) het volgende verklaard:

Heeft niemand anders geprobeerd om dit probleem op een andere manier op te lossen ?
Mijn moeder had iets gezegd. Mijn moeder had gezegd: “Mijn zoon heeft het niet gedaan. Uw dochter is zelf hier naartoe gekomen.” Maar hij ontkende dit en zei dat ik haar had laten vluchten uit huis. Hij zei: “ik laat hem niet met rust. Hij moet zijn straf voor zijn misdaad krijgen.

Waarom is niet geprobeerd om dit probleem op een andere manier op te lossen ?
Mijn moeder heeft gezegd hoe het was gegaan, maar hij accepteerde het niet.

(…) Maar is er dan helemaal niemand geweest die heeft geprobeerd om te bemiddelen ?
Van [naam] weet ik niks. Die zit daar in huis. Van haar weet ik niks. Hij zei: “Nee, mijn dochter durft niet van ons huis te vluchten. Maar uw zoon is gekomen en heeft mijn dochter uit huis laten vluchten.”

Uit de verklaring van de wijkafgevaardigde blijkt dat hij en andere personen een aantal keren in bijeenkomsten hebben geprobeerd het probleem tussen eiser en de vader van [naam] op te lossen. Er is derhalve sprake geweest van pogingen tot bemiddeling in het conflict. Uit de verklaringen van de wijkafgevaardigde blijkt dat dit heeft plaatsgevonden vóór het vertrek van eiser uit Afghanistan. Tijdens het nader gehoor heeft eiser echter desgevraagd verklaard dat er geen bemiddelingspogingen zijn geweest. De verklaring van eiser ter zitting dat er een keer een poging tot bemiddeling is gedaan door zijn moeder en een oom van vaderskant toen hij nog in het land was, komt niet overeen met de hiervoor weergegeven verklaringen van eiser tijdens het nader gehoor. De verklaring van eiser ter zitting dat meer bemiddelings-pogingen zijn ondernomen na zijn vertrek, strookt voorts niet met de inhoud van de overgelegde verklaring van 19 oktober 2016.

7.4

Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank verweerder in het standpunt dat eiser met het inbrengen van de verklaring van de wijkafgevaardigde geen nieuwe elementen of bevindingen aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. Verweerder heeft de aanvraag dan ook niet ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, Vw. De grond slaagt niet.

8. Nu verweerder, gelet op het voorgaande, terecht heeft geconcludeerd dat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd, heeft verweerder terecht geconcludeerd dat er geen grond is voor het oordeel dat eiser, anders dan is geconcludeerd in het eerdere afwijzende besluit, thans een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Voorts is niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden, als bedoeld in paragraaf 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in zaak nr. 145/1996/764/965, Bahaddar tegen Nederland (www.echr.coe.int).

9. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte een inreisverbod heeft opgelegd omdat de tegenwerping van artikel 30a, eerste lid, onder d, Vw niet in stand kan blijven.

9.1

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, Vw een inreisverbod is opgelegd. Er bestaat derhalve geen aanleiding om af te zien van het opleggen van een inreisverbod.

9.2

De rechtbank is van oordeel dat nu verweerder niet ten onrechte gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw de opvolgende aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op het bepaalde in artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, op goede gronden een inreisverbod van 2 jaar heeft opgelegd. De grond treft geen doel.

10. Gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 7. tot en met 9.2 is overwogen, bestaat aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel in stand blijven.

11. Nu het beroep gegrond is, acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiser redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op
€ 990,- op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (Bpb) (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 495,- per punt en wegingsfactor 1).

Verzoek om een voorlopige voorziening

12. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

13. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

14. De voorzieningenrechter ziet in wat hiervoor in het beroep is overwogen aanleiding verweerder te veroordelen in de door verzoeker in de voorlopige voorzieningenprocedure gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 495,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de kosten van het beroep, ten bedrage van € 990,- (negenhonderdennegentig euro).

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 495,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.O.P. Roché, rechter, tevens voorzieningenrechter in aanwezigheid van A.J. Vervoordeldonk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2017.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.