Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11809

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-10-2017
Datum publicatie
18-10-2017
Zaaknummer
C-09-519360-HA ZA 16-1136
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overheidsaansprakelijkheid. Collectieve actie NJCM en de uit Afghanistan afkomstige X, een voormalig officier bij de Khad/Wad, over gestelde onjuiste toepassing van het Unierecht door de Afdeling in de zaak van X aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen.

1. Ontvankelijkheid NCJM: de vordering ziet op een bestendige lijn in de rechtspraak van de Afdeling die in de zaak van X is toegepast. De bescherming die voormalig KhAD/WAD (onder-) officieren) kunnen ontlenen aan de toepasselijke Köbler-norm, verschilt niet van de bescherming die X daaraan kan ontlenen. Ook overigens verzet de aard van de toe te passen norm zich niet tegen toepasselijkheid daarvan op de gebundelde belangen van voormalig KhAD/WAD (onder-) officieren in deze zaak.

2. Ten gronde komt de rechtbank komt niet toe aan toetsing van de vraag of de Afdeling het Unierecht onjuist heeft toegepast, aangezien de als onrechtmatig bestempelde uitspraak van de Afdeling geen betrekking had/kon hebben op het tegenwerpen van artikel 1F. Daarover was reeds bij uitspraak van 13 mei 2008 beslist. De bestreden uitspraak van de Afdeling had alleen betrekking op de toetsing aan de artikelen 3 en 8 EVRM. Het Unierechtelijk doeltreffendheidsbeginsel vergt niet dat het gezag van gewijsde opzij gezet wordt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 305a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2018/21
JV 2017/243
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer C/09/519360 HA ZA 16-1136

Vonnis van 18 oktober 2017

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] , [land] ,

2. de vereniging

NEDERLANDS JURISTEN COMITE VOOR DE MENSENRECHTEN,

gevestigd te Leiden,

eisers,

procesadvocaat mr. T.M. Snoep te Amsterdam,

behandelend advocaten mrs. T.M. Snoep, L. de Bella, A.M. van Eik en J. Klaas.

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

procesadvocaat mr. E.C. Pietermaat te Den Haag,

behandelend advocaten mrs. E.C. Pietermaat, M.M. van Asperen en P.P.Huurnink.

Eisers zullen hierna tezamen worden aangeduid als “ [eiser sub 1] cs” en apart als “ [eiser sub 1] ” respectievelijk “NJCM”. Gedaagde wordt aangeduid als “de Staat”.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 23 september 2016;

  • -

    de akte overlegging producties van [eiser sub 1] cs;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    het vonnis waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte proces-verbaal van de op 24 augustus 2017 gehouden comparitie van partijen en de daarin genoemde stukken; de opmerkingen van partijen over het proces-verbaal behoren tot de processtukken.

1.2.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser sub 1] is afkomstig uit Afghanistan. Hij heeft op 7 oktober 1998 een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend en een verblijfsvergunning aangevraagd. Bij zijn aanvraag heeft hij een legitimatiebewijs van de Khad (Khadimar- Atal’at-e Dowlati)/WAD (Wazarat-e Amaniet-eDowati) overgelegd. Hij verklaarde bij zijn aanvraag dat hij van [… 1] tot [… 2] bij de Khad had gewerkt. Zijn eerste rang was tweede luitenant. Zijn laatste rang was luitenant majoor. [eiser sub 1] verklaarde steeds dezelfde administratieve werkzaamheden te hebben verricht bij (formeel) verschillende afdelingen: volgens zijn verklaring heeft hij in de boekhouding en de loonadministratie gewerkt en heeft hij ook rantsoenbonnen voor levensmiddelen verstrekt aan personeelsleden.

2.2.

Op 26 september 2001 is aan [eiser sub 1] een vergunning asiel voor onbepaalde tijd verleend. Deze is bij besluit van 12 juni 2002 ingetrokken. Aan [eiser sub 1] is artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen

2.3.

Bij uitspraak van 2 augustus 2004 heeft de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Arnhem) het door [eiser sub 1] hiertegen ingestelde beroep gegrond verklaard.

2.4.

Bij uitspraak van 8 februari 2005 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) deze uitspraak vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank.

2.5.

Bij uitspraak van 27 september 2005 heeft de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Arnhem) opnieuw [eiser sub 1] beroep gegrond verklaard.

2.6.

Bij uitspraak van 9 februari 2006 heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank.

2.7.

Bij uitspraak van 13 mei 2008 heeft de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Arnhem) het beroep van [eiser sub 1] gegrond verklaard en het besluit van 12 juni 2002 vernietigd. De rechtbank oordeelde dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag terecht was tegengeworpen aan [eiser sub 1] . De gegrondverklaring van het beroep had betrekking op een motiveringsgebrek ten aanzien van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2.8.

Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

2.9.

Bij besluit van 21 februari 2012 is de aan [eiser sub 1] verleende verblijfsvergunning opnieuw ingetrokken. In dit besluit is, voor zover relevant, ingegaan op de stellingen van [eiser sub 1] over artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.

2.10.

Bij uitspraak van 2 juli 2015 heeft de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Amsterdam) het beroep van [eiser sub 1] tegen het nieuwe intrekkingsbesluit ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog onder meer:

“5.1 Eiser stelt in beroep opnieuw dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag ten onrechte aan hem is tegengeworpen. Deze tegenwerping is reeds aan de orde geweest en in stand gebleven, met name in de hierboven genoemde onherroepelijke uitspraken van de Afdeling van 8 februari 2005 en van de rechtbank van 13 mei 2008. In beginsel dient dan ook te worden uitgegaan van de juistheid van het in deze uitspraken vervatte oordeel over de toepasselijkheid van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag en het daaraan ten grondslag liggende ambtsbericht 2000, tenzij sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigen van een eerder verworpen beroepsgrond.

5.2

Eiser doet een beroep op artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) en [heeft] zich op het standpunt gesteld dat hij de onderliggende stukken van het ambtsbericht 2000 niet mag inzien en dat hem onvoldoende compensatie wordt geboden voor zijn daaruit voortvloeiende slechte bewijspositie. Deze beroepsgrond faalt. Eisers betoog ziet op hetzelfde onderwerp als reeds is beoordeeld in genoemde uitspraken van de Afdeling van 8 februari 2005 en van de rechtbank van 13 mei 2008. Uit het betoog van eiser blijkt echter niet van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde beoordeling zouden rechtvaardigen. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:522), waarin de Afdeling tot een gelijke conclusie komt ten aanzien van een soortgelijk beroep op artikel 47 van het Handvest.

5.3

Eiser doet verder een beroep op de Background Note van de UHNCR van 13 mei 2008 en stelt zich op het standpunt dat deze Note een concreet aanknopingspunt is voor twijfel aan de juistheid en de volledigheid van het ambtsbericht 2000. Dit beroep is wel nieuw. De rechtbank stelt echter vast dat de Afdeling al meerder[e] malen heeft uitgemaakt, onder meer bij uitspraak van 13 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW4347), dat deze Note niet is aan te merken als een concreet aanknopingspunt in bovenbedoelde zin. De beroepsgrond van eiser faalt. Gelet hierop is evenmin aanleiding om de UNCHR op te roepen als getuige, zoals door eiser is betoogd. De rechtbank verwijst daartoe naar de uitspraak van de Afdeling van 11 september 2012 (201107836/1, www.raadvanstate.nl).

5.4

Eiser wijst ook op artikel 12, tweede lid, van de Richtlijn 2004/83/EG (Richtlijn) en de uitleg die het Hof van Justitie van de Europese Unie aan deze bepaling heeft gegeven in het arrest van 9 november 2010 inzake B. en D. tegen Duitsland (C-57/09 en C-101/09). Volgens eiser volgt uit dit arrest dat een omkering van de bewijslast zoals in het onderhavige geval heeft plaatsgevonden, niet is toegestaan. De rechtbank kan eiser hierin niet volgen. De Afdeling heeft immers bij uitspraak van 29 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:632) en onder verwijzing naar genoemd arrest al uitgemaakt dat het in beginsel aannemen dat ten aanzien van onderofficieren en officieren van de KhAD/WAD sprake is van ‘personal and knowing participation’ verenigbaar is met artikel 12, tweede lid, van de Richtlijn.”

(…)

5.6

Gelet op het voorgaande is de conclusie dat verweerder, onder verwijzing naar het ambtsbericht 2000, terecht artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag aan eiser heeft tegengeworpen. Verweerder was dan ook in beginsel bevoegd om de verblijfsvergunning in te trekken.”

2.11.

Tegen deze uitspraak is [eiser sub 1] in hoger beroep gekomen met vier grieven. De eerste grief zag op de tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Deze grief richtte zich tegen de overwegingen 5.2 t/m 5.6 van de rechtbank.

2.12.

Bij uitspraak van 16 november 2015 heeft de Afdeling het beroep van [eiser sub 1] kennelijk ongegrond verklaard en de onder 2.10 genoemde uitspraak bevestigd.

3 Het relevante Vreemdelingrechtelijk toetsingskader

3.1.

Krachtens artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (het te Genève gesloten Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951 (Trb. 1951, 131)) zijn de bepalingen van dit verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

  • -

    a) hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

  • -

    b) hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

  • -

    c) hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen van beginselen van de Verenigde Naties.

3.2.

Krachtens artikel 12, lid 2, van de Richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 (hierna: de Definitierichtlijn), waarvan de omzettingstermijn op 10 oktober 2006 is verstreken, wordt een onderdaan van een derde land of een stateloze uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat:

  • -

    a) hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

  • -

    b) hij buiten het land van toevlucht een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan, dat wil zeggen vóór de afgifte van een verblijfsvergunning op grond van de toekenning van de vluchtelingenstatus; bijzonder wrede handelingen kunnen, zelfs indien zij met een beweerd politiek oogmerk zijn uitgevoerd, als ernstige, niet-politieke misdrijven aangemerkt worden;

  • -

    c) hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen van beginselen van de Verenigde Naties als vervat in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de Verenigde Naties.

Het derde lid van artikel 12 van de Definitierichtlijn bepaalt dat het tweede lid van toepassing is op personen die aanzetten tot of anderszins deelnemen aan de in dat lid genoemde misdrijven of daden.

3.3.

In de Nederlandse vreemdelingenpraktijk wordt eerst getoetst of artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. Daarna wordt beoordeeld of een persoon een vluchteling is in de zin van dit verdrag.

3.4.

Het voor de uitspraak van 16 november 2015 relevante beleid van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), die in § 7.10.2.4 onder de kop “Bewijslast en verantwoordelijkheid” bepaalt:

“Voor tegenwerping van artikel 1F Vluchtelingenverdrag moet de IND aantonen dat er ‘ernstige redenen’ zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling verantwoordelijk kan worden gehouden voor één van de misdrijven bedoeld in dit artikel. Indien de IND ‘ernstige redenen’ heeft aangetoond, moet de vreemdeling dit gemotiveerd weerleggen, om toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag te voorkomen.”

3.5.

In 2001 is vastgelegd dat bij toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag de zogenoemde “personal and knowing participation” test wordt uitgevoerd. Aan de hand daarvan wordt bezien of iemand persoonlijk heeft deelgenomen aan handelingen als omschreven in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (personal participation) en wordt bezien of iemand wist of had behoren te weten dat de reële mogelijkheid bestond dat mede door zijn handelen of nalaten een handeling als omschreven in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag zou worden gepleegd (knowing participation).

3.6.

Bij de beoordeling van uit Afghanistan afkomstige asielzoekers wordt gebruik gemaakt van een ambtsbericht dat de minister van Buitenlandse Zaken op 29 februari 2000 heeft toegezonden aan de staatssecretaris van justitie (hierna: het ambtsbericht). Dit bevat een beschrijving van de taken, de organisatiestructuur en de werkmethodes van de opeenvolgende Afghaanse veiligheidsdiensten die ten tijde van het communistische bewind, in de periode 1978- 1992 , actief waren in Afghanistan. Het accent ligt op de beschrijving van de KhAD, in de periode 1980-1986, en de WAD, in de periode 1986- 1992 . Centraal in het ambtsbericht stond de vraag of en zo ja welke medewerkers van de Afghaanse veiligheidsdiensten zich schuldig hebben gemaakt aan schendingen van mensenrechten.

3.7.

Paragraaf 2.7 (p. 24-25) van het ambtsbericht vermeldt, voor zover thans van belang, het volgende:

"Het klimaat van terreur en angst dat de KhAD en de WAD teweegbrachten in de Afghaanse maatschappij, heerste ook binnen de veiligheidsdiensten zelf. De loyaliteit van de medewerkers van de KhAD en de WAD werd voortdurend op de proef gesteld. Indien ook maar de geringste twijfel bestond over de toewijding van een medewerker aan de communistische zaak, dan werd hij (of zij) zonder meer uit de gelederen van de KhAD of de WAD verwijderd. Veelal betekende dit de dood van de betrokken medewerker. Om niet de verdenking op zich te laden deloyaal te zijn, dienden de medewerkers van de KhAD en de WAD zich vrijwel dagelijks te bewijzen.

Als eerste plaatsing werden onder-officieren en officieren tewerk gesteld op afdelingen binnen de KhAD en de WAD die zich concreet bezig hielden met de opsporing van 'staatsgevaarlijke elementen'. Medewerkers van de KhAD en de WAD rouleerden regelmatig om te voorkomen dat zij binnen een bepaalde afdeling een te grote machtsbasis opbouwden. Soms werden medewerkers verscheidene malen per jaar overgeplaatst. Iemand die langer dan een jaar bij de KhAD of de WAD in dienst was, had tenminste op twee afdelingen gewerkt. Een plaatsing op een afdeling of directie waar de werkzaamheden een meer administratief of technisch karakter hadden lag slechts in het verschiet als een onder-officier of officier zich voldoende had bewezen tijdens een eerste plaatsing of plaatsingen. Zoals reeds uiteengezet is in paragraaf 2.4, kon een promotie tot officier van de KhAD en de WAD niet plaatsvinden als de betrokken medewerker niet concreet blijk gegeven had van zijn of haar onvoorwaardelijke loyaliteit aan het communistische bewind. Dit gold ook voor promoties die een officier van de KhAD of de WAD ten deel vielen na afronding van zijn of haar opleiding. Elke officier die tijdens zijn diensttijd is bevorderd is derhalve betrokken geweest bij arrestaties, ondervragingen, martelingen en zelfs executies. (…) Onder-officieren en officieren van de KhAD en de WAD konden geen ontslag nemen zonder het risico te lopen als deloyaal te worden aangemerkt. Wel was het mogelijk dat zij naar een andere overheidsdienst werden overgeplaatst. Uit het bovenstaande volgt dat alle onder-officieren en officieren werkzaam zijn geweest in de macabere afdelingen van de KhAD en de WAD en persoonlijk betrokken zijn geweest bij het arresteren, ondervragen, martelen en soms executeren van verdachte personen."

3.8.

Bij brief van 3 april 2000 (TK 1999-2000, 19 637, nr. 520, p 4-5) heeft de staatssecretaris van justitie, onder de kop “3.1. Veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan”, aan de Tweede Kamer geschreven:

“De minister van Buitenlandse Zaken heeft op 29 februari dit jaar een ambtsbericht uitgebracht over de taken, organisatiestructuur en werkmethodes van opeenvolgende Afghaanse veiligheidsdiensten ten tijde van het communistisch bewind (1978– 1992 ). Het ambtsbericht (bijlage 5) richt zich met name op de KhAD en de WAD. De KhAD werd in 1980 opgericht en in 1986 omgevormd tot een ministerie. Dit ministerie, de WAD, bleef tot de val van het communistisch bewind in 1992 bestaan. Ik heb om dit ambtsbericht gevraagd om vast te kunnen stellen welke voormalige medewerkers van deze twee diensten zich schuldig hebben gemaakt aan schendingen van mensenrechten.

De KhAD en de WAD hadden als taak het voortbestaan van het communistische bewind op korte en lange termijn te waarborgen. In de praktijk betekende dit dat de KhAD en de WAD de vijanden van dit bewind dienden op te sporen en uit te schakelen. Bij de uitvoering van hun taak beschikten de KhAD en de WAD over bijna onbeperkte volmachten, waar zij ruim gebruik van maakten. Het ambtsbericht stelt vast dat in de praktijk alle onderofficieren en officieren van de KhaD en de WAD werkzaam zijn geweest in de macabere afdelingen van deze diensten en persoonlijk betrokken zijn geweest bij het arresteren, ondervragen en martelen en soms executeren van verdachte personen. Derhalve hebben alle onderofficieren en officieren zich schuldig gemaakt aan schendingen van de mensenrechten.

[Indachtig] de lijn ingezet bij de brief van 28 november 1997 aan uw Kamer over artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag over de bewijslast in deze zaken (1997–1998, 19 637, nr. 295), leidt de informatie in dit ambtsbericht mij tot de conclusie dat aan een onderofficier of officier van de KhAD en WAD die asiel aanvraagt in Nederland voortaan in de regel artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag zal worden tegengeworpen.

Indien er concrete aanwijzingen zijn dat een voormalige Afghaanse asielzoeker onjuiste gegevens heeft verstrekt over zijn positie als onderofficier of officier in de KhAD of WAD en deze gegevens hebben tot verlening van een vergunning geleid, kan de vergunning worden ingetrokken. Indien thans mocht blijken van concrete aanwijzingen dat in het verleden aan de hiervoor bedoelde onderofficieren en officieren artikel 1F niet is tegengeworpen, zal worden bezien of tot intrekking van de toelating kan worden overgegaan. In een aantal zaken van voormalige (onder)officieren van de KhAD en WAD loopt overigens reeds thans een onderzoek naar de mogelijkheid de eerder verleende status in te trekken.”

3.9.

Naar de Staat heeft toegelicht wordt in geval van Afghaanse asielzoekers eerst, aan de hand van de verklaring van de vreemdeling en de beschikbare documenten die op hem betrekking hebben, bezien wat voor positie de betrokken persoon had. Indien blijkt dat de Afghaanse vreemdeling werkzaam is geweest bij de Khad/WAD, wordt de beschikbare informatie afgezet tegen de inhoud van het ambtsbericht. Ten aanzien van voormalig onderofficieren en officieren van de Khad/WAD wordt op basis van het ambtsbericht uitgegaan van de veronderstelling dat sprake was geweest van “personal and knowing participation”. Dit is onder meer bij brief van brief van 9 juni 2008 van de Staatssecretaris aan de Tweede Kamer als volgt toegelicht:

“Wat betreft de toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag in het Nederlandse vreemdelingenbeleid (...) wordt vooropgesteld dat in alle zaken waarin dit artikel is tegengeworpen, steeds individueel is getoetst. De Staatssecretaris moet aantonen – maar niet “bewijzen” in de zin van de in het strafrecht gehanteerde bewijsmaatstaf – “ernstige redenen” te hebben om te veronderstellen dat de betrokkene onder de criteria van artikel 1F Vluchtelingenverdrag valt. Indien een vreemdeling weet heeft gehad van de betreffende gedraging/de betreffende gedragingen (‘knowing participation’) én hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’) kan artikel 1F Vluchtelingenverdrag worden tegengeworpen. Beargumenteerd wordt dat ‘knowing and personal participation’ onder bepaalde omstandigheden ten aanzien van bepaalde categorieën vreemdelingen kan worden aangenomen op basis van algemene informatie over personen die op een bepaalde positie werkzaam waren bij een specifieke organisatie – mede vanwege de structuur en de doelstellingen van die organisatie. Daarmee wordt het individuele karakter van de beoordeling niet losgelaten, maar is sprake van een prima facie omgekeerde verdeling van de last feiten aan te tonen.”

3.10.

De Staat heeft toegelicht dat, hoewel in de hiervoor geciteerde passage en ook in andere beleidsdocumenten over toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag wordt gesproken van ‘omkering van de bewijslast’ in feite sprake is van een bewijsvermoeden, dat kan worden ontkracht. De onder 3.8 bedoelde brief van 9 juni 2008 vermeldt hierover:

“Ook in deze zaken geldt dat steeds individueel is getoetst om de grootst mogelijke zorgvuldigheid te betrachten. Gelet op het bijzondere karakter van artikel 1F en de hoge bewijsmaatstaf wordt in het gehoor van de betreffende vreemdeling bijzondere aandacht besteed aan eventuele verweren. De IND heeft voor deze buitengewone werksoort een gespecialiseerde afdeling ingericht.

(Onder)officieren van de Khad/WAD zijn door de IND in de gelegenheid gesteld om verweren in te brengen en/of om aan te tonen dat er ten aanzien van hen sprake is geweest van redenen om een uitzondering op de regel aannemelijk te achten. Indien wordt voldaan aan de volgende cumulatieve voorwaarden, kan in beginsel worden aangenomen dat sprake is van een significante uitzondering:

  1. de vreemdeling is als zij-instromend officier bij de Khad/WAD terechtgekomen (het is aannemelijk dat de officiersopleiding niet is doorlopen);

  2. de vreemdeling heeft niet gerouleerd (dit is bijvoorbeeld aannemelijk vanwege de korte aanstelling);

  3. de vreemdeling is niet bevorderd tijdens de diensttijd bij de Khad/WAD (volgens het ambtsbericht is het alleen mogelijk te worden bevorderd bij gebleken loyaliteit).

In een enkel geval heeft dit ertoe geleid dat aan een persoon, vanwege zijn bijzondere positie, niet artikel 1F is tegengeworpen. Het betrof in één geval een medicus die vanwege zijn positie had aangetoond dat in zijn geval aannemelijk was dat geen sprake was van ‘knowing and personal participation’. In verreweg de meeste gevallen, zoals in de gevallen waarin men heeft aangegeven louter administratieve werkzaamheden te hebben verricht, is echter op grond van eerdergenoemd ambtsbericht niet geloofwaardig en/of niet aannemelijk geacht dat er geen sprake was van ‘knowing and personal participation’, hetgeen door (Afdelings-)jurisprudentie wordt bekrachtigd. (...)”

3.11.

De Staat heeft toegelicht dat de drie hiervoor genoemde cumulatieve voorwaarden niet restrictief zijn in de zin dat het op het ambtsbericht gegronde bewijsvermoeden alleen kan worden ontkracht indien aan die drie voorwaarden is voldaan. Het bewijsvermoeden kan ook op andere gronden worden ontkracht. [eiser sub 1] cs hebben hierbij aangetekend dat dat weliswaar in theorie het geval is, maar dat het in de praktijk niet mogelijk is om het vermoeden te ontkrachten, omdat al het aangedragen bewijs als ongeloofwaardig ter zijde wordt geschoven door de IND.

3.12.

Indien artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag wordt toegepast, wordt vervolgens bezien of vertrek naar het land van herkomst (of een derde land) kan worden verlangd. Daarbij wordt getoetst of terugkeer of vertrek zullen leiden tot een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Bij bevestigende beantwoording wordt afgezien van uitzetting naar het land van herkomst of een derde land, hetgeen echter niet leidt tot verlening van een verblijfsvergunning.

3.13.

Het hiervoor beschreven beleid bij toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenbedrag is gesanctioneerd door de Afdeling, onder meer in de uitspraken van 30 november 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR7346 en 24 september 2009, ECLI:BL:RVS:2009:BJ8654.

3.14.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft in het arrest B. en D. tegen Duitsland (HvJEU 9 november 2010, gevoegde zaken C-57/09 en C-101/09, ECLI:EU:C:2010:661) overwogen:

“94 Uit een en ander volgt dat een persoon die heeft behoord tot een organisatie die terroristische methoden toepast, slechts van de vluchtelingenstatus kan worden uitgesloten na een individueel onderzoek van specifieke feiten waaruit kan worden opgemaakt of er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat deze persoon in het kader van zijn activiteiten binnen die organisatie een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan of zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties, tot een dergelijk misdrijf of dergelijke handelingen heeft aangezet of anderszins aan dergelijke misdrijven of daden heeft deelgenomen in de zin van artikel 12, lid 3, van de richtlijn.

95 Om het bestaan van een van de in artikel 12, lid 2, sub b en c, van de richtlijn genoemde uitsluitingsgronden te kunnen aannemen moet, gelet op het in lid 2 van dat artikel geëiste bewijsniveau, de betrokken persoon ten dele verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor de daden die de betrokken organisatie heeft gesteld in de periode waarin hij er lid van was.

96 Deze individuele verantwoordelijkheid moet zowel aan de hand van objectieve criteria als aan de hand van subjectieve criteria worden vastgesteld.

97 Daartoe moet de bevoegde autoriteit met name nagaan, welke rol de betrokken persoon daadwerkelijk heeft gespeeld bij het stellen van de betrokken daden, welke positie hij had binnen de organisatie, welke kennis hij had of had moeten hebben van de activiteiten van de organisatie en of pressie op hem is uitgeoefend dan wel andere factoren zijn gedrag hebben kunnen beïnvloeden.

98 Een autoriteit die bij dat onderzoek vaststelt dat de betrokken persoon, zoals D, een vooraanstaande positie heeft bekleed in een organisatie die terroristische methoden toepast, mag ervan uitgaan dat deze persoon individueel verantwoordelijk is voor daden die deze organisatie tijdens de relevante periode heeft gesteld, maar moet niettemin alle relevante omstandigheden onderzoeken alvorens een beschikking te kunnen geven waarbij deze persoon op grond van artikel 12, lid 2, sub b of c, van de richtlijn van de vluchtelingenstatus wordt uitgesloten.

99 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag in elk van de twee zaken worden geantwoord dat artikel 12, lid 2, sub b en c, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat:

– het feit dat een persoon heeft behoord tot een organisatie die wegens haar betrokkenheid bij terroristische daden op de in de bijlage bij gemeenschappelijk standpunt 2001/931 opgenomen lijst is geplaatst, en de gewapende strijd van deze organisatie actief heeft gesteund, niet automatisch een ernstige reden is om aan te nemen dat deze persoon een „ernstig, niet-politiek misdrijf” heeft begaan of zich schuldig heeft gemaakt aan „handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties”;

– in een dergelijke context slechts kan worden vastgesteld dat er ernstige redenen
zijn om aan te nemen dat een persoon een dergelijk misdrijf heeft begaan of zich schuldig heeft gemaakt aan dergelijke handelingen, na een beoordeling van de specifieke feiten van het concrete geval om uit te maken of door de betrokken organisatie gestelde handelingen voldoen aan de in die bepalingen gestelde voorwaarden en of, gelet op het door artikel 12, lid 2, geëiste bewijsniveau, de betrokken persoon individueel verantwoordelijk kan worden gesteld voor die daden.”

3.15.

Bij uitspraak van 11 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:373, heeft de Afdeling geoordeeld dat het vreemdelingenbeleid, ook in het licht van het arrest B. en D. tegen Duitsland , verenigbaar is met artikel 12, tweede lid, van de Definitierichtlijn:

“4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van13 april 2012 in zaak nr. 201102789/1 A/1 (www.raadvanstate.nl), ligt het, indien sprake is van intrekking van een verblijfsvergunning asiel op de voet van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, op de weg van de minister aannemelijk te maken dat zich de daarin vermelde intrekkingsgrond voordoet. Als door de minister aan deze bewijslast is voldaan, is het vervolgens aan de vreemdeling om het door de minister geleverde bewijs te weerleggen.

Uit onder meer voormelde uitspraak van 13 april 2012 in zaak nr. 201102789/1/V1 volgt dat het ambtsbericht voldoende grond biedt voor het in het besluit van 19 december 2008 ingenomen standpunt dat, gelet op de werkzaamheden van de vreemdeling als officier voor de KhAD/WAD, ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat de vreemdeling een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag heeft begaan, zodat de minister aan zijn bewijslast en motiveringsplicht heeft voldaan. Uit punt 98 van het door de vreemdeling ingeroepen arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 9 november 2010, C-57/09 en C-101/09, Duitsland tegen B. en D., (www.curia.europa.eu) volgt dat, uitgaande van de beschrijving van de KhAD/WAD in het ambtsbericht, het in beginsel aannemen dat ten aanzien van onderofficieren en officieren van de KhAD/WAD sprake is van 'personal and knowing participation' verenigbaar is met artikel 12, tweede lid, van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming.

4.2.

Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2004 in zaak nr. 200404008/1 (www.raadvanstate.nl), dient de vreemdeling, wil hij het door de minister geleverde bewijs weerleggen, feiten en omstandigheden te stellen die aannemelijk maken dat concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht.”

4 Het geschil

4.1.

[eiser sub 1] cs vorderen dat bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

primair: voor recht wordt verklaard dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door de uitspraak van de Afdeling van 16 november 2015, 201505981/1/V2, waarin het Unierecht, meer specifiek het vereiste dat de bevoegde autoriteiten een individueel onderzoek moeten verrichten voordat zij een asielzoeker uitsluiten van vluchtelingenbescherming op grond van artikel 12 lid 2 van de Richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004, kennelijk wordt geschonden;

subsidiair: voor recht wordt verklaard dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door de uitspraak van de Afdeling van 16 november 2015, 201505981/1/V2, waarin de prejudiciële verwijzingsplicht van artikel 267 VWEU kennelijk wordt geschonden;

primair en subsidiair: de Staat wordt veroordeeld in de kosten van het geding, met inbegrip van de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis.

4.2.

[eiser sub 1] cs stellen daartoe – samengevat – dat de Staat aansprakelijk is voor onrechtmatige rechtspraak van de Afdeling in de zin van het arrest HvJEU 30 september 2003, zaak C-224/01, ECLI:EU:2003:513 (Köbler). [eiser sub 1] cs stellen dat sprake is van een kennelijke schending van Unierecht primair omdat in de uitspraak van 16 november 2015 in de zaak van [eiser sub 1] geen individuele beoordeling als bedoeld in de zaak B en D tegen Duitsland heeft plaatsgevonden, subsidiair door geen prejudiciële vragen aan het HvJEU te stellen over het gebruik van het ambtsbericht.

4.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer.

5 De beoordeling

in de zaak van NJCM

5.1.

De Staat betoogt dat NJCM niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Staat meent dat een vordering ter zake van onrechtmatige rechtspraak zich naar haar aard niet leent voor een collectieve actie als bedoeld in artikel 3:305a BW.

5.2.

Niet ter discussie staat dat een vordering ter zake van onrechtmatige rechtspraak onlosmakelijk verbonden is met de zaak waarop die vordering betrekking heeft. In het gegeven dat in het door de Staat aangehaalde arrest HR 3 december 1971, ECLI:HR:1971:AB6788 (Hotel Jan Luyken) in verband met de mogelijkheid zo’n vordering in te stellen wordt gesproken over “de partij die in een rechtsgeding in het ongelijk wordt gesteld”, ziet de rechtbank geen grond om te oordelen dat die weg alleen openstaat voor de in het ongelijk gestelde partij zelf. Het ging in die zaak om de vraag of die rechtsgang openstond voor een in het ongelijk gestelde partij, niet over de hier te beantwoorden vraag naar de ontvankelijkheid van een collectieve actie.

5.3.

De Staat wijst er terecht op dat bij onrechtmatige rechtspraak vaak specifieke feiten en omstandigheden van het geval aan de orde zijn. De vordering van [eiser sub 1] cs ziet echter niet op specifieke feiten en omstandigheden uit de zaak van [eiser sub 1] , die alleen hem betreffen. De gestelde onrechtmatige schending van EU-recht in de zaak van [eiser sub 1] betreft een bestendige lijn in de Afdelings-rechtspraak over de wijze waarop de staatssecretaris bij toetsing aan artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag het ambtsbericht hanteert ten aanzien van voormalige KhAD/WAD (onder-)officieren. [eiser sub 1] is één van de voormalig KhAD/WAD (onder-) officieren ten aanzien van wie deze bestendige lijn in de rechtspraak is toegepast.

5.4.

De Staat wijst erop dat al deze individuen een vordering uit onrechtmatige rechtspraak kunnen instellen als in hun specifieke zaak onherroepelijk uitspraak is gedaan en zij menen dat die uitspraak in hun specifieke geval onrechtmatig is. Hoewel de beoordeling in een procedure naar aanleiding van een afgewezen asielaanvraag bij uitstek individueel is, betreft de gestelde onrechtmatige toepassing van EU-recht door de Afdeling een onderdeel van die beoordeling die in alle zaken van voormalig KhAD/WAD
(onder-)officieren wordt toegepast. Daarmee lenen de vorderingen van [eiser sub 1] cs zich voor bundeling van belangen in een collectieve actie. Noch de tekst, noch de kennelijke strekking van artikel 3:305a BW staat eraan in de weg dat een collectieve actie een gebundeld belang kan dienen van partijen ten aanzien van wie, op grond van dezelfde overwegingen ten aanzien voor hen gelijke feiten en omstandigheden, een rechterlijk oordeel is geveld.

5.5.

Dat de door [eiser sub 1] cs ingestelde vordering uit hoofde van onrechtmatige rechtspraak (alleen) verbonden is met de zaak van [eiser sub 1] , maakt het voorgaande niet anders. De aangevallen bestendige lijn in de rechtspraak van de Afdeling is in zijn zaak toegepast. De bescherming die voormalig KhAD/WAD (onder-) officieren) kunnen ontlenen aan de toepasselijke Köbler-norm, verschilt niet van de bescherming die [eiser sub 1] daaraan kan ontlenen. Ook overigens verzet de aard van de toe te passen norm zich niet tegen toepasselijkheid daarvan op de gebundelde belangen van voormalig KhAD/WAD (onder-) officieren in deze zaak.

5.6.

Gezien het voorgaande en nu – terecht – niet ter discussie staat dat de statuten van NCJM voorzien in behartiging van het hier aan de orde zijnde gebundeld belang, luidt de slotsom dat NJCM kan worden ontvangen in haar vorderingen. Onbesproken kan blijven of NJCM, zoals zij stelt, ook een eigen belang heeft waarvoor zij in deze zaak op de voet van artikel 3:305a BW kan opkomen.

in alle zaken

5.7.

Het meest verstrekkende verweer van de Staat is, dat de Afdeling in het hoger beroep dat heeft geleid tot de bewuste uitspraak van 16 november 2015 om processuele redenen niet meer kon toekomen aan een beoordeling van de uitsluiting van de vluchtelingenstatus op grond van artikel 12, tweede lid, van de Definitierichtlijn. De Staat legt daaraan ten grondslag, dat de rechtbank in de uitspraak van 13 mei 2008 al heeft geoordeeld dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag terecht was tegengeworpen aan [eiser sub 1] . Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. De tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is daarmee onherroepelijk geworden, aldus de Staat.

Als deze stelling van de Staat juist is, heeft de uitspraak van de Afdeling van 16 november 2015 alleen betrekking op de toetsing aan de artikelen 3 en 8 van het EVRM, die aan de orde is nadat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag toepasselijk is geacht, en kan aan een beoordeling van de gestelde onjuiste toepassing van Unierecht – met inbegrip van het niet stellen van een prejudiciële vraag – door de Afdeling niet worden toegekomen.

5.8.

Niet ter discussie staat dat de rechtbank in de uitspraak van 13 mei 2008 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft geoordeeld dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag terecht is tegengeworpen aan [eiser sub 1] , en dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep is ingesteld. De tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag aan [eiser sub 1] is daarmee, zoals de Staat heeft betoogd, onherroepelijk geworden.

In de uitspraak van 2 juli 2015 heeft de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Amsterdam) het toen – vóór het wijzen van de Afdelingsuitspraak van 2 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1759 – geldende ne bis-in-idem-beoordelingskader toegepast, dat de rechtbank hierna – in navolging van de Afdeling – zal aanduiden als het ‘ne bis-beoordelingskader’. Daarin kon de bestuursrechter – bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden daargelaten – pas tot toetsing van een asielbesluit van gelijke strekking overgaan, indien en voor zover hij ambtshalve tot het oordeel was gekomen dat er nieuwe feiten (nova) waren. Daarbij was zonder betekenis waarom het bestuursorgaan de aanvraag had afgewezen. In het ne bis-beoordelingskader leidde het ontbreken van nova er daarom toe dat het beroep reeds daarom ongegrond was; de beroepsgronden werden door de bestuursrechter dus niet behandeld. Verg. r.o. 4.6. van ABRvS 2 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1759.

5.9.

De rechtbank heeft in haar uitspraak van 2 juli 2015 dit toetsingskader onder 5.1 vooropgesteld en daarna toegepast. Onder 5.4 heeft de rechtbank de stellingen van [eiser sub 1] over de betekenis van het arrest B. en D. tegen Duitsland voor zijn zaak inhoudelijk verworpen, waarbij de rechtbank er (kennelijk) vanuit is gegaan dat dit arrest een nieuw element of nieuwe bevinding betrof, dan wel een relevante wijziging van het recht. Nieuwe of gewijzigde jurisprudentie is echter geen ‘nieuw feit’ in de hiervoor bedoelde zin. De inhoud van inmiddels tot stand gekomen jurisprudentie op zichzelf is geen grond is voor het doorbreken van het rechtens onaantastbaar zijn van besluiten (zie onder meer de uitspraken van de ABRvS van 2 maart 2011, LJN: BP6312 en 19 mei 2010, LJN: BM4952). Ook niet als in die jurisprudentie gewezen is op een mogelijke schending van fundamentele rechten. Van een gewijzigd rechtsregime is evenmin sprake.

5.10.

Met hun betoog dat deze benadering, die ertoe leidt dat dit in 2010 gewezen arrest geen rol zou kunnen spelen bij het nieuwe intrekkingsbesluit uit 2012, geen hout snijdt, gaan [eiser sub 1] cs eraan voorbij dat deze benadering is vastgelegd in staande jurisprudentie. Het toen geldende ne bis-beoordelingskader bood dus geen ruimte voor een inhoudelijke beoordeling van [eiser sub 1] op het arrest B. en D. tegen Duitsland gegronde standpunten over de wijze waarop artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag aan hem tegengeworpen is. Dat in het intrekkingsbesluit van 2012 door de IND is ingegaan op de standpunten van [eiser sub 1] over het arrest B. en D. tegen Duitsland , opende in het toen geldende ne bis-beoordelingskader niet de weg naar een inhoudelijke beoordeling door de rechter in de daarop volgende beroepsprocedure.

5.11.

Indien ten tweede male inhoudelijk beoordeeld wordt, terwijl daarvoor (vanwege het ontbreken van nova) geen ruimte bestaat, laat de appelrechter de tegen deze beoordeling gerichte gronden in hoger beroep buiten beschouwing. Verg. ABRvS 28 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ9515, waarin de Afdeling in een vergelijkbaar geval overwoog:

In verband hiermede kan het hiervoor onder 2.3. vermelde betoog van appellanten in dit geding geen rol spelen en zal dit betoog dan ook verder buiten beschouwing worden gelaten.”

5.12.

Nu nieuwe of gewijzigde jurisprudentie niet kwalificeert als een “novum” (nog daargelaten of het arrest B. en D. tegen Duitsland kan worden aangemerkt als nieuwe of gewijzigde jurisprudentie) en er evenmin sprake was van een relevante wijziging van het recht, was er dus geen ruimte voor beoordeling van de tegen r.o. 5.4 van de uitspraak van de rechtbank gerichte grief door de Afdeling. De kennelijke ongegrondverklaring van het beroep van [eiser sub 1] in de uitspraak van 16 november 2015 heeft daarop dus geen betrekking.

5.13.

[eiser sub 1] cs betogen dat deze uitkomst in strijd is met het Unierechtelijk doeltreffendheidsbeginsel. De rechtbank volgt hen niet in dit betoog en overweegt daartoe als volgt.

5.14.

Het doeltreffendheidsbeginsel kan leiden tot een plicht voor het bestuursorgaan om een met het EU-recht strijdig besluit te heroverwegen. Dat was bijvoorbeeld aan de orde in HvJEU 4 oktober 2012, C-249/11 (Byankov) waarop [eiser sub 1] cs zich beroepen. Dat speelt hier niet. Het gaat in deze zaak om de gebondenheid in een juridische procedure aan een eerder gegeven rechterlijke uitspraak die gezag van gewijsde heeft. De door [eiser sub 1] cs voorgestane toepassing van het doeltreffendheidsbeginsel strekt ertoe het gezag van gewijsde van de uitspraak van 13 mei 2008, voor zover het betreft het oordeel over de tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag aan [eiser sub 1] , te doorbreken.

5.15.

Bij de toetsing van de gebondenheid van rechters aan eerder gegeven rechterlijke uitspraken met gezag van gewijsde, stelt het HvJEU steeds het grote belang van gezag van gewijsde in de nationale en communautaire rechtsorde voorop. Om zowel de stabiliteit van het recht en van de rechtsbetrekkingen als een goede rechtspleging te garanderen, is het van belang dat rechterlijke beslissingen die definitief zijn geworden nadat de beschikbare beroepsmogelijkheden zijn uitgeput of na afloop van de voor deze beroepen voorziene termijnen, niet meer opnieuw in het geding kunnen worden gebracht. Verg. HvJEU 30 september 2003, C-224/01 (Köbler), punt 38 en HvJEU 16 maart 2006, C-234/04 (Kapferer), punt 20.

5.16.

De wijze waarop het beginsel van gezag van gewijsde ten uitvoer wordt gelegd, is niet geharmoniseerd. Krachtens het beginsel van procedurele autonomie is dat een zaak van de interne rechtsordes van de nationale staten. Het doeltreffendheidsbeginsel waarop [eiser sub 1] cs het oog hebben, houdt in dat deze nadere regels de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken. Verg. het eerder aangehaald arrest Kapferer, en HvJEU 3 september 2009, C2/08 (Olimpiclub) punt 24.

5.17.

Bij beoordeling van de vraag of het beginsel van gezag van gewijsde de toepassing van het gemeenschapsrecht onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, moet de ‘rule of reason’ worden toegepast: het voorliggende geval moet worden onderzocht met inaanmerkingneming van de plaats van de bepaling in de gehele procedure en van het verloop en de bijzondere kenmerken daarvan. In voorkomend geval moet rekening worden gehouden met de beginselen die aan het nationale stelsel van rechtspraak ten grondslag liggen, zoals de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure. Verg. HvJEU 14 december 1995, C-213/93 (Peterbroeck), punt 14 en HvJEU 3 september 2009, C2/08 (Olimpiclub) punt 27.

5.18.

Dat betekent dat in deze zaak moet worden onderzocht of toepassing van de destijds geldende ne bis-beoordelingskader, waaruit in dit geval voortvloeit dat het beginsel van gezag van gewijsde dient te worden gerespecteerd, kan worden gerechtvaardigd door de eerbiediging van het rechtzekerheidsbeginsel, gelet op de gevolgen die daaruit voorvloeien voor de toepassing van het gemeenschapsrecht. Verg. HvJEU 3 september 2009, C2/08 (Olimpiclub), punt 28.

5.19.

Het gemeenschapsrecht gebiedt een nationale rechter niet om nationale procedureregels die een beslissing gezag van gewijsde verlenen buiten toepassing te laten, ook al zou daardoor een schending van het gemeenschapsrecht door deze beslissing kunnen worden opgeheven. Verg. HvJEU 16 maart 2006, C-234/04 (Kapferer), punt 2, en HvJEU 3 september 2009, C2/08 (Olimpiclub), punt 23. ‘Doorwerking’ van gezag van gewijsde van een met het EU-recht strijdige beslissing in eenzelfde procedure, is dus niet in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel.

5.20.

Hier is sprake van doorwerking van gezag van gewijsde van een uitspraak in dezelfde procedure: de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2015 is gedaan in dezelfde procedure over intrekking van de vergunning van [eiser sub 1] als de uitspraak van 13 mei 2008 over toepasselijkheid van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, waaraan gezag van gewijsde toekomt.

5.21.

Niet ter discussie staat dat dit gezag van gewijsde van de uitspraak van 13 mei 2008 ook zal doorwerken in eventuele volgende procedures over asielaanvragen van [eiser sub 1] . Ingeval van kennelijk schending van EU-recht, kan het doeltreffendheidsbeginsel vergen dat de met het gezag van gewijsde gediende rechtszekerheid opzij wordt gezet als een met het EU-recht strijdige uitspraak doorwerkt in andere rechterlijke uitspraken. Ook in dat geval staat het beginsel van rechtszekerheid voorop en legt het zwaarwegend gewicht in de schaal. Verg. HvJEU 6 oktober 2015, C-69/14 (Târsia). Er kunnen zich echter situaties voordoen, waarin doorwerking van het gezag van gewijsde van met Unierecht strijdige uitspraken in andere gedingen, niet langer gerechtvaardigd wordt door de rechtszekerheid. Verg. HvJEU 18 december 2015, C-505/14 (Klausner Holz) en HvJ 3 september 2009, C-2/08 (Olimpiclub).

5.22.

Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat de reeds nu vaststaande toekomstige doorwerking van het gezag van gewijsde van de uitspraak van 13 mei 2008 in andere procedures niet in strijd komt met het doeltreffendheidsbeginsel. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

5.23

Niet ter discussie staat dat doorwerking van het gezag van gewijsde verstrekkende gevolgen heeft voor [eiser sub 1] en zijn persoonlijk situatie vergaand bepaalt. Dat is echter niet doorslaggevend bij de toepassing van het doeltreffendheidsbeginsel.

5.24

Ook staat niet ter discussie dat de toekomstige doorwerking van het gezag van gewijsde in andere procedures [eiser sub 1] beperkt in zijn vrijheid van vestiging en in zijn vrijheid van verkeer: hij kan zich in beginsel niet in Nederland vestigen en loopt hier ten lande het risico uitgezet te worden. Hij kan ook geen nieuwe asielaanvraag indienen in een ander EU-land. Het praktische effect van de gestelde schending van EU-recht is voor [eiser sub 1] te vergelijken met het praktische effect (voor Byankov) in de door [eiser sub 1] cs aangehaalde zaak HvJEU 4 oktober 2012, C-249/11 (Byankov), waarin het doeltreffendheidsbeginsel het bestuursorgaan noopte tot heroverweging van een besluit. De aard van de schending is echter niet gelijk: anders dan in de zaak Byankov is hier geen kennelijke schending van een fundamenteel recht van een Unieburger aan de orde. [eiser sub 1] is immers geen Unieburger die in één van de vier fundamentele vrijheden van de Unie beknot wordt.

5.25

Daar komt bij dat de gestelde schending van Unierecht – anders dan in de door eisers aangehaalde arresten – niet direct de materiële toepassing van het Unierecht betreft. Immers, over het (Unierechtelijke) criterium waaraan moet worden getoetst zijn partijen het eens. Tussen partijen staat niet ter discussie dat artikel 12, tweede lid, van de Definitierichtlijn, zoals uitgelegd in de Europese rechtspraak, een individuele beoordeling vereist. De discussie tussen partijen spitst zich toe op de wijze waarop feitelijk onderzoek wordt verricht met het oog op de toepassing van dit criterium. Een deel van het verwijt betreft bovendien de feitelijke uitvoering daarvan van het beleid door de IND: [eiser sub 1] cs stellen dat het leveren van tegenbewijs weliswaar op zichzelf mogelijk is, maar de facto onmogelijk is omdat de IND alle bewijs als ongeloofwaardig ter zijde schuift.

5.26

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep op het Unierechtelijk doeltreffendheidsbeginsel niet opgaat. Als gevolg van het gezag van gewijsde van de uitspraak van 13 mei 2008, heeft de uitspraak van de ABRvS van 16 november 2015 geen betrekking op het tegenwerpen van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag aan [eiser sub 1] . Aan beoordeling van de gestelde onjuiste toepassing van Unierecht – met inbegrip van het niet stellen van een prejudiciële vraag – door de Afdeling wordt niet toegekomen.

5.27

[eiser sub 1] cs worden als de in het ongelijk gestelde partijen veroordeeld in de proceskosten van de Staat, die worden begroot op € 1.523 (€ 619 griffierecht en € 904 salaris advocaat (2 punten tarief II). De daarover gevorderde wettelijke rente ligt als onweersproken voor toewijzing gereed.

5.28

Voor de door de Staat bij de proceskostenveroordeling gevraagde veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

wijst de vorderingen af;

6.2.

veroordeelt [eiser sub 1] cs in de kosten van de Staat, die tot aan deze uitspraak worden begroot op € 1.523, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis;

6.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad..

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Alwin, mr. B. Meijer en mr. J.L.E. Bakels en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.