Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11796

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-05-2017
Datum publicatie
02-11-2017
Zaaknummer
C/09/491627 / FA RK 15-5070
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Lotsverbondenheid, verdeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

7x

Rekestnummer: FA RK 15-5070 (scheiding) en FA RK 17-414 (verdeling)

Zaaknummer: C/09/491627 (scheiding) en C/09/525518 (verdeling)

Datum beschikking: 24 mei 2017

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 30 juni 2015 ingekomen verzoek van:

[verzoekster] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M.E.M. Beijersbergen te 's-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende] ,

de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. H.H.M. de Vries-Veringa te Voorburg.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift en het betekeningsexploot;

  • -

    het verweerschrift met zelfstandige verzoeken;

- het verweer tegen de zelfstandige verzoeken met aanvullend verzoek;

- het verweer tegen het aanvullend verzoek;

- de brief d.d. 5 september 2016, met bijlage, van de zijde van de man;

- het faxbericht d.d. 7 december 2016 van de zijde van de vrouw;

- de brief d.d. 29 maart 2017, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- het bericht d.d. 31 maart 2017, met bijlagen, waaronder het formulier "Verdelen en verrekenen", van de zijde van de man.

Op 12 april 2017 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: beide echtgenoten met hun advocaten. Van de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw zoals dat thans na aanvulling luidt strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:

- vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van
€ 3.902,-- bruto per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, bij vooruitbetaling te voldoen;

- vaststelling van de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, conform het voorstel van de vrouw;

- bepaling dat de man een uitdraai via mijnpensioenoverzicht.nl dan wel zijn pensioenoverzichten in het geding dient te brengen,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert – onder referte voor het overige – thans nog verweer tegen de verzochte partneralimentatie en verdeling, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Tevens heeft de man zelfstandig verzocht om de echtscheiding subsidiair de scheiding van tafel en bed uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:

- vaststelling van de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, conform het voorstel van de man;

- verevening van de pensioenen conform de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- De vrouw en de man zijn gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] .

- Zij hebben geen huwelijkse voorwaarden opgesteld.

- Deze rechtbank heeft op 2 juni 2015 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover thans van belang inhoudende toekenning van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [woonplaats] , [echtelijke woning] , aan de vrouw, en bepaling dat de man met ingang van 2 juni 2015 aan de vrouw een voorlopige partneralimentatie dient te voldoen van € 500,-- per maand.

Beoordeling

Echtscheiding

Beide echtgenoten stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat de daarop steunende, over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar zijn.

Nu het primaire verzoek tot echtscheiding wordt toegewezen, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het subsidiaire verzoek van de man.

Partneralimentatie

Lotsverbondenheid

De man stelt – kort samengevat – dat de vrouw op zodanig grievende wijze heeft gehandeld dat de lotsverbondenheid tussen de man en de vrouw is komen te vervallen en van de man niet gevergd kan worden dat hij partneralimentatie betaalt. Hij stelt onder meer dat de vrouw hem geen toegang tot sanitaire voorzieningen van de echtelijke woning heeft verschaft toen hij geen onderdak had, dat zij zijn post niet heeft doorgestuurd waardoor hij aanzienlijke financiële schade heeft geleden en dat zij weigerde om beeldmateriaal dat de man voor zijn eenmanszaak nodig had af te geven.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist.

De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of aan de gewezen echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud moet worden toegekend en zo ja, tot welk bedrag, rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het concrete geval. Hieronder zijn ook te verstaan niet-financiële factoren, zoals gedragingen van de onderhoudsgerechtigde echtgenoot. Daarbij geldt als criterium of er feiten en omstandigheden zijn van zodanige aard dat van een gewezen echtgenoot in redelijkheid niet kan worden verlangd aan het levensonderhoud van de ander bij te dragen. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat de lotsverbondenheid, die ontstaan is door het huwelijk en daarna nog doorwerkt, één van de voornaamste gronden voor de alimentatieplicht is. Voorts heeft te gelden dat alleen in een uitzonderlijke situatie kan worden aangenomen dat de hiervoor omschreven situatie zich voordoet.

De rechtbank overweegt dat uit de overgelegde stukken maar ook uit eigen waarneming ter zitting is gebleken dat de echtscheidingsproblematiek heeft geleid tot een ernstige verstoorde verhouding tussen de vrouw en de man en daaruit voortvloeiend onaangenaam gedrag naar elkaar. Naar het oordeel van de rechtbank is evenwel geen sprake van dermate grievend gedrag van de zijde van de vrouw dat in redelijkheid van de man niet meer verlangd kan worden dat hij aan haar levensonderhoud bijdraagt. Het niet verschaffen van toegang tot sanitaire voorzieningen is niet als zodanig grievend aan te merken. Het niet doorsturen van de post evenmin, ook omdat het de verantwoordelijkheid van de man is om zijn gewijzigde briefadres aan de gemeente en aan zijn relaties door te geven. Met betrekking tot het beeldmateriaal is niet gebleken dat het om materiaal van zodanige importantie gaat dat het gestelde maar betwiste niet afgeven daarvan door de vrouw zodanig grievend is dat dit afdoet aan de alimentatieplicht van de man. De rechtbank is concluderend van oordeel dat hetgeen de man heeft aangevoerd onvoldoende is om tot de conclusie te komen dat aan de lotsverbondenheid tussen de vrouw en de man een einde is gekomen.

Behoefte/behoeftigheid

De vrouw stelt dat zij behoefte heeft aan een bijdrage van de man, nu zij niet volledig in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Zij heeft haar behoefte op basis van de Hofnorm berekend op € 2.851,-- netto per maand, zijnde € 4.696,-- bruto per maand.

De man heeft aangevoerd dat de vrouw geen behoefte heeft aan een bijdrage. Volgens de man zal de vrouw uit de verdeling een vermogen ontvangen waarop zij kan interen. Bovendien is hij van mening dat het bestedingspatroon van de vrouw de afgelopen twee jaren is gewijzigd en dat zij inmiddels gewend is aan een lagere levensstandaard dan tijdens het huwelijk, zodat haar behoefte lager is.

De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 1:157, eerste lid, BW de vrouw recht heeft op een uitkering tot levensonderhoud, indien zij niet voldoende inkomsten tot haar eigen levensonderhoud heeft, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven. Dit betekent dat de vrouw recht heeft op een uitkering tot haar levensonderhoud wanneer zij behoeftig is. Er is sprake van behoeftigheid indien en voor zover de vrouw niet in staat is in de eigen behoefte te voorzien. De door de man aangevoerde argumenten doen daar niet of onvoldoende aan af.

De door de vrouw gestelde behoefte op basis van de Hofnorm heeft de man, los van de stelling dat de vrouw de afgelopen twee jaren gewend was om minder uit te geven, onvoldoende betwist. Gebleken is dat de echtgenoten ten tijde van de samenleving een hoge mate van welstand hadden. Zo hebben zij twee woningen in Nederland, een bedrijfspand en een vakantiehuis in Italië in eigendom en zijn er in 2014 aanzienlijke kunstaankopen gedaan. Bovendien heeft de man ter zitting zelf verklaard dat de echtgenoten tijdens de samenleving veel grote uitgaven deden. In het licht hiervan is de door de vrouw gestelde aan het huwelijk gerelateerde behoefte door de man onvoldoende betwist. De door de vrouw gestelde aanvullende behoefte van € 2.851,-- netto per maand en € 4.696,-- bruto per maand, is dan ook niet onredelijk. Nu de vrouw een partneralimentatie heeft verzocht van € 3.902,-- bruto per maand zal de rechtbank hiervan uitgaan.

De draagkracht van de man

Tussen partijen is niet in geschil dat de man een eenmanszaak heeft met de handelsnamen [naam eenmanszaak] .

De vrouw is primair van mening dat voor de man uitgegaan moet worden van een winst uit onderneming van € 70.785,-- per jaar, zoals dat uit zijn aangifte inkomstenbelasting (hierna: IB) 2016 blijkt, zonder een correctie op de post voorraden toe te passen. De man heeft immers verzuimd om jaarrekeningen over te leggen. Bovendien wordt beeldmateriaal dat de man aanlevert nog dagelijks op televisie getoond. Ook werkt de man als VJ en draait hij op feesten, welke inkomsten hij niet heeft opgegeven voor de IB. Voorts heeft hij huurinkomsten uit onroerende zaken, aldus de vrouw.

De man stelt dat zijn eenmanszaak op dit moment stil ligt. Hij heeft geen opdrachten op dit moment. Door het achterhouden van de post door de vrouw heeft hij opdrachten gemist.

De rechtbank overweegt als volgt.

De man heeft onvoldoende bewijsstukken overgelegd met betrekking tot zijn onderneming, zijn inkomsten, zijn financiële situatie en zijn draagkracht. Het lag op de weg van de man om de jaarstukken van zijn onderneming van de afgelopen drie jaren in het geding te brengen. Door de man is evenmin een draagkrachtberekening in het geding gebracht.

De vrouw heeft, na de betwisting door de man, haar stelling dat er sprake is van inkomsten die niet voor de IB zijn opgegeven, niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank hiermee geen rekening zal houden.

De rechtbank zal bij gebrek aan nadere onderliggende financiële bewijsstukken de door de man overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2016 (productie 6) tot uitgangspunt nemen. Hieruit volgt dat de man een winst heeft gegenereerd van € 7.077,--. Ook blijkt dat de man een correctie heeft toegepast op de post "voorraden" met € 40.000,--, vanwege de door hem geleden verliezen door toedoen van de vrouw. Nu de man de door hem gestelde maar door de vrouw betwiste verliezen op geen enkele wijze heeft onderbouwd, acht de rechtbank een dergelijk correctie op de post "voorraden" onredelijk en zal zij de hiervoor vermelde winst met dit bedrag verhogen. De winst uit onderneming bedroeg in 2016 dus € 47.077,--. De rechtbank zal bij de berekening van de draagkracht van de man hiervan uitgaan en de tarieven 2017, eerste helft, hanteren.

Uitgaande van een winst uit onderneming van € 47.077,--, de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op € 3.032,-- per maand.

Door de man is geen inzicht verschaft in zijn maandelijkse lasten. De rechtbank acht het evenwel redelijk om rekening te houden met een premie zorgverzekering van € 140,-- per maand, welk bedrag gebruikelijk is. Niet is gebleken dat de man woonlasten heeft, zodat de rechtbank hiermee geen rekening zal houden.

Voor de man geldt de bijstandsnorm voor een alleenstaande van € 983,-- per maand – te verminderen met de in de bijstandsnorm begrepen nominale deel van de premie zorgverzekering van € 40,-- per maand – en een draagkrachtpercentage van 60 in het kader van de partneralimentatie.

Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het draagkrachtloos inkomen van de man op € 1.083,-- per maand.

De draagkrachtruimte bedraagt € 1.949,-- per maand (€ 3.032,-- minus € 1.083,--). Hiervan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie, zijnde een bedrag van € 1.169,-- netto per maand en gebruteerd € 1.906,-- per maand. Dit bedrag zal als door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie worden vastgesteld.

Aanhechten draagkrachtberekening partneralimentatie

De rechtbank heeft ten behoeve van de partneralimentatie een berekening van de draagkracht van de man gemaakt. Deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan onderdeel uit.

Inzage in pensioenopbouw en pensioenverevening

De vrouw verzoekt bepaling dat de man een uitdraai via mijnpensioenoverzicht.nl dan wel zijn pensioenoverzichten in het geding dient te brengen. De man verzoekt verevening van het pensioen conform de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.

Niet gebleken is dat de man aan de vrouw inzicht heeft verschaft in zijn pensioenopbouw.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen, nu de man gehouden is de vrouw informatie te verschaffen over het door hem tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen. De rechtbank gaat ervan uit dat nadat de man die informatie heeft verschaft de verevening conform de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding zal plaatsvinden, zoals door de man is verzocht.

Verdeling

Bewijsaanbod man privé vermogen

De man stelt dat hij onder uitsluitingsclausule vermogen heeft geërfd en/of schenkingen heeft ontvangen, en dat deze erfenissen en schenkingen buiten de gemeenschap van goederen en daarmee buiten de verdeling vallen. Ter zitting heeft de man verklaard dat hij het (laatste) testament van zijn moeder alsnog in het geding wil brengen. Daarnaast heeft de man ter zitting aangeboden om inzicht te verschaffen in de geërfde en geschonken bedragen, en de wijze waarop deze zijn besteed.

De vrouw betwist dat de man onder uitsluitingsclausule vermogen heeft geërfd en/of schenkingen heeft ontvangen. Zij verzet zich tegen het toelaten van de man tot het nader onderbouwen van zijn stellingen en/of tot het leveren van nader bewijs.

De rechtbank stelt voorop dat de man, tegenover de betwisting door de vrouw, zijn stelling dat hij onder uitsluitingsclausule vermogen heeft geërfd en/of schenkingen heeft ontvangen onvoldoende heeft onderbouwd. Op grond van hetgeen de man heeft overgelegd, te weten twee testamenten van de vader van de man (prod.5), de testamenten van de grootouders van de man van moederszijde (prod.8) en een groot aantal bankafschriften (prod.4), kan niet worden vastgesteld dat de man onder uitsluitingsclausule vermogen heeft geërfd en/of onder uitsluitingsclausule schenkingen heeft ontvangen. Zelfs het relevante laatste testament van de moeder van de man met uitsluitingsclausule en met bijbehorende verklaring van het Centraal Testamentenregister of van een notaris dat dit ook daadwerkelijk het laatste testament van de moeder van de man is, heeft de advocaat van de man zonder dat daar een goede reden voor is gesteld ondanks de lange duur van de procedure nog niet overgelegd.

Ook is uit de desbetreffende bankafschriften zonder nadere toelichting, die ontbreekt, voor de rechtbank niet te herleiden welke bedragen eventueel in de gemeenschap zijn gevloeid en welke bedragen eventueel privé zijn gebleven. De man heeft bovendien geen standpunt ingenomen over de hoogte van het bedrag dat volgens hem buiten de gemeenschap valt.

Het verzoek van de man tot het toelaten tot nadere onderbouwing en/of tot bewijslevering wordt afgewezen. De man kan immers sinds 9 oktober 2015 geacht worden bekend te zijn met het feit dat de vrouw betwist dat sprake was van erfenis(sen) en/of schenking(en) onder uitsluitingsclausule door de man. Voorts is de advocaat van de man er bij brief van deze rechtbank van 2 december 2016 nog eens uitdrukkelijk op gewezen dat een voorstel tot verdeling gemotiveerd moet worden en voor zover nodig met bewijsstukken moet worden onderbouwd, en dat op producties waaraan geen (duidelijk) standpunt ten grondslag ligt in beginsel geen acht wordt geslagen. Alsnog toelating van de man tot nadere onderbouwing en bewijslevering zou naar het oordeel van de rechtbank leiden tot een onnodige en onacceptabele vertraging van de onderhavige procedure die al sinds 30 juni 2015 aanhangig is. Van de vrouw kan in redelijkheid niet langer worden gevergd dat zij nog langer in de onverdeeldheid blijft. Het bewijsaanbod van de man wordt dan ook wegens strijd met de eisen van een goede procesorde afgewezen.

Inhoudelijk

Gesteld noch gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Gelet op het bepaalde in artikel 1:94 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) moet derhalve worden aangenomen dat tussen hen een gemeenschap van goederen bestaat. Ingevolge artikel 1:100 BW dient deze gemeenschap bij helfte te worden verdeeld. Gelet op het bovenstaande passeert de rechtbank voorts de stelling van de man dat er sprake zou zijn van privé vermogen en/of vergoedingsrechten van de man wegens onder uitsluitingsclausule verkregen en/of in de gemeenschap geïnvesteerd privé vermogen.

Peildatum

De peildatum voor de bepaling van de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap is 30 juni 2015, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift.

Vermogensbestanddelen

De vrouw heeft de volgende gemeenschappelijke vermogensbestanddelen gesteld die volgens haar in de verdeling moeten worden betrokken.

Onroerende zaken

A. de voormalige echtelijke woning te [woonplaats] , [echtelijke woning] ;

B. de woning te [woonplaats] , [adres] ;

C. het vakantiehuis in Italië te [plaats] , [adres] ;

D. het bedrijfspand te [plaats] , [adres] ;

Eigen bedrijf

E. de eenmanszaak van de man met de handelsnamen [naam eenmanszaak] ;

Bankrekeningen

F. ABN Amro vreemde valutarekening met nummer [nr] ;

G. ABN Amro direct kwartaal spaarrekening met nummer [nr] ;

H. ABN Amro vermogens spaarrekening met nummer [nr] ;

I. ABN Amro privérekening met nummer [nr] ;

J. ING privérekening met nummer [nr] ;

K. ING privérekening met nummer [nr] ;

L. ING zakelijke rekening met nummer [nr] ;

Inboedel

M. inboedel in de woning aan de [adres] ;

N. inboedel in de woning aan de [adres] ;

O. inboedel vakantiehuis in Italië;

P. inboedel/spullen die staan opgeslagen in het bedrijfspand;

Auto's

Q. auto Volkswagen Beetle cabriolet;

R. auto Audi Q5 met kenteken [kenteken] ;

S. auto Bentley S2;

T. auto oude Engelse taxi;

Scooter

U. scooter Vespa;

Kunstvoorwerpen

1. een Picasso ‘Personage 1962’;

2. twee Picasso litho’s, genaamd ‘Portrait’;

3. een Picasso litho, genaamd ‘Suite Vollard’;

4. een Picasso litho, genaamd ‘Portrait’;

5. een Picasso litho, genaamd ‘Femme au chapeau’;

6. een Picasso litho, genaamd ‘Corsage reye’;

7. een Salvador Dali litho, genaamd ‘Sérénade’;

8. een Salvador Dali litho, genaamd ‘Merville’;

9. een Salvador Dali litho, genaamd ‘Nude’;

10. een Salvador Dali sculptuur, genaamd ‘L’escargot et l’ange’;

11. een Karel Appel litho, genaamd ‘Circus’;

12. een Kees van Dongen litho, genaamd ‘Marcelle Leoni’;

13. een Chagall, genaamd ‘Le rêve’;

14. collectie gouden platen;

15. collectie fotografie.

Ad A tot en met D: de vier onroerende zaken

Tussen de echtgenoten bestaat geen overeenstemming over de waarde van de onroerende zaken. Niet is gesteld of gebleken is dat er nog een hypotheekschuld rust op de onroerende zaken. Door de man is een beperkte waardeverklaring per juni 2015 overgelegd, zodat de rechtbank hiervan zal uitgaan. Hieruit blijkt dat de onroerende zaak aan de [echtelijke woning] toen een geschatte waarde had van € 500.000,-- en dat de onroerende zaak aan de [adres] toen een geschatte waarde had van € 275.000,--. De rechtbank acht het redelijk om voor deze twee onroerende zaken (twee woningen) van deze twee geschatte waarden per juni 2015 uit te gaan.

Gebleken is dat de man het bedrijfspand aan de [adres] te [plaats] blijkens het door hem overgelegde bankafschrift in oktober 2012 heeft aangeschaft voor een bedrag van afgerond € 220.000,--. De rechtbank acht het redelijk om de geschatte waarde van dit bedrijfspand per juni 2015 op € 225.000,-- te bepalen.

Gebleken is dat de vrouw graag de echtelijke woning aan de [echtelijke woning] toegedeeld wil krijgen om daar te kunnen blijven wonen, waartegen de man op zichzelf geen steekhoudende bezwaren heeft geuit.

De rechtbank zal de onroerende zaak aan de [echtelijke woning] daarom toedelen aan de vrouw tegen de hiervoor genoemde waarde van € 500.000,--. Daartegenover zal de rechtbank de onroerende zaak aan de [adres] tegen de hiervoor genoemde waarde van € 275.000,-- en de onroerende zaak aan de [adres] tegen de voornoemde waarde van € 225.000,-- toedelen aan de man. Daarmee zijn de vrouw en de man gelijkelijk bedeeld met betrekking tot die drie onroerende zaken.

Mede nu de waarde van het vakantiehuis in Italië geheel onbekend is, zal de rechtbank de verkoop en levering hiervan aan een derde gelasten via een verkoopmakelaar en bepalen dat de opbrengst hiervan tussen de vrouw en de man bij helfte moet worden verdeeld.

Ad E: de eenmanszaak van de man

De man stelt dat de waarde van zijn eenmanszaak nihil is. Hij is de enige die weet welk (beeld)materiaal voorhanden is en waar en op welke wijze het is gearchiveerd. Zonder de man, diens kennis en wetenschap met betrekking tot het archiefmateriaal is het materiaal volstrekt waardeloos. Het bedrijf bestaat dus uit persoonlijke goodwill van de man, zodat de waarde op nihil is te stellen, aldus de man.

De vrouw heeft deze stellingen van de man gemotiveerd weersproken.

De rechtbank overweegt als volgt. Het enkele feit dat de man, zoals hij stelt, de enige is die weet welk (beeld)materiaal voorhanden is en waar en op welke wijze het is gearchiveerd, en dat de eenmanszaak dus alleen bestaat uit de persoonlijke goodwill van de man, leidt nog niet tot de conclusie dat de waarde van deze goodwill en/of van de eenmanszaak nihil bedraagt. Indien de man, zoals hij stelt, met zijn kennis toegevoegde waarde heeft, betekent dit dat er in zijn eenmanszaak goodwill zit. De rechtbank zal deze goodwill in redelijkheid bepalen op € 10.000,--. De rechtbank constateert uit de door de man overgelegde belastingaangifte 2016 voorts dat de voorraden eind 2016 € 12.160,-- bedroegen en de vorderingen € 16.550,--. De totale waarde van deze activa van de eenmanszaak bedraagt derhalve naar schatting € 38.710,--. De rechtbank zal deze activa van de eenmanszaak van de man aan hem toedelen tegen een waarde van € 38.710,--, onder bepaling dat de man daarvoor een bedrag van € 19.355,-- aan de vrouw moet vergoeden.

Ad F tot en met L: de bankrekeningen

Het is de rechtbank niet bekend op wiens naam welke bankrekening staat. De man en de vrouw zijn het er echter over eens dat de bankrekeningen moeten worden toegedeeld aan degene op wiens naam deze staan. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen, en daarbij ook bepalen dat alle banksaldi per de peildatum 30 juni 2015 tussen de man en de vrouw bij helfte moeten worden verdeeld.

Ad M tot en met P: de inboedel

Bij gebrek aan onderbouwing van de omvang en waarde van de aanwezige inboedelzaken zal de rechtbank bepalen dat deze in onderling overleg bij helfte moeten worden verdeeld.

Ad Q tot en met T: de vier auto’s en de scooter

Mede omdat de vrouw en de man de waarden van deze vijf vervoermiddelen niet met relevante bewijsstukken hebben onderbouwd, zal de rechtbank bepalen dat deze vijf vervoermiddelen moeten worden verkocht en dat de opbrengst tussen de vrouw en de man bij helfte moet worden gedeeld.

1 tot en met 15: de kunstvoorwerpen

De huidige waarde van de kunstcollectie is onbekend gebleven. Gebleken is dat de vrouw het kunstobject Salvador Dali litho, genaamd Nude toegedeeld wenst te krijgen, zodat de rechtbank dit aan de vrouw zal toedelen tegen een waarde van € 750,--. De rechtbank acht het redelijk dat ook de man één kunstobject behoudt en zal de litho van Salvador Dali, genaamd Sérénade dan wel de litho van Salvador Dali, genaamd Merville (naar keuze van de man) aan de man toedelen tegen een waarde van € 750,--. De rechtbank zal bepalen dat de overige kunstobjecten via een erkend/gerenommeerd veilinghuis moeten te worden verkocht en dat de opbrengst tussen de vrouw en de man bij helfte moet worden verdeeld.

Beslissingen

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding tussen: [belanghebbende] , en [verzoekster] , gehuwd op [huwelijksdatum] in de gemeente [plaats] ;

bepaalt dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal moeten uitkeren een bedrag van € 1.906,-- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man aan de vrouw informatie moet verschaffen over zijn tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten, waarna de verevening conform de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding zal moeten plaatsvinden;

stelt de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van de vrouw en de man als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:

1. aan de man worden toegedeeld:

1.1

de onroerende zaak te [woonplaats] , [adres] ;

1.2

de onroerende zaak te [plaats] , [adres] ;

1.3

de goodwill, de voorraden en de vorderingen op debiteuren van de eenmanszaak met de handelsnamen [naam eenmanszaak] , onder de verplichting van de man om voor deze activa een bedrag van € 19.355,-- aan de vrouw te betalen;

1.4

de bankrekeningen op zijn eigen naam, onder de verplichting om de helft van de banksaldi per 30 juni 2015 met de vrouw te verrekenen;

1.5

de litho van Salvador Dali genaamd ‘Sérénade’ of de litho van Salvador Dali genaamd ‘Merville’, naar keuze van de man;

2. aan de vrouw worden toegedeeld:

2.1

de onroerende zaak te [woonplaats] , [echtelijke woning] ;

2.2

de bankrekeningen op haar eigen naam, onder de verplichting om de helft van de banksaldi per 30 juni 2015 met de man te verrekenen;

2.3

de litho van Salvador Dali genaamd ‘Nude’;

3. bepaalt dat alle inboedelzaken in onderling overleg door de vrouw en de man bij helfte moeten worden verdeeld;

4. bepaalt dat de onroerende zaak (de vakantiewoning) in Italië te [plaats] , [adres] , in gezamenlijke opdracht en op gezamenlijke kosten van de vrouw en de man via een verkoopmakelaar aan een derde moet worden verkocht en geleverd en dat de verkoopopbrengst hiervan bij helfte door de vrouw en de man moet worden gedeeld;

5. bepaalt dat de overige kunstvoorwerpen in gezamenlijke opdracht en op gezamenlijke kosten van de vrouw en de man via een erkend/gerenommeerd veilinghuis aan derden moeten worden verkocht en geleverd en dat de totale verkoopopbrengst hiervan bij helfte door de vrouw en de man moet worden gedeeld;

6. bepaalt dat de vier auto’s en de scooter in gezamenlijke opdracht en op gezamenlijke kosten van de vrouw en de man moeten worden verkocht en geleverd aan derden en dat de totale verkoopopbrengst hiervan bij helfte door de vrouw en de man moet worden gedeeld;

verklaart deze beschikking, met uitzondering van de uitspraak van de echtscheiding, tot zover zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Wien, A.C. Olland en P.M.E. Bernini, bijgestaan door mr. A. Kalicharan als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 mei 2017.