Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11722

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-10-2017
Datum publicatie
03-11-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 9975
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Marktvergunning Haagse Markt, Bollywoodkleding, andere aanvragen grotere meerwaarde voor de markt. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/9975

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Kaptein-van Beest).

Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een vaste standplaats op de markt Herman Costerstraat te Den Haag, afgewezen.

Bij besluit van 29 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 11 juli 2016 heeft eiser een aanvraag ingediend voor het verkrijgen van marktvergunningen op de Herman Costerstraat, standplaats [standplaatsnummer] voor de maandag, woensdag en vrijdag, en voor het verkrijgen van een marktvergunning op de Herman Costerstraat, standplaats [standplaatsnummer] voor de zaterdag, voor de subbranches 3.02 (Damesbovenkleding), 3.11 (Schoeisel) en 3.13 (modeaccessoires). Verweerder heeft deze aanvragen van eiser, mede gelet op het advies van de Commerciële Branchecommissie van de afdeling markten van de dienst Stadsbeheer (Branchecommissie), afgewezen.

Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het maximaal aantal vergunningen voor de subbranches 3.02, 3.11 en 3.13 al is vergeven. Verder wenst eiser in aanmerking te komen voor drie subbranches, hetgeen op grond van de regelgeving niet is toegestaan. Verweerder stelt dat het verlenen van de vergunning aan eiser voor deze subbranches de kwaliteit en diversiteit van de markt niet ten goede komt. Voor een uitzondering op de branchering komt eiser niet in aanmerking. Omdat Bollywoodkleding een specifiek soort kleding betreft, is beoordeeld of sprake is van een bijzonder geval, daarbij is het ondernemingsplan van eiser betrokken. Daarbij is gebleken dat eiser kleding aanbiedt met een zeer lage en niet-reële prijs. Ook wordt in de winkels rondom de markt ook dergelijke kleding verkocht, waardoor een eventuele meerwaarde voor de markt negatief wordt beïnvloed. Ten slotte heeft eiser niet voldoende onderbouwd hoe hij zijn kwetsbare koopwaar beschermt tegen weersinvloeden. Van een bijzondere situatie waardoor eiser alsnog in het bezit zou dienen te worden gesteld van een vergunning is daarom niet gebleken.

2.1.

Op grond van artikel 3 van de Marktverordening Den Haag 2013

(Marktverordening) kan het college per markt vaststellen:

a. het aantal standplaatsen;

b. de afmetingen van de standplaatsen;

c. de opstelling en de indeling van de markt;

d. welke standplaatsen worden vergund als vaste standplaats, als standwerkerplaats of als seizoenplaats;

e. welke standplaatsen worden ingenomen door verkoopunits, verkoopwagens of kramen;

f. een lijst met branches;

g. een absoluut of procentueel aangegeven maximum aantal standplaatsen en/of vergunningen per branche.

2.2.

Artikel 2:2, tweede lid, van het Marktreglement Den Haag 2013 bepaalt – voor zover hier van belang – dat op een aanvraag om een marktvergunning voor een vaste standplaats in ieder geval afwijzend kan worden beschikt, indien:

b. het per branche vastgestelde maximum aantal marktvergunningen is verleend.

2.2.

Artikel 2 van het Branchebesluit Markten Den Haag 2012 (het Branchebesluit) bepaalt – voor zover hier van belang – het volgende.

1. Inschrijving in het marktregister geschiedt uitsluitend voor een soort of assortiment van waren of goederen uit de hoofdbranches en bijbehorende subbranches die zijn aangewezen in de branchelijst, zoals opgenomen in de bijlage I van dit besluit.

2. Marktvergunningen worden uitsluitend verleend voor een soort of assortiment van waren of goederen verhandeld uit de hoofdbranches en bijbehorende subbranches die zijn aangewezen in het branchepatroon van de desbetreffende markt, zoals opgenomen in bijlage II van dit besluit. (…)

4. Per markt en per hoofdbranche krijgen niet meer vaste standplaatshouders vergunning dan het in het branchepatroon van de betreffende markt voor die hoofd- en subbranche vastgestelde maximum. (…)

6. Een vergunninghouder voor een vaste standplaats mag slechts in één hoofdbranche en in maximaal 2 subbranches actief zijn. Deze hoofd- en subbranche(s) worden vermeld op de vergunning. Vermenging van hoofdbranches is niet toegestaan. (…)

8. In bijzondere omstandigheden kan het college van het bepaalde in dit artikel afwijken.

3 De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat bij naleving van het Branchebesluit eiser niet in aanmerking komt voor de door hem aangevraagde vergunningen. De ter zitting ingenomen stelling dat verweerder per 1 januari 2017 een andere branche-indeling hanteert en gelet op deze wijziging niet langer aan eiser kan tegenwerpen dat hij in teveel branches actief zou zijn, baat hem niet, nu het besluit ziet op de periode ‘derde kwartaal 2016’ en deze regels op dat moment nog niet van toepassing waren.

De vraag is of in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder in dit geval alsnog tot vergunningverlening had moeten overgaan, als bedoeld in artikel 2.8 van het Branchebesluit.

Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van meerwaarde voor de markt, nu de voorzitter van de Branchecommissie heeft aangegeven dat nog niemand op de markt staat met dit concept. Hiermee is de meerwaarde gegeven, aldus eiser.

De rechtbank overweegt dat verweerder in het bestreden besluit expliciet is ingegaan op het feit dat op de Haagse Markt nog geen Bollywoodkleding wordt verkocht. Dit heeft verweerder echter niet tot de conclusie geleid dat sprake is van bijzondere omstandigheden, nu in de omgeving van de Haagse Markt al wel veel winkels met Bollywoodkleding te vinden zijn. Verweerder heeft ter zitting een nadere uiteenzetting gegeven van de werkwijze ten aanzien van vergunningaanvragen en aangegeven dat de plaats waarop eiser opteerde, standplaats [standplaatsnummer] , een populaire plaats betreft en er dus meerdere aanvragen zijn binnengekomen. De plaats is uiteindelijk vergund aan een markthouder wiens aanvraag een meerwaarde voor de markt had. De aanvraag van eiser valt binnen de branche damesmode, een branche die al oververtegenwoordigd is op de markt. Dat in dit geval sprake is van een bijzondere tak van damesmode, doet daaraan niet af. Ten aanzien van de aanvraag van eiser om verlening van een vergunning van plaats [standplaatsnummer] heeft verweerder ten slotte gemotiveerd dat eiser onvoldoende heeft aangegeven hoe hij zijn kwetsbare waar beschermd tegen weersinvloeden. Verweerder heeft daarbij betoogd dat de door eiser geopperde oplossing, het ophangen van een zeil, niet is toegestaan vanwege de uitstraling van de markt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met voorgaande motivering afdoende duidelijk gemaakt waarom in geval van eiser geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat in weerwil van de bestaande regels, alsnog een vergunning dient te worden verleend.

Dat sprake zou zijn van subjectieve criteria, is de rechtbank niet gebleken. Zoals door verweerder gemotiveerd betoogd, zijn ook andere aanvragen ten aanzien van de verkoop van Bollywoodkleding afgewezen.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Bijvank, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.