Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11720

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-10-2017
Datum publicatie
03-11-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 342
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terrasvergunning ingetrokken na verzoek van derde belanghebbende. Vergunningverlening ten onrechte geschied, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/342

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: drs. S.J.T.A. van den Heuvel),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: M. Eser).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij], te [plaats]

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

Bij brief van 28 januari 2014 heeft verweerder medegedeeld dat van rechtswege een terrasvergunning verleend is voor een extra terras voor de parkeervakken schuin tegenover de horeca-inrichting [adres].

Derde-partij heeft op 29 juli 2016 bezwaar gemaakt tegen de van rechtswege verleende vergunning.

Bij besluit van 15 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van derde-partij gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat de van rechtswege verleende terrasvergunning alsnog wordt geweigerd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens verweerder waren voorts aanwezig [persoon A] en [persoon B]. Derde-partij is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 9 januari 2013 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een terras op de parkeervakken schuin tegenover de inrichting [adres]. Bij besluit van 6 mei 2013 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Bij brief van 28 januari 2014 is aan eiser medegedeeld dat de terrasvergunning van rechtswege is verleend per 5 mei 2013, omdat de wettelijke termijn waarbinnen op de aanvraag had moeten zijn beslist, op dat moment was verstreken.

Derde-partij heeft in het tweede deel van juli 2016 van eiser gehoord dat hij zijn terras mocht uitbreiden. Hierop heeft derde-partij op 29 juli 2016 bezwaar gemaakt tegen de van rechtswege verleende terrasvergunning.

2. Naar aanleiding van het bezwaarschrift van derde-partij heeft verweerder de van rechtswege verleende terrasvergunning alsnog geweigerd. Hiertoe heeft zij overwogen dat de ambtelijke Advies Commissie Openbare Ruimte (ACOR) en de afdeling Markten in 2013 negatief geadviseerd hebben over de aanvraag omdat

  • -

    De minimale vrije doorloopruimte van 3,5 meter niet wordt gerespecteerd;

  • -

    Het terras niet (louter) voor de eigen gevel is gesitueerd;

  • -

    De vrije doorgang naar de Haagse markt door het terras wordt belemmerd; de gewenste doorgang bij ingangen is minstens 4 meter.

Gelet op deze adviezen, de tekening bij de aanvraag, en gelet op punt 1 en punt 3 van de toepasselijke beleidsregels kan voor het aangevraagde terras geen vergunning worden verleend omdat daartegen overwegend bezwaar bestaat uit het oogpunt van te verwachten hinder voor de omgeving en het doelmatig beheer van de weg.

3. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat derde-partij niet-tijdig bezwaar gemaakt heeft, en het bezwaar daarmee niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. Ten eerste stelt de rechtbank vast dat het vergunde terras gesitueerd is aan de zijgevel van het pand van derde-partij. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de eis dat derde-partij belanghebbende is bij het verlenen van de terrasvergunning. Verder is niet bestreden dat derde-partij in het tweede deel van juli 2016 heeft gehoord dat een terrasvergunning is verleend en binnen twee weken nadat hij op de hoogte was van dit besluit bezwaar gemaakt heeft. Nu verweerder heeft nagelaten het besluit omtrent de van rechtswege verleende terrasvergunning te publiceren, had eiser hiervan ook niet eerder op de hoogte kunnen zijn. Dat eiser zijn terras vanaf oktober 2015 zou hebben geëxploiteerd, en derde-partij dit zou kunnen hebben gezien, doet hieraan niet af, nu uit de exploitatie van een terras niet direct blijkt dat een vergunning zou zijn verleend, nog los van het feit dat eiser zijn stelling dat hij daadwerkelijk vanaf oktober 2015 een terras zou hebben gehad, niet heeft onderbouwd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder het bezwaar van derde-partij terecht ontvankelijk heeft verklaard.

De stelling van eiser dat derde-partij eigenaar is van beide percelen en daarom geen belang bestaat bij de procedure, volgt de rechtbank niet, nu al niet is gebleken dat de eigendom van beide panden aan derde-partij toebehoort.

4. Eiser voert vervolgens aan dat verweerder, gelet op de inhoud van het bezwaarschrift van derde-partij, ten onrechte is overgegaan tot een volledige heroverweging van de van rechtswege verleende vergunning.

De rechtbank volgt dit standpunt van eiser niet. Naar aanleiding van het door derde-partij ingediende bezwaarschrift, is de bezwaarfase aangebroken. In de bezwaarfase, die een fase van bestuurlijke heroverweging inhoudt, betrekt het bestuursorgaan alle relevante feiten en omstandigheden zoals die zich op dat moment voordoen. Daarbij dient de grondslag van het bezwaar als uitgangspunt. Nu in de bezwaargronden en de daarbij gegeven toelichting is aangevoerd dat de verleende vergunning in strijd met de beleidsregels is verleend, heeft verweerder deze beleidsregels terecht bij de beoordeling betrokken.

5. Eiser voert ten slotte aan dat verweerder zijn besluit met name baseert op adviezen uit 2013 en de huidige en werkelijke situatie niet bij de besluitvorming betrekt. Eiser kan zich niet voorstellen dat het terras enige hinder aan de doorstroming met zich brengt.

De rechtbank stelt vast dat verweerder aan zijn besluit de in 2013 uitgebrachte adviezen van de ACOR en de afdeling Markten ten grondslag heeft gelegd. Nu echter niet is gebleken dat de feitelijke situatie met betrekking tot de doorgang richting de Haagse Markt in de tussenliggende periode zo ingrijpend is gewijzigd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze adviezen bij het besluit heeft kunnen betrekken. Nu op grond van deze adviezen, bezien vanuit het geldende beleid, overwegend bezwaar bestaat uit het oogpunt van te verwachten hinder voor de omgeving en het doelmatig beheer van de weg heeft verweerder kunnen besluiten de van rechtswege gegeven terrasvergunning te herroepen door deze alsnog te weigeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen individuele belangen gesteld die afwijking van de beleidsregels noodzakelijk maken.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Bijvank, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.