Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11714

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-10-2017
Datum publicatie
03-11-2017
Zaaknummer
NL17.8883
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.8883


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. A.P. van den Akker),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P. de Boo).


Procesverloop
Bij besluit van 16 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de herhaalde aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.8884, plaatsgevonden op 5 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Ethiopische nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1981. Eiser heeft eerder, op 15 januari 2016 een aanvraag ingediend om verlening van

een verblijfsvergunning asiel. Bij beschikking van 2 maart 2017 is deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Deze beschikking is bij uitspraak van 14 juli 2017 (AWB 17/7530) door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, vernietigd met in stand lating van de

rechtsgevolgen. Het hiertegen door eiser ingediende hoger beroep is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 30 augustus 2017 (201706542/1/V1) ongegrond verklaard. Het besluit van 2 maart 2017 is hiermee in rechte komen vast te staan.

2. In de eerdere asielprocedure zijn door verweerder een aantal elementen onderscheiden:

a. a) De identiteit en nationaliteit van betrokkene;

b) Werkzaamheden als leidinggevende watercentrale in Bishooftu;

c) Problemen met werkzaamheden in Bishooftu;

d) Politieke activiteiten in studententijd, tot en met 2005;

e) Politieke activiteiten na studententijd, na 2005;

f) Politieke activiteiten in Noorwegen en in Nederland.

De elementen a, b en d zijn door verweerder geloofwaardig geacht, de overige elementen niet, behalve de politieke activiteiten van betrokkene in Nederland. De rechtbank heeft verweerder in het besluit gevolgd voor wat betreft het ongeloofwaardig achten van de elementen c en e. De rechtbank heeft de geloofwaardigheid van element f, politieke activiteiten in Noorwegen, in het midden gelaten, maar de rechtsgevolgen van de beschikking in stand gelaten omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat de Ethiopische autoriteiten op de hoogte waren geraakt van zijn politieke activiteiten en daarmee in de negatieve belangstelling van de autoriteiten is komen te staan. Verweerder heeft volgens de rechtbank dan ook niet ten onrechte geconcludeerd dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt bij terugkeer naar de Ethiopië een reëel risico te lopen op vervolging van wel schending van artikel 3 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) wegens zijn politieke activiteiten.

3. Eiser heeft in onderhavige procedure de volgende nieuwe elementen en bevindingen aangevoerd:

- eiser heeft een brief, gedateerd 9 augustus 2017, van een ex-collega uit Ethiopië overgelegd. Deze ex-collega, [ex-collega], zou na het vertrek van eiser uit Ethiopië in 2015 uit eerste hand hebben vernomen dat de lokale burgemeester op de hoogte was van de

politieke activiteiten van eiser in Europa. Eiser zou voor verrader zijn uitgemaakt. Eiser wijst er voorts op dat [ex-collega] en eiser hetzelfde hebben meegemaakt en dat [ex-collega] ondanks haar legale uitreis wel een asielvergunning heeft gekregen in Canada. Dat [ex-collega] een asielvergunning heeft in Canada heeft eiser in beroep onderbouwd door het overleggen van een ‘notice of decision’ van de Canadese immigratieautoriteiten van 23 augustus 2017.

- Daarnaast heeft eiser in Nederland op [datum bijeenkomst] een bijeenkomst van het Oromo Liberation Front (OLF) bijgewoond. Tijdens deze bijeenkomst zou eiser zich kritisch hebben uitgelaten over de regering en beelden hiervan zijn via de website van youtube in Ethiopië te zien. Daarnaast staat eiser op het programma vermeld. Nu de Ethiopische autoriteiten spionnen hebben in Nederland is het zeker dat de Ethiopische autoriteiten op de hoogte zijn van de oppositionele activiteiten van eiser. Eiser is dan ook van mening dat hij thans voldoende aannemelijk heeft gemaakt bij terugkeer naar de Ethiopië een reëel risico te lopen op vervolging van wel schending van artikel 3 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) wegens zijn politieke activiteiten.

4. Verweerder heeft de opvolgende aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser naar het oordeel van verweerder geen nieuwe elementen en bevindingen aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Hiertoe overweegt verweerder, kort samengevat, dat het feit dat een ex-collega in Canada een asielvergunning heeft gekregen niets zegt over de asielaanspraken van eiser. Ten aanzien van het bijwonen van de bijeenkomst van OLF op [datum bijeenkomst] stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Ethiopische autoriteiten op de hoogte zijn van de bijdrage van eiser aan de bijeenkomst. Daarvoor is het filmpje te onduidelijk qua beeld en geluid. Dat eiser op het programma vermeld staat leidt niet tot een andere conclusie nu niet is aangetoond dat de Ethiopische autoriteiten deze in hun bezit hebben

5. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1759) volgt dat er voor de bestuursrechter in vreemdelingenzaken geen ruimte meer bestaat om ambtshalve het ne bis-beoordelingskader toe te passen en dient de bestuursrechter elk besluit op een opvolgende aanvraag overeenkomstig artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te toetsen in het licht van de daartegen door de vreemdeling aangevoerde beroepsgronden. Nu verweerder de opvolgende asielaanvraag met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw niet-ontvankelijk heeft verklaard, moet de bestuursrechter toetsen of verweerder dat in het licht van zijn beleid niet ten onrechte heeft gedaan.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser geen rechtens relevante elementen of bevindingen naar voren heeft gebracht. In de brief van [ex-collega] heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien de aanvraag inhoudelijk te beoordelen omdat [ex-collega] een ex-collega is van eiser en daarmee niet als een objectieve bron kan worden aangemerkt. Hierdoor kan aan de brief van [ex-collega] niet de door eiser gewenste waarde worden gehecht en kan de brief niet als een nieuw element of bevinding worden aangemerkt. De stelling dat [ex-collega] op basis van dezelfde feiten en omstandigheden door de Canadese autoriteiten in het bezit is gesteld van een asielvergunning is evenmin te beschouwen als een rechtens relevant nieuw feit dat noopt tot een inhoudelijke beoordeling. Verweerder heeft het daarbij niet ten onrechte van belang geacht dat Canada een andere geloofwaardigheidstoets hanteert dan Nederland en dat voorts niet inzichtelijk is gemaakt op grond waarvan de ex-collega van eiser een asielvergunning heeft gekregen. Voorts wordt iedere asielaanvraag op zijn eigen merites getoetst en zegt het feit dat [ex-collega] een reëel risico loopt bij terugkeer niets over het risico dat eiser loopt bij terugkeer naar Ethiopië. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder ook in de deelname van eiser aan de bijeenkomst van OLF geen aanleiding heeft hoeven zien over te gaan tot een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Ethiopische autoriteiten beschikken over het filmpje waarop eiser te zien zou zijn en dat eiser daarnaast zelf heeft verklaard dat hij slechts heel kort te zien is op het filmpje en op dat moment niets activistisch heeft gezegd. Het feit dat eiser ook op het programma vermeld staat als spreker leidt niet tot een ander oordeel nu eiser niet heeft aangetoond dat de Ethiopische autoriteiten daarover kunnen beschikken. De enkele stelling dat de Ethiopische autoriteiten spionnen hebben in Nederland is daartoe onvoldoende. Het beroep van eiser op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 22 augustus 2016 (AWB 16/16942), kan hem niet baten nu dit geen vergelijkbaar geval is. In die zaak betrof het iemand waarvan verweerder geloofwaardig achtte dat hij activiteiten heeft verricht voor de Oromo’s en dat hij tijdens een demonstratie in Ethiopië is gearresteerd. Deze persoon was dus ook al bekend bij de Ethiopische autoriteiten. Daarvan is bij eiser juist geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de opvolgende asielaanvraag van eiser niet ten onrechte met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw niet-ontvankelijk heeft verklaard.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Zeben - de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.