Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11712

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-10-2017
Datum publicatie
03-11-2017
Zaaknummer
NL17.8724
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen sprake van uitzonderlijke situatie als in artikel 29 Vreemdelingenwet. Beroep ongegrond

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.8724


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. S. Sewnath),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P. de Boo).


Procesverloop
Bij besluit van 6 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 17 juni 2015 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten. Eiser is van Afghaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1987. Verweerder heeft de aanvraag van eiser in eerste instantie afgewezen omdat zij van mening was dat Hongarije op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk was voor de beoordeling van zijn asielverzoek. Vanwege het verstrijken van de uiterste overdrachtsdatum is eiser per 22 december 2016 alsnog toegelaten tot de nationale procedure.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij afkomstig is uit Ghauharghan, in de provincie Baghlan, en behoort tot de Pashtun bevolkingsgroep. Eiser is op een huwelijksfeest benaderd door zijn nicht, [nicht van eiser]. Omdat ze elkaar leuk vonden, heeft [nicht van eiser] toen voorgesteld om elkaar om middernacht te ontmoeten bij de ingang van de keuken. Tijdens deze ontmoeting zat [nicht van eiser] bij eiser op schoot en waren ze intiem. Op dat moment heeft de zus van [nicht van eiser] hen betrapt en heeft zij de rest van de familie ingelicht. Vervolgens is eiser met de dood bedreigd door de familie van [nicht van eiser] en door zijn eigen familie vanwege de schande die eiser over de families heeft gebracht. Ook heeft een goede vriend van de familie van [nicht van eiser], commandant [commandant], een mislukte poging gedaan om eiser te ontvoeren. Bij terugkeer naar Afghanistan vreest eiser dan ook te worden gedood wegens eerwraak.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;

- eiser zou tijdens een bruiloft een geheim afspraakje hebben gehad met zijn nicht [nicht van eiser]. Eiser en [nicht van eiser] zijn op dat moment betrapt door de zus van [nicht van eiser]. Als gevolg hiervan wordt eiser met de dood bedreigd;

- commandant [commandant] heeft getracht eiser te ontvoeren.

Verweerder gelooft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst. Verweerder acht het geheime afspraakje met zijn nicht [nicht van eiser] en de daaruit voortgevloeide problemen echter ongeloofwaardig. Verweerder acht de wijze waarop de geheime ontmoeting tot stand is gekomen, namelijk op initiatief van [nicht van eiser], gezien hetgeen uit gezaghebbende openbare bronnen over de positie van vrouwen in Afghanistan bekend is, zeer bevreemdend. Dat [nicht van eiser] in het bijzijn van kleine kinderen eiser ook gekust zou hebben acht verweerder evenmin passend in algemene beeld zoals dat in openbare bronnen naar voren komt over de positie van de vrouw in Afghanistan. Te meer daar uit informatie uit openbare bronnen blijkt dat in grote delen van Afghanistan onder verscheidene etnische groepen eerwraak en bloedwraak voorkomt, met name binnen de Pashtun gemeenschap. Nu verweerder de geheime ontmoeting met zijn nicht [nicht van eiser] al niet geloofwaardig acht, acht verweerder de hieruit voortgevloeide problemen eveneens ongeloofwaardig.

4. Eiser is het hier niet mee eens. Volgens eiser heeft hij wel degelijk consistent en geloofwaardig verklaard over hetgeen hem is overkomen. Daarbij stelt eiser voorop dat verweerder ten onrechte tegenwerpt dat eiser tijdens het aanmeldgehoor in de Dublinprocedure andere verklaringen heeft afgelegd over bepaalde punten dan tijdens de gehoren van deze nationale procedure. Eiser heeft tijdens de gehoren al aangeven schoon schip te willen maken en nu de waarheid te vertellen. Dat een geheime ontmoeting met een vrouw, en ook nog eens op haar initiatief, niet gebruikelijk en lastig is in Afghanistan, wil immers nog niet zeggen dat het onmogelijk is. Daarnaast stelt eiser bij terugkeer naar Afghanistan te vrezen te hebben voor schending van artikel 3 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) vanwege de algehele veiligheidssituatie in de provincie Baghlan. Volgens eiser blijkt uit diverse openbare en gezaghebbende bronnen dat de macht van de Taliban in deze provincie toeneemt en dat er daardoor steeds meer burgerslachtoffers vallen.

5. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1.

De rechtbank stelt voorop dat er geen rechtsregel bestaat die zich er tegen verzet dat verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas gebruik maakt van alle verklaringen die zijn afgelegd in een asielprocedure. Verweerder mocht dan ook de afgelegde verklaringen tijdens de gehoren in het kader van de Dublinverordening betrekken bij de beoordeling van het asielrelaas. Verweerder heeft in dat kader terecht geconcludeerd dat eiser op onderdelen, onder meer over zijn gezinssituatie en of hij contact heeft gehad met zijn familie na zijn vertrek uit Afghanistan, wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd.

6.2.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich voldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde stiekeme ontmoeting tussen eiser en zijn nicht [nicht van eiser] ongeloofwaardig is. Hierbij heeft verweerder het van belang kunnen dat het feit dat het initiatief voor de stiekeme ontmoeting kwam van [nicht van eiser] niet te rijmen valt met de algemene informatie over de positie van vrouwen in Afghanistan en binnen de Pashtun-gemeenschap in het bijzonder. Ook het feit dat [nicht van eiser] eiser zou hebben gekust in het bijzijn van kinderen valt geenzins te rijmen met deze informatie. Niet valt in te zien dat [nicht van eiser] en eiser een dergelijk groot risico op betrapping nemen terwijl de consequenties verschrikkelijk kunnen zijn. Immers, uit openbare bronnen blijkt dat in grote delen van Afghanistan onder verscheidene etnische groepen eerwraak en bloedwraak voorkomt, met name binnen de Pashtun-gemeenschap. Eerwraak heeft niet zelden ernstige mishandelingen en zelfs de dood tot gevolg. Met name bij de vrouwen. In dit licht heeft verweerder het eveneens zeer ongerijmd kunnen achten dat de consequenties van de betrapping voor [nicht van eiser] relatief mild waren terwijl eiser aan de andere kant juist de ergst mogelijke bestraffing te wachten staat. Verweerder heeft bij zijn oordeel omtrent de geloofwaardigheid voorts terecht geconcludeerd dat eiser tegenstrijdig en ongerijmd heeft verklaard over de gestelde poging tot ontvoering door [commandant]. Dit doet nog verder afbreuk aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank dan ook kunnen concluderen tot ongeloofwaardigheid van het asielrelaas.

7. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat in Afghanistan in het algemeen, en in de provincie Baghlan in het bijzonder, geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000. De rechtbank verwijst voor dit oordeel naar de uitspraken van de Afdeling van 20 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2731) en 30 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3513). Voor dit oordeel is tevens onderbouwing te vinden in de recente arresten van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 16 mei 2017 in de zaak M.M. tegen Nederland (15993/09) en van 11 juli 2017 in de zaak E.K. tegen Nederland (&2586/11). Uit de door eiser aangehaalde stukken, waaronder het rapport van de Verenigde Naties van 15 september 2017 en het bericht van Amnesty International over gedwongen terugkeer naar Afghanistan van 5 oktober 2017 op www.nos.nl, blijkt niet dat de algehele veiligheidssituatie in Afghanistan in het algemeen, en in de provincie Baghlan in het bijzonder, sinds deze uitspraken dusdanig is verslechterd dat een burger die daar naartoe terugkeert nu wel door zijn enkele aanwezigheid daar al een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2004/83/EG.

8. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De aanvraag is terecht afgewezen als ongegrond.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Zeben - de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.