Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11704

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-10-2017
Datum publicatie
13-10-2017
Zaaknummer
C/09/14/320 R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlengen schuldsaneringsregeling. Nieuwe schuld proceskostenveroordeling. Geen toestemming voeren procedure. Boedel niet aansprakelijk voor proceskosten.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 352
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

insolventienummers: C/09/14/[000] R

uitspraakdatum : 6 oktober 2017

In de schuldsaneringsregeling van:

[Schuldenares],

geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats],

wonende te [adres, postcode en woonplaats],

1 Verloop van de procedure

1.1

Bij vonnis van 3 juli 2014 is ten aanzien schuldenares de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken, met benoeming van laatstelijk mr. W.J. Don tot rechter-commissaris en van laatstelijk mr. G.J. van Rossen (Modus Vivendi B.V.) kantoorhoudende te Zwijndrecht, tot bewindvoerder.

1.2

Bij brief van 14 september 2017 heeft de bewindvoerder de rechtbank geïnformeerd over de laatste stand van zaken.

1.3

Op 22 september 2017 heeft de terechtzitting als bedoeld in artikel 352 Fw plaatsgevonden. De bewindvoerder en de schuldenares, vergezeld van haar advocaat mr. S.J. Veltkamp, zijn ter zitting verschenen en gehoord.

1.4

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

De termijn als bedoeld in artikel 349a Fw is op 3 juli 2017 verstreken. De rechtbank

staat daarmee thans voor de vraag of schuldenares gedurende de termijn gedurende welke de schuldsaneringsregeling van toepassing was, tekort is geschoten in de nakoming van één of meer verplichtingen uit die regeling en, indien daarvan sprake mocht zijn, of deze tekortkoming aan schuldenares kan worden toegerekend.

2.2

Uit de brief van 14 september 2017 van de bewindvoerder volgt dat schuldenares twee nieuwe schulden heeft laten ontstaan. Het betreft een schuld van € 3.347,82 aan Belastingsamenwerking Gouwe Rijnmond en een proceskostenveroordeling van € 3.461,00 uit hoofde van een vonnis van de rechtbank Rotterdam d.d. 22 maart 2017.

2.3

Ter zitting heeft schuldenares verklaard dat de schuld aan de Belastingsamenwerking deels is kwijtgescholden en als gevolg daarvan is verminderd tot een bedrag van € 410,47. Schuldenares is met de Belastingsamenwerking overeengekomen dat zij dit bedrag in drie termijnen mag aflossen. De bewindvoerder heeft daar geen bezwaar tegen geuit.

2.4

Voor wat betreft de proceskostenveroordeling heeft schuldenares verklaard dat deze uit de boedel voldaan zou moeten worden, omdat de bewindvoerder schuldenares niet zou hebben gewaarschuwd voor het risico van een proceskostenveroordeling. Gelet hierop zou het ontstaan van deze nieuwe schuld niet verwijtbaar zijn. Schuldenares vindt het voorts onrechtvaardig dat zij zou moeten opdraaien voor de proceskosten terwijl de boedel de vruchten zou plukken van de procedure indien de vordering van schuldenares zou zijn toegewezen.

2.5

Voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn dat het ontstaan van deze schuld wel verwijtbaar is, verzoekt schuldenares de schuldsaneringsregeling te beëindigen met schone lei onder de voorwaarde dat schuldenares de proceskostenveroordeling na het beëindigen van de schuldsaneringsregeling alsnog voldoet. Nu schuldenares zich daartoe bereid heeft verklaard, kan de nieuwe schuld geen beletsel vormen voor het verlenen van de schone lei, aldus schuldenares.

2.6

De bewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat schuldenares erop is gewezen dat zij geen toestemming zou krijgen voor het voeren van deze procedure. De bewindvoerder heeft dit standpunt onderbouwd met een aantal brieven en e-mailberichten gericht aan schuldenares. De bewindvoerder stelt zich op het standpunt dat de proceskostenveroordeling daarom voor rekening van schuldenares komt.

2.7

Tussen partijen is niet in geschil dat schuldenares erop gewezen is dat haar geen toestemming is verleend voor het voeren van de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 22 maart 2017. In dergelijke gevallen is een schuldenaar op grond van artikel 297 lid 1 Fw bevoegd alsnog buiten bezwaar van de boedel een procedure aanhangig te maken. De boedel is in die gevallen op grond van artikel 313 Fw jo. 24 Fw echter niet aansprakelijk voor die verbintenissen. Eventuele baten komen ingevolge artikel 295 lid 1 Fw wel aan de boedel toe.

2.8

Naar het oordeel van de rechtbank behoort het niet tot de taak van de bewindvoerder schuldenares te wijzen op de mogelijke financiële risico’s die eraan kleven indien zij ervoor kiest om een procedure aanhangig te maken waarvoor haar geen toestemming is verleend. Het geven van juridisch advies behoort - in elk geval in die gevallen - niet tot de taken van een bewindvoerder. Schuldenares dient daarvoor zelfstandig juridisch advies in te winnen.

2.9

De rechtbank begrijpt schuldenares aldus dat zij niet goed geïnformeerd zou zijn en dat schuldenares de procedure nooit aanhangig zou hebben gemaakt indien zij wel goed was geïnformeerd. Gelet op alinea 2.7 van dit vonnis komt dit echter voor rekening en risico van schuldenares en is de rechtbank van oordeel dat schuldenares verwijtbaar de nieuwe schuld uit hoofde van de proceskostenveroordeling - alsook overigens de schuld aan de Belastingsamenwerking - heeft laten ontstaan.

2.10

De rechtbank is van oordeel dat in beginsel sprake is van een tekortkoming die schuldenares is toe te rekenen en die een beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder “schone lei” rechtvaardigt. Gelet op deze toerekenbaarheid ziet de rechtbank ook geen aanleiding schuldenares reeds nu een schone lei te verlenen en haar in de gelegenheid te stellen nadien de nieuwe schulden af te lossen.

2.11

De rechtbank acht de gestelde tekortkomingen evenwel niet van dien aard zijn dat deze

thans zouden moeten leiden tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder

“schone lei”. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Schuldenares heeft aangetoond dat zij de schuld aan de Belastingsamenwerking op korte termijn kan aflossen. Ten aanzien van de proceskostenveroordeling heeft schuldenares aannemelijk gemaakt dat deze schuld is ontstaan omdat schuldenares niet goed was geïnformeerd en zij dus niet opzettelijk deze schuld heeft laten ontstaan. Voorts heeft schuldenares verklaard bereid te zijn de nieuwe schuld in termijnen af te lossen.

2.12

De rechtbank zal daartoe de termijn van de schuldsaneringsregeling verlengen met 24 maanden. Schuldenares dient zich gedurende de verlenging van de schuldsanering aan alle verplichtingen die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling te houden, met uitzondering van de sollicitatieverplichting. De rechtbank maakt die uitzondering omdat de schuldsaneringsregeling vooralsnog enkel wordt verlengd om de nieuwe schulden af te lossen en schuldenares al drie jaren heeft voldaan aan haar sollicitatieverplichting, of daarvan was vrijgesteld. Vanzelfsprekend dient schuldenares in het geval zij gedurende de verlenging van de schuldsaneringsregeling een dienstbetrekking aanvaardt, af te dragen conform het voor haar vast gestelde vrij te laten bedrag.

2.13

Er is niet gebleken van bezwaren van schuldeisers. De schuldsaneringsregeling zal derhalve worden voortgezet. De verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling gaat in zodra dit vonnis onherroepelijk is geworden. Dat is, als geen hoger beroep wordt ingesteld en met inachtneming van de Algemene Termijnenwet, op 13 oktober 2017.

3 De beslissing

De rechtbank:

- verlengt de termijn van de schuldsaneringsregeling met 24 maanden;

- verstaat dat die verlenging ingaat op 13 oktober 2017 en daarom zal lopen tot en met 13 oktober 2019, of tot zoveel eerder dat de nieuwe schulden zijn afgelost.

Gewezen door mr. M.M.F. Holtrop, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

6 oktober 2017 in tegenwoordigheid van mr. F.M. Verburg, griffier.

Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.