Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11702

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-10-2017
Datum publicatie
13-10-2017
Zaaknummer
C/09/14/388 R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlegen schuldsaneringsregeling. Prijzengeld deels niet afgedragen aan boedel.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 352
Faillissementswet 295
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

insolventienummers: C/09/14/[000] R

uitspraakdatum : 6 oktober 2017

In de schuldsaneringsregeling van:

[Schuldenares],

geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats],

wonende te [adres, postcode en woonplaats],

1 Verloop van de procedure

1.1

Bij vonnis van 19 augustus 2014 is ten aanzien schuldenares de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken, met benoeming van laatstelijk mr. W.J. Don tot rechter-commissaris en van H.A. Thomason (Equalis Bewindvoering) kantoorhoudende te Zuidland, tot bewindvoerder.

1.2

Bij brief van 14 september 2017 heeft de bewindvoerder de rechtbank geïnformeerd over de laatste stand van zaken.

1.3

Op 22 september 2017 heeft de terechtzitting als bedoeld in artikel 352 Fw plaatsgevonden. De bewindvoerder en de schuldenares zijn ter zitting verschenen en gehoord.

1.4

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

De termijn als bedoeld in artikel 349a Fw is op 19 augustus 2017 verstreken. De rechtbank staat daarmee thans voor de vraag of schuldenares gedurende de termijn gedurende welke de schuldsaneringsregeling van toepassing was, tekort is geschoten in de nakoming van één of meer verplichtingen uit die regeling en, indien daarvan sprake mocht zijn, of deze tekortkoming aan schuldenares kan worden toegerekend.

2.2

Uit de brief van 14 september 2017 volgt dat schuldenares heeft voldaan aan haar informatieverplichting en gedurende de gehele schuldsaneringsregeling geen nieuwe schulden heeft laten ontstaan. Vanaf april 2017 ontbraken evenwel sollicitatiebewijzen. Schuldenares heeft die voorafgaand aan de zitting alsnog overgelegd, zo blijkt ook uit de brief van de bewindvoerder, zodat voorts geen sprake (meer) is van een tekortkoming in de nakoming van de sollicitatieverplichting.

2.3

De bewindvoerder heeft de rechtbank bij diezelfde brief van 14 september 2017 bericht dat schuldenares op 11 januari 2017 vier geldprijzen heeft gewonnen bij de Nationale Postcodeloterij. In totaal heeft schuldenares € 13.784,86 aan prijzengeld in ontvangst genomen. Schuldenares heeft daarvan op 11 februari 2017 een bedrag van € 11.000,00 overgemaakt naar de boedelrekening. Het resterende bedrag zijnde € 2.784,86 heeft zij tot op heden niet naar de boedelrekening overgemaakt. Tussen schuldenares en de bewindvoerder is niet in geschil dat dit bedrag ingevolge artikel 295 lid 1 Fw aan de boedel dient te worden afgedragen en schuldenares dus een boedelachterstand heeft laten ontstaan.

2.4

Ter zitting heeft schuldenares desgevraagd verklaard dat zij het bedrag van € 2.784,86 heeft uitgegeven maar dat zij, behoudens een botoxbehandeling, niet meer weet waaraan. Zij kan zich de uitgaven niet meer herinneren omdat zij, naar eigen zeggen, te kampen heeft met psychische problemen. Schuldenares is evenwel bereid om voornoemd bedrag alsnog aan de boedel af te dragen. Omdat zij maandelijks een uitkering ontvangt en daardoor niet of nauwelijks kan afdragen, zal zij het te behouden deel van haar vakantiegeld hiertoe aanwenden. Schuldenares realiseert zich dat het te behouden deel van het vakantiegeld niet toereikend zal zijn om de gehele schuld af te lossen. Zij heeft zich daarom bereid verklaard om daar waar mogelijk maandelijks extra af te lossen uit bijvoorbeeld haar vrij te laten bedrag.

2.5

De rechtbank is van oordeel dat in beginsel sprake is van een tekortkoming die schuldenares is toe te rekenen en die een beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder “schone lei” rechtvaardigt.

2.6

De rechtbank acht de gestelde tekortkoming evenwel niet van dien aard dat deze

thans zou moeten leiden tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder

“schone lei”. In die afweging heeft de rechtbank meegenomen dat schuldenares het overgrote deel van het ontvangen prijzengeld uit eigen beweging heeft afgedragen en dat zij voor het overige de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling voldoende is nagekomen. Gelet op de hoogte van het bedrag is de rechtbank voorts van oordeel dat het een moeilijke maar niet onhaalbare opgave zal zijn dit bedrag af te lossen.

2.7

Hoewel het niet afdragen van een deel van het prijzengeld geen blijk geeft van een saneringsgezinde houding en in strijd is met artikel 295 lid 1 Fw, is de rechtbank bereid schuldenares een laatste kans te gunnen. De rechtbank zal daartoe de termijn van de schuldsaneringsregeling verlengen met 24 maanden. Schuldenares dient zich gedurende de verlenging van de schuldsanering aan alle verplichtingen die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling te houden, met uitzondering van de sollicitatieverplichting. De rechtbank maakt die uitzondering omdat de schuldsaneringsregeling vooralsnog enkel wordt verlengd om het bedrag van € 2.784,86 af te lossen aan de boedel en schuldenares al drie jaren heeft voldaan aan haar sollicitatieverplichting, of daarvan was vrijgesteld. Vanzelfsprekend dient schuldenares in het geval zij gedurende de verlenging van de schuldsaneringsregeling een dienstbetrekking aanvaardt, af te dragen conform het voor haar vast gestelde vrij te laten bedrag.

2.8

Er is niet gebleken van bezwaren van schuldeisers. De schuldsaneringsregeling zal derhalve worden voortgezet. De verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling gaat in zodra dit vonnis onherroepelijk is geworden. Dat is, als geen hoger beroep wordt ingesteld en met inachtneming van de Algemene Termijnenwet, op 13 oktober 2017.

3 De beslissing

De rechtbank:

- verlengt de termijn van de schuldsaneringsregeling met 24 maanden;

- verstaat dat die verlenging ingaat op 13 oktober 2017 en daarom zal lopen tot en met
13 oktober 2019, of tot zoveel eerder dat de boedelachterstand is ingelopen.

Gewezen door mr. M.M.F. Holtrop, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

6 oktober 2017 in tegenwoordigheid van mr. F.M. Verburg, griffier.

Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.