Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11681

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-10-2017
Datum publicatie
15-03-2018
Zaaknummer
17_1547 IBPVV
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2019:2310, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedurende 2013 woonde eiser in Nederland en werkte hij op een tot de Rijnvaart behorend binnenvaartschip. Eiser was van 1 januari tot en met 31 juli in loondienst bij een op Cyprus gevestigde vennootschap en van 1 augustus tot en met 31 december bij een in Liechtenstein gevestigde vennootschap. Door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) is aan eiser een A1-verklaring afgegeven, waartegen een procedure loopt. Door Liechtenstein is eveneens een A1-verklaring afgegeven. Voor de periode van 1 januari tot en met 31 juli ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de door de SVB afgegeven A1-verklaring voorbij te gaan. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser voor deze periode terecht als premieplichtig voor de Nederlandse volksverzekeringen aangemerkt. Dit temeer nu verweerder onweersproken heeft gesteld dat het binnenvaartschip meer dan 40% van de tijd is ingezet op Nederlands grondgebied, hetgeen het vermoeden rechtvaardigt dat eiser een substantieel deel van zijn werkzaamheden in Nederland heeft verricht. Ook bestaat geen recht op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. Los van de vraag of eiser binnen het gebied van Cyprus of Liechtenstein arbeid heeft verricht, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt onderworpen te zijn aan belastingheffing in deze landen. Van door eiser gestelde nettoloonafspraken die mogelijk tot verrekening van niet-ingehouden loonheffing zou kunnen leiden, is de rechtbank niet gebleken. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/583
V-N 2018/34.2.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 17/1547

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. J.H. Weermeijer),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2013 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Daarbij is belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 januari 2017 de aanslag en de beschikking belastingrente verminderd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2017.

Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3].

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde in 2013 in Nederland.

2. Gedurende 2013 is eiser werkzaam op het binnenvaartschip “[naam schip]” (het schip), dat eigendom is van [eigenaar] te [plaats] en stond geregistreerd in Nederland. Het schip wordt geacht tot de Rijnvaart te behoren en is voorzien van een certificaat als bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte (certificaat).

3. In de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 juli 2013 was eiser in loondienst bij de te Cyprus gevestigde vennootschap [vennootschap X] ([vennootschap X]). Van 1 augustus 2013 tot en met 31 december 2013 was eiser in loondienst bij de te Liechtenstein gevestigde vennootschap [vennootschap Y] ([vennootschap Y]).

4. Op 24 juni 2014 heeft de Sociale Verzekeringsbank (SVB) aan eiser een zogenoemde A1-verklaring afgegeven waarin is opgenomen dat op eiser in de periode van

1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 het Nederlandse sociale zekerheidsrecht van toepassing is. Tegen deze A1-verklaring is bezwaar gemaakt dat door de SVB is afgewezen. Tegen die afwijzing is beroep ingesteld. Bij uitspraak van 30 maart 2016 (LEE 16 16/74, ECLI:NL:RBNNE:2016:1595) heeft rechtbank Noord-Nederland het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de SVB opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De SVB heeft hoger beroep ingesteld waarop nog niet is beslist.

5. Eiser heeft voor het jaar 2013 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.412. Daarbij heeft eiser voor het gehele jaar vrijstelling verzocht van premie volksverzekeringen.

6. Naar aanleiding van de ingediende aangifte heeft verweerder met dagtekening 4 januari 2016 verzocht om nadere informatie te verstrekken. Daarbij is onder meer verzocht om op naam van eiser afgegeven A1-verklaringen te overleggen.

7. Eiser heeft op 25 januari 2016 op het informatieverzoek van verweerder gereageerd. Daarbij zijn op naam van eiser gestelde jaaropgaven van [vennootschap X] en [vennootschap Y] overgelegd. Op de jaaropgaaf van [vennootschap X] is een bedrag van € 1.659,92 aan bijdragen “Social insurance fund” opgenomen. Eiser heeft niet aangegeven over een A1-verklaring te beschikken.

8. Met dagtekening 26 januari 2016 heeft verweerder nogmaals om informatie verzocht. In reactie daarom heeft eiser een rusttijdenoverzicht van het schip verstrekt.

9. Bij brief van 18 juli 2016 heeft verweerder aangekondigd bij de aanslagoplegging af te wijken van de ingediende aangifte in die zin dat geen vrijstelling van premie volksverzekeringen wordt verleend en het belastbare inkomen uit werk en woning in verband met de bijdrage aan het “Social insurance fund” wordt verminderd tot een bedrag van € 38.752.

10. Op 28 juli 2016 heeft eiser een door het bevoegd gezag van Liechtenstein afgegeven A-1 verklaring overgelegd.

11. De aanslag IB/PVV voor het jaar 2013 heeft dagtekening 3 augustus 2016 en is opgelegd conform de aankondiging van 18 juli 2016.

12. In zijn uitspraak op bezwaar is verweerder gedeeltelijk tegemoetgekomen aan het bezwaar van eiser. Volgens verweerder is eiser in de periode dat hij in loondienst was bij [vennootschap X] premieplichtig voor de Nederlandse volksverzekeringen en in de periode dat hij in loondienst was bij [vennootschap Y] niet. Voorts heeft verweerder aangegeven geen aanleiding te zien voor een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase.

Geschil

13. In geschil is of eiser voor de periode dat hij in loondienst was van [vennootschap X] in aanmerking komt voor vrijstelling van premie volksverzekeringen. Daarnaast is in geschil of eiser recht heeft op aftrek van bijdragen betaald aan het “Social insurance fund” en of hij aanspraak maakt op een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. Tenslotte is in geschil of recht bestaat op een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase en op smartengeld.

14. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij voor de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 juli 2013 is vrijgesteld van premie volksverzekeringen. Daarnaast stelt hij recht te hebben op aftrek van premies en op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. Eiser verzoek om integrale proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase en om smartengeld.

15. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser voor de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 juli 2013 premieplichtig is voor de volksverzekeringen. Volgens verweerder bestaat inderdaad recht op aftrek van de bijdragen aan het “Social insurance fund”, maar is die aftrek al verleend. Verweerder betwist het recht op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting.

Beoordeling van het geschil

Premieplicht volksverzekeringen

16. De rechtbank stelt voorop dat de A1-verklaring van de SVB is afgegeven met inachtneming van artikel 13 van de Verordening (EG) Nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels (Vo 883/2004). Artikel 13 van Vo 883/2004 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 13

Verrichten van werkzaamheden in twee of meer lidstaten

1. Op degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten, is van toepassing:

  1. de wetgeving van de lidstaat waar hij woont, indien hij op dit grondgebied een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht of indien hij werkzaam is bij verschillende ondernemingen of werkgevers die hun zetel of domicilie hebben op het grondgebied van verschillende staten, of

  2. de wetgeving van de lidstaat waar de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij voornamelijk werkzaam is zich bevindt, indien hij geen substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont.

(…).”

17. Volgens eiser moet aan de door de SVB afgegeven A1-verklaring voorbij worden gegaan omdat deze vanwege de uitspraak van 30 maart 2016 van de rechtbank Noord-Nederland is vervallen. De rechtbank kan deze stelling niet volgen. Rechtbank Noord-Nederland heeft niet de A1-verklaring vernietigd, maar de uitspraak van de SVB op het bezwaar van [vennootschap X] tegen de afgegeven A1-verklaring. Daarbij is de SVB opgedragen om een nieuwe uitspraak op bezwaar te doen, maar dat heeft vooralsnog niet tot gevolg dat de A1-verklaring niet langer geldig is. Verweerder heeft de A1-verklaring van de SVB naar het oordeel van de rechtbank voor de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 juli 2013 dan ook terecht tot uitgangspunt genomen. Zolang er voor dit tijdvak geen A1-verklaring van een ander land is overgelegd, waarborgt de door de SVB afgegeven A1-verklaring dat eiser is verzekerd, hetgeen recht doet aan doel en strekking van Vo 883/2004.

18. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser voor de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 juli 2013 terecht heeft aangemerkt als premieplichtig voor de volksverzekeringen. De rechtbank ziet dit oordeel gesteund door de niet weersproken stelling van verweerder dat het schip tenminste 40% van de tijd is ingezet op Nederlands grondgebied. Deze omstandigheid rechtvaardigt het vermoeden dat eiser een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden heeft verricht op Nederlands grondgebied. Het enkel overleggen van een rusttijdenoverzicht acht de rechtbank in dit verband ontoereikend om het tegendeel aannemelijk te achten.

Aftrek bijdragen “Social insurance fund”

19. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij de aanslagoplegging rekening heeft gehouden met de bijdragen die eiser terzake van zijn dienstverband bij [vennootschap X] heeft geleverd aan het “Social insurance fund”. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat meer bijdragen/kosten in aftrek kunnen worden gebracht dan het bedrag genoemd onder 7. Aangezien eiser geen bewijs voor zijn stelling heeft bijgebracht, is hij niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd.

Voorkoming dubbele belasting

20. Eiser heeft gesteld dat hij recht heeft op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. Daarbij voert hij onder meer aan dat Liechtenstein in 2013 heffingsbevoegd is. De rechtbank ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of de Nederlandse heffingsbevoegdheid voor het jaar 2013 op enige wijze beperkt wordt. Nu Nederland met Cyprus noch met Liechtenstein een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, dient voor de beantwoording van deze vraag te worden aangesloten bij het Besluit Voorkoming van dubbele belasting 2001 (het Besluit).

21. Artikel 8 van het Besluit bepaalt dat een binnenlandse belastingplichtige is vrijgesteld van de inkomstenbelasting die betrekking heeft op buitenlands inkomen uit werk en woning. In artikel 9 van het Besluit is aan deze vrijstelling nader invulling gegeven. Artikel 9 van het Besluit luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. Het buitenlands inkomen uit werk en woning uit een andere Mogendheid bestaat uit het gezamenlijke bedrag van hetgeen de belastingplichtige als bestanddeel van het inkomen uit werk en woning uit die Mogendheid geniet als:

(…)

b. belastbaar loon ter zake van het binnen het gebied van de andere Mogendheid in privaatrechtelijke dienstbetrekking verrichten of hebben verricht van arbeid;

(…), voorzover deze inkomensbestanddelen zijn onderworpen aan een belasting naar het inkomen die vanwege die andere Mogendheid wordt geheven.

(…)

4. Het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde loon wordt bij arbeid die korter dan dertig dagen aaneengesloten binnen het gebied van de andere Mogendheid is verricht, alleen beschouwd te zijn onderworpen aan een belasting naar het inkomen die vanwege die Mogendheid wordt geheven indien blijkt dat ter zake hiervan aan die Mogendheid belasting wordt betaald.”

22. Nog los van de vraag of eiser binnen het gebied van Cyprus of Liechtenstein arbeid heeft verricht is voor toepassing van het Besluit vereist dat inkomensbestanddelen onderworpen zijn aan belastingheffing in de betreffende Mogendheid. Daarvan is sprake indien inkomensbestanddelen aldaar zijn betrokken in de belastingheffing. De bewijslast dat sprake is van de vereiste onderworpenheid rust op eiser. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hij in 2013 onderworpen is geweest aan belastingheffing in het buitenland. De enkele algemene verwijzing naar het Liechtensteinse Steuergesetzbuch is daartoe onvoldoende.

Nettoloonafspraak

23. In gevallen waarin een werkgever en een werknemer een netto loon zijn overeengekomen, is van - voor verrekening in aanmerking komende - ingehouden loonheffing sprake, indien een werkgever uit eigen middelen een bedrag afzondert met het oogmerk de loonheffing later op aangifte af te dragen. Als inhouding van loonheffing niet heeft plaatsgevonden, maar de werknemer te goeder trouw mocht menen dat daarvan wel sprake was, mag de in feite niet ingehouden loonheffing toch worden verrekend (vgl. Hoge Raad 22 juli 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9784).

24. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat gedurende 2013 sprake was van een nettoloonafspraak. Daartoe heeft eiser een contract met [bedrijf] overgelegd. De rechtbank overweegt dat uit dit contract niet kan worden opgemaakt dat het op eiser betrekking heeft. Evenmin valt uit het contract af te leiden dat afspraken zijn gemaakt met [vennootschap X] en [vennootschap Y], de werkgevers van eiser in 2013. Bij gebrek aan ander bewijs acht de rechtbank het bestaan van een nettoloonafspraak dan ook niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft nog gewezen op de afspraak met zijn werkgever dat hij eventueel in Nederland geheven belasting vergoed krijgt. De rechtbank ziet in deze afspraak geen nettoloonafspraak. Verweerder heeft terecht aangegeven dat een dergelijke vergoeding tot het loon zal worden gerekend en belast is.

Proceskosten bezwaarfase

25. Ingevolge artikel 7:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden kosten die een belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van zijn bezwaar, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

26. Eiser heeft aangevoerd dat hij de door het bevoegd gezag van Liechtenstein afgegeven A1-verklaring nog voor dagtekening van de aanslag IB/PVV aan verweerder heeft doen toekomen. De rechtbank stelt vast dat verweerder eerst nadat de opdracht was gegeven tot het opleggen van de aanslag bekend is geraakt met de A1-verklaring. Ondanks de informatieverzoeken van 4 januari 2016 en 26 januari 2016 heeft eiser de A1-verklaring pas overgelegd nadat was aangekondigd dat verweerder van de ingediende aangifte zou afwijken. Onder deze omstandigheden is geen sprake van aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De rechtbank ziet geen aanleiding voor vergoeding van kosten van de bezwaarfase.

Smartengeld

27. De rechtbank ziet geen aanleiding voor toekenning van smartengeld.

28. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de in rekening gebrachte belastingrente. Eiser heeft hiertegen geen zelfstandige gronden aangevoerd. Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken dat de regels voor het berekenen van de belastingrente onjuist zijn toegepast, is het beroep ook in zoverre ongegrond.

29. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

30. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.