Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11653

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-10-2017
Datum publicatie
13-10-2017
Zaaknummer
C-09-513401-HA ZA 16-751
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 12 Rv. Litispendentie. Aanhouding in verband met eerder aanhang gemaakte procedure in Isreal. Artikel 138 Rv. Geen eerdere afdoening van de zaak in reconventie: geen aanleiding af te wijken van het wettelijk uitgangspunt door de vordering in conventie nu te beoordelen en daarop te beslissen, terwijl de zaak in reconventie nog niet is afgeconcludeerd en wordt aangehouden. De betaling van de facturen waarop de vordering in conventie ziet is opgeschort vanwege de vordering in reconventie, die ook voorwerp is van de Israëlische procedure. Het geschil over de vordering in conventie is daarmee feitelijk terug te voeren op het geschil in reconventie/de Israëlische procedure. Het geschil in conventie is voorts toegespitst op het beroep op verrekening in verband met de in reconventie gevorderde schade. Deze feitelijke en juridische samenhang van beide zaken verzet zich tegen het nu afdoen van de zaak in conventie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/513401 / HA ZA 16-751

Vonnis van 11 oktober 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AVERY DENNISON B.V.,

gevestigd te Leiden, kantoorhoudende te Oegstgeest,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

eiseres in incident,

advocaat mr. D. Knottenbelt te Rotterdam,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

TADBIK LIMITED,

gevestigd te Petah Tikva, Israël,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

verweerster in incident,

advocaat mr. R. Meijer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna AD en Tadbik genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in incident van 16 november 2016;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie;

  • -

    het tussenvonnis van 1 maart 2017, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 16 juni 2016 en de daarin genoemde incidentele conclusie houdende exceptie van litispendentie aan de zijde van AD en de conclusie van antwoord in het incident van Tadblik.

1.2.

Ten slotte is een datum voor het vonnis bepaald.

1.3.

Het proces-verbaal van comparitie is met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. AD heeft gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

2. De feiten

2.1.

AD produceert en verkoopt verpakkingsmaterialen, waaronder labels en etiketten, alsmede de grondstoffen daarvoor. Tadbik verkoopt en produceert verpakkingsmaterialen en verpakkingsautomaten.

2.2.

Partijen hadden vanaf eind 2001 een commerciële relatie. AD leverde rollen met zelfklevend materiaal aan Tadbik. Tadbik verwerkte de rollen vervolgens tot labels, die zij vervolgens aan haar klanten verkocht.

2.3.

Sinds 2007 leverde Tadbik labels aan Natural Waters of Viti Ltd. (hierna: Fiji) die flessen water verkoopt onder de merknaam Fiji Waters.

2.4.

In 2013 heeft Tadbik klachten ontvangen van Fiji naar aanleiding van problemen met het machinaal aanbrengen van de labels op de flessen door middel van een applicatiemachine. Bij het aanbrengen van de labels bleef een deel van het label achter op de onderlaag van de rol waardoor de labels niet konden worden aangebracht op de flessen. Daarnaast kwamen de achtergebleven delen van de labels op de verzamelrol terecht waardoor de assemblagemachines vastliepen en het productieproces stil kwam te liggen.

2.5.

In verband met de schade die zij heeft geleden als gevolg van de hiervoor bedoelde klachten over de aan Fiji geleverde labels, heeft Tadbik betaling van openstaande facturen aan AD opgeschort en is zij in Israël een procedure begonnen tegen AD. Deze procedure, die hierna wordt aangeduid als ‘de Israëlisch procedure’, was reeds aanhangig ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in deze procedure.

3 Het geschil

in de hoofdzaak

3.1.

AD vordert in conventie samengevat - veroordeling van Tadbik tot betaling van € 1.207.627,49, vermeerderd met rente en kosten. AD legt aan haar vordering ten grondslag dat zij materiaal heeft verkocht aan Tadbik, dat zij hiervoor facturen aan Tadbik heeft gestuurd en dat Tadbik een deel van deze facturen onbetaald heeft gelaten.

3.2.

Tadbik voert verweer in conventie en vordert in reconventie samengevat -:

  • -

    i) een verklaring voor recht dat AD is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens Tadbik en dat AD is gehouden alle schade die hieruit voortvloeit te vergoeden;

  • -

    ii) AD te veroordelen tot betaling van € 345.571,51 in het geval wordt geoordeeld dat Tadbik rechtsgeldig kan verrekenen, en subsidiair een bedrag van € 1.553.199,- indien het beroep op verrekening wordt afgewezen, te vermeerderen met rente;

  • -

    iii) AD te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

3.3.

AD voert verweer in reconventie.

in het incident

3.4.

AD vordert op grond van artikel 12 Rv primair dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de reconventionele vordering van Tadbik, subsidiair dat de procedure in reconventie wordt aangehouden totdat is beslist in de Israëlisch procedure.

3.5.

Tadbik voert gemotiveerd verweer, tegen de primaire vordering.

4 De beoordeling

in incident

4.1.

Nu op dit punt geen verdrag of verordening van toepassing is, dient de incidentele vordering – naar partijen met juistheid tot uitgangspunt nemen – te worden beoordeeld op grond van artikel 12 Rv.

4.2.

Artikel 12 Rv bepaalt dat indien een zaak voor de rechter van een vreemde staat aanhangig is gemaakt en daarin een beslissing kan worden gegeven die in Nederland voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging vatbaar is, de Nederlandse rechter bij wie nadien een zaak tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp is aangebracht, de behandeling van deze zaak kan aanhouden totdat daarin door de eerstbedoelde rechter is beslist. Nadat de beslissing van die rechter is gegeven en indien deze inderdaad voor erkenning en eventueel tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt te zijn, dient de Nederlandse rechter die de behandeling heeft aangehouden zich onbevoegd te verklaren.

4.3.

Met artikel 12 Rv beoogde de Nederlandse wetgever te voorkomen dat er gelijktijdig twee procedures tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp worden gevoerd voor rechters van twee verschillende staten, hetgeen inefficiënt zou zijn en het gevaar van tegenstijdige uitspraken met zich zou meebrengen. Artikel 12 Rv is in belangrijke mate ontleend aan artikel 21 EEX-Verdrag, nu artikel 27 EEX-Vo, met dit verschil dat artikel 12 Rv de later aangesproken Nederlandse rechter niet verplicht om de behandeling van een zaak aan te houden ingeval van litispendentie, maar het aan zijn inzicht overlaat om te beslissen of hij aanhoudt of niet. Daarbij spelen de ratio en achtergrond van artikel 12 Rv een rol, maar ook de belangen van partijen bij het al dan niet aanhouden en voorts de overige omstandigheden van het geval.

4.4.

De Israëlische procedure is eerder aanhangig gemaakt dan de vordering in reconventie. Daarbij zijn dezelfde partijen betrokken. Naar niet in geschil is, betreft de Israëlische procedure hetzelfde onderwerp als de zaak in reconventie: kort gezegd gaat het om de schade die Tadbik stelt te hebben geleden in verband met levering van de labels aan Fiji die tot klachten leidde. In verband met deze vordering heeft Tadbik de betaling van de facturen waarop de vordering in conventie in deze zaak ziet opgeschort. AD heeft geen vordering in reconventie ingesteld in de Israëlische procedure.

4.5.

Als laatste eist artikel 12 Rv dat in de Israëlisch procedure een beslissing kan worden gegeven die in Nederland voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Bij gebreke aan een verdrag dat van kracht is tussen Nederland en Israël met betrekking tot de tenuitvoerlegging van buitenlandse uitspraken, gelden de in de rechtspraak op basis van artikel 431 Rv ontwikkelde regels. Op grond van artikel 431 lid 2 Rv dient de zaak opnieuw bij de Nederlandse rechter te worden behandeld en afgedaan, om een executoriale titel te kunnen verkrijgen. Indien bij marginale toetsing blijkt dat de buitenlandse uitspraak voldoet aan de door het commune recht gestelde eisen voor erkenning, kan een behandeling ten gronde achterwege blijven en kan worden volstaan met een veroordeling van de wederpartij tot datgene waartoe zij ook al in de buitenlandse uitspraak was veroordeeld. Als uitgangspunt geldt dat het buitenlandse vonnis, ongeacht zijn aard en strekking, wordt erkend, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: het vonnis is gewezen door een bevoegde rechter wiens bevoegdheid gegrond is op een internationaal aanvaarde bevoegdheidsgrond (i), de beslissing tot stand is gekomen met inachtneming van de beginselen van een behoorlijke en met voldoende waarborgen omgeven procesgang (ii), de erkenning van het buitenlands vonnis niet strijdig is met de Nederlandse openbare orde (iii) en de buitenlandse beslissing is niet onverenigbaar met een tussen partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing formeel gezien in Nederland voor erkenning vatbaar is (iv). Verg. HR 26 september 2014, ECLI:HR:NL:2014:2838.

4.6.

De rechter in Israël heeft zich bevoegd verklaard, na verwerping van het door AD gedane beroep op onbevoegdheid. AD heeft gevraagd tegen dit oordeel in hoger beroep te mogen gaan. Op dit verzoek is niet beslist. Ondertussen loopt de Israëlische procedure door. AD heeft voor antwoord geconcludeerd en de zaak staat voor – een “Statement of respons” (repliek) van Tadblik.

4.7.

Vooralsnog gaat de rechtbank ervan uit dat de rechter in Israël bevoegd is kennis te nemen van de daar door Tadblik ingestelde vordering. Niet blijkt dat deze bevoegdheid niet is gegrond op een internationaal aanvaarde bevoegdheidsgrond. Evenmin is grond om te oordelen dat in een te nemen beslissing in de Israëlisch procedure niet tot stand zal komen met inachtneming van de beginselen van een behoorlijke en met voldoende waarborgen omgeven procesgang. Dat de erkenning van het in de Israëlisch procedure te wijzen vonnis strijdig zal zijn met de Nederlandse openbare orde, valt niet te verwachten. Tot slot wordt veronderstellenderwijs aangenomen dat te zijner tijd zal zijn voldaan aan het vierde vereiste voor erkenning.

4.8.

Daarmee staat voorshands voldoende vast dat in de Israëlisch procedure een beslissing kan worden gegeven die in Nederland voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging vatbaar is in de zin van artikel 12 Rv. Nu nog geen beslissing is gegeven in de Israëlische procedure, is er geen plaats voor de primair gevorderde onbevoegdverklaring. Over de subsidiair gevorderde aanhouding is geen geschil. Tadblik heeft te kennen gegeven te kunnen instemmen met aanhouding. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat bij deze stand van zaken de zwaarwegende belangen van efficiënte rechtsbedeling en het tegengaan van tegenstrijdige uitspraken in het algemeen ten gunste van aanhouding meer gewicht in de schaal leggen dan het gegeven dat nu moet worden gewacht op de beslissing in de Israëlische procedure.

4.9.

Zoals subsidiair gevorderd in het incident, zal de zaak in reconventie worden aangehouden.

in de hoofdzaak

4.10.

AD heeft tijdens de comparitie van partijen verzocht de zaak in conventie meteen af te doen en daarin eindvonnis te wijzen. Zij stelt dat zij vanwege het met de slechte financiële situatie van Tadbik samenhangende grote incassorisico recht en belang heeft bij het op korte termijn verkrijgen van een veroordelend vonnis in conventie.

4.11.

De zaken in conventie en reconventie zijn twee aparte zaken. Deze worden gelijktijdig behandeld en bij eenzelfde eindvonnis beslist, tenzij de rechter van oordeel is dat de zaak in conventie of die in reconventie vroeger kan worden afgedaan (artikel 138 lid 1 Rv). De wet stelt dus stelt als uitgangspunt voorop dat de zaken in conventie en reconventie tegelijk uitgeprocedeerd zullen worden waarna zij bij een en hetzelfde eindvonnis beslist worden. Deze vooropgestelde processuele band tussen conventie en reconventie moet niet nodeloos en onbedoeld worden verbroken.

4.12.

De zaak in conventie is afgeconcludeerd. De zaak in reconventie niet. AD heeft in plaats van een conclusie van antwoord in reconventie te nemen, het hiervoor behandelde incident opgeworpen, dat heeft geleid tot aanhouding van de zaak in reconventie. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van het wettelijk uitgangspunt door de vordering in conventie nu te beoordelen en daarop te beslissen, terwijl de zaak in reconventie nog niet is afgeconcludeerd en wordt aangehouden. Zoals hiervoor is overwogen, heeft Tadbik betaling van de facturen waarop de vordering in conventie ziet opgeschort vanwege haar vordering in reconventie, die ook voorwerp is van de Israëlische procedure. Het geschil over de vordering in conventie is daarmee feitelijk terug te voeren op het geschil in reconventie/de Israëlische procedure. Het geschil in conventie is voorts toegespitst op het beroep op verrekening van Tadbik in verband met de in reconventie gevorderde schade. Deze feitelijke en juridische samenhang van beide zaken verzet zich tegen het nu afdoen van de zaak in conventie op de door AD voorgestane wijze.

4.13.

De zaak in conventie zal dus eveneens worden aangehouden.

4.14.

AD heeft gevraagd om appelverlof voor het geval de rechtbank zou beslissen de zaak in conventie niet eerder af te doen. Dit verzoek strekt ertoe een uitzondering te maken op de in artikel 337 lid 2 Rv neergelegde hoofdregel dat hoger beroep van tussenvonnissen slechts is toegestaan tegelijk met het hoger beroep tegen het eindvonnis. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling kan worden afgeleid dat het de bedoeling is om bij het toestaan van tussentijds beroep een grote mate van terughoudendheid te betrachten en dat de beslissing daartoe afhankelijk is van de vraag of in het voorliggende geval sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van de in artikel 337 lid 2 Rv neergelegde hoofdregel doelmatiger maken. Dergelijke bijzondere omstandigheden doen zich in dit geval niet voor. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

4.15.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden

5 De beslissing

De rechtbank:

in conventie en in reconventie

5.1.

houdt de behandeling aan en verwijst de zaak daartoe naar de parkeerrol;

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Alwin en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2017.1

1 type: 2476