Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11626

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
12-10-2017
Zaaknummer
C/09/536601 / KG ZA 17/1032
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Eiseres vordert dat de Inspectie van het Onderwijs wordt gelast geen uitvoering te geven aan het besluit om een rapport van een onderzoek naar eiseres openbaar te maken. Vooropgesteld wordt dat de bestuursrechtelijke voorzieningenrechter al heeft geoordeeld dat er in de wijze van totstandkoming van het rapport geen aanleiding is om openbaarmaking van het rapport voor de duur van de procedure in bezwaar te verbieden. In dit kort geding is alleen beoordeeld of openbaarmaking van het rapport onrechtmatig is vanwege inhoudelijke onjuistheden in het rapport. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat van dergelijke inhoudelijke onjuistheden sprake is. De vordering van eiseres wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/536601 / KG ZA 17/1032

Vonnis in kort geding van 3 oktober 2017

in de zaak van

[eiseres] , handelend onder de naam [handelsnaam eiseres] (KAP),

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. H.A. Schenke te Nijmegen,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden, in deze vertegenwoordigd door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. J. Bootsma te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘KAP’ en ‘de Inspectie’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met daarbij en nadien overgelegde producties;

- de door de Inspectie overgelegde producties;

- de op 12 september 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Inspectie pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

KAP is een niet-bekostigde (particuliere) kappersopleiding die middelbaar beroepsonderwijs (mbo-)opleidingen aanbiedt in de zin van artikel 1.4.1 Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB). Voor de opleiding Kapper en de opleiding Allround Kapper beschikt KAP over diploma-erkenning op grond van artikel 1.4.1 WEB.

2.2.

De Inspectie van het Onderwijs (hierna: de Inspectie) is belast met het toezicht op niet-bekostigde mbo-instellingen.

2.3.

KAP is een beginnende onderwijsinstelling en had bij aanvang van het schooljaar 2015/2016 tien deelnemers en bij aanvang van het schooljaar 2016/2017 acht deelnemers aan (een van) de opleidingen met diploma erkenning.

2.4.

Op 21 en 22 september 2016 heeft de Inspectie een start-kwaliteitsonderzoek bij KAP uitgevoerd. Het rapport van dit onderzoek is op 16 februari 2017 vastgesteld. De conclusie in dit rapport luidt:

“We concluderen dat bij Junior kapper en Kapper de kwaliteitsgebieden onderwijsproces en examinering en diplomering voldoende zijn. Bij Kapper, niveau 3, is nog niet gediplomeerd waardoor examinering en diplomering daar nog niet te beoordelen zijn. De opbrengsten zijn bij beide opleidingen nog niet te beoordelen. De wettelijke vereisten voldoen.

Bij dit eerste kwaliteitsonderzoek bij KAP spreken we nog geen oordeel uit over de kwaliteitsborging.”

2.5.

Op 11 april 2017 heeft de Inspectie specifiek onderzoek verricht in de zin van artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht (WOT), zoals deze wet op dat moment luidde (hierna: het specifiek onderzoek).

2.6.

Op 19 april 2017 is door de rechtbank Gelderland vonnis gewezen in een procedure tussen acht oud-leerlingen en KAP. De oud-leerlingen vorderden in die procedure in conventie verklaring voor recht dat de overeenkomsten tot het volgen van een kappersopleiding buitengerechtelijk zijn ontbonden en veroordeling van KAP tot terugbetaling van alle gelden die zij aan KAP ten behoeve van de gevolgde opleidingen hebben betaald. De oud-leerlingen legden aan deze vorderingen ten grondslag dat zij de opleidingsovereenkomsten buitengerechtelijk hebben ontbonden, omdat er slecht les gegeven werd en een deel van de benodigde spullen ontbrak. KAP heeft in reconventie, voor zover nu relevant, gevorderd dat de oud-leerlingen zouden worden veroordeeld tot betaling van de nog niet betaalde lesgelden. Zij heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat de onderwijsovereenkomsten niet rechtsgeldig zijn ontbonden en dat de oud-leerlingen zich moeten houden aan de uit die overeenkomsten voortvloeiende betalingsverplichtingen. In het vonnis zijn de vorderingen in conventie afgewezen en in reconventie toegewezen, kort gezegd omdat de oud-leerlingen KAP in gebreke hadden moeten stellen, hetgeen zij niet hebben gedaan. Hierdoor is KAP niet in verzuim geraakt en waren de oud-leerlingen niet bevoegd om de onderwijsovereenkomsten buitengerechtelijk te ontbinden.

2.7.

Van het specifiek onderzoek is een rapport opgesteld, dat op 12 mei 2017 in concept aan KAP is voorgelegd, waarbij KAP in de gelegenheid is gesteld daarop te reageren. KAP heeft bij e-mail van 29 mei 2017 op het concept rapport gereageerd. Het definitieve rapport van het specifiek onderzoek is op 30 mei 2017 vastgesteld (hierna te noemen: het rapport). In het rapport staat, onder meer, het volgende vermeld:

“(…)

1. Inleiding

(…)

Aanleiding voor dit kwaliteitsonderzoek

Naar aanleiding van een signaal dat de inspectie kreeg, hebben wij onderzoek gedaan bij KAP omdat er mogelijk kwaliteitsrisico’s zijn bij de hierboven genoemde opleidingen. Het signaal betrof onder andere uitval van lessen, lessen van onvoldoende kwaliteit, hoge (ongediplomeerde) uitstroom en verminderde studiebegeleiding. Hierdoor is de vraag ontstaan of de kwaliteit van de opleidingen in het geding is.

We hebben een specifiek onderzoek uitgevoerd om vast te stellen of er daadwerkelijk sprake is van tekortkomingen. Ook hebben we gekeken of de huidige situatie bij KAP afwijkt van de situatie die wij bij ons kwaliteitsonderzoek in september 2016 aangetroffen en beoordeeld hebben.

Uitvoering van het onderzoek

De inspectie heeft de volgende werkwijze voor het onderzoek gehanteerd:

We hebben de instelling geïnformeerd dat er een ernstig signaal is binnengekomen. Omdat we op zeer korte termijn onderzoek hebben verricht, hebben we vooraf geen documenten opgevraagd. Tijdens het onderzoek op de instelling hebben we gesprekken gevoerd met de directie en alle huidige studenten. Ook zijn oud-studenten gebeld en hebben we contact gehad met de leerplichtambtenaar en een oud-docent. We hebben studentendossiers en presentielijsten bestudeerd

Aangezien de onderwijs- en examenregeling niet ter plaatse beschikbaar was, is deze nagestuurd. De informatie uit de onderwijs- en examenregeling hebben we bekeken en vergeleken met de informatie uit de gesprekken en documenten.

(…)

2.1

Conclusie

Het onderzoek heeft geleid tot de constatering dat de kwaliteit van de opleidingen bij KAP (ernstige) tekortkomingen vertoont en dat de situatie zoals in april 2017 aangetroffen, afwijkt van de door ons beschreven situatie in september 2016.

(…)”

Bijlage bij het rapport is een reactie van de Inspectie op de algemene opmerkingen en feitelijke onjuistheden die KAP in haar reactie op het concept rapport naar voren heeft gebracht.

2.8.

Bij brief van 30 mei 2017 is het rapport aan KAP toegezonden. In deze brief staat, voor zover nu relevant, het volgende vermeld:

“(…)

Afronding onderzoek en openbaarmaking rapport

Het rapport is vastgesteld op 30 mei 2017. Indien u het niet eens bent met het oordeel van de Inspectie van het Onderwijs, kunt u een zienswijze als bijlage aan het definitieve rapport toe laten voegen. (…)

Op grond van artikel 15, tweede lid, en artikel 21, eerste lid, van de WOT wordt een rapport in de vijfde week na vaststelling daarvan openbaar gemaakt, tenzij de aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet.

Daarbij wordt ook getoetst aan artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur. De inspectie is tot de conclusie gekomen dat zowel de aard en omvang van dit onderzoek als artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur zich niet tegen openbaarmaking van het vastgestelde rapport verzetten. Het vastgestelde rapport zal daarom in de vijfde week na de vaststelling daarvan openbaar gemaakt worden en op de website van de inspectie worden gepubliceerd.

(…)"

2.9.

KAP heeft tegen het (hiervoor onder 2.8 geciteerde) besluit om het rapport openbaar te maken (hierna: het besluit tot openbaarmaking) bezwaar gemaakt en heeft de bestuursrechtelijke voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, teneinde het besluit tot openbaarmaking voor de duur van de bezwaarprocedure te schorsen. Bij uitspraak van 17 juli 2017 heeft de (bestuursrechtelijke) voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem bepaald dat de openbaarmaking van het rapport wordt opgeschort tot één week na verzending van de uitspraak. In de uitspraak is, voor zover nu relevant, als volgt overwogen:

“(…)

4.2

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder voldoende heeft onderbouwd dat de aard en omvang van het onderzoek zich niet tegen openbaarmaking van het rapport verzetten. Voor het betoog van verzoekster dat de aard van de klachten bepalend is voor het antwoord op de vraag of het rapport openbaar gemaakt kan worden is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen steun te vinden in de wet.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan verweerder gelet op artikel 15, eerste lid, van de WOT uit eigen beweging een onderzoek starten. De omstandigheid dat een onderzoek wordt gestart naar aanleiding van een klacht/signaal en de aard van de klacht/het signaal doen niet af aan die bevoegdheid.

(…)

5.1

In het geval van een voorgenomen actieve openbaarmaking op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wob dient het algemene belang van openbaarmaking afgewogen te worden tegen het belang van verzoekster geen onevenredig nadeel te lijden als gevolg van de openbaarmaking. Aan het algemeen belang moet in het algemeen groot gewicht worden toegekend. Voor deze belangenafweging acht de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) relevant dat een openbaar te maken rapportage in neutrale bewoordingen is opgesteld, dat het rapport feitelijke bevindingen van het onderzoek bevat en dat de zienswijze van betrokkenen, indien zij inhoud en/of conclusie betwisten, in of bij het rapport worden opgenomen (zie als voorbeeld de uitspraak van 7 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6938).

5.2

Uit de bewoordingen en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 21, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 12, vierde lid, van de WOT, volgt dat de inspectie in beginsel verplicht is tot openbaarmaking van alle inspectierapporten, tenzij aard of omvang van het onderzoek zich daartegen verzet. Volgens de wetgever past openbaarmaking in het geheel van het afleggen van publieke verantwoording over de kwaliteit van het onderwijs en stellen de inspectierapportages ouders en leerlingen in staat een verantwoorde schoolkeuze te maken en zo nodig zelf initiatieven te nemen richting het schoolbestuur (Kamerstukken II, 2000-2001, 27 783, nr. 3, pag. 19 en nr. A, pag. 4). Daarbij heeft de wetgever uitdrukkelijk onderkend dat het uitgangspunt dat alle rapporten van de inspectie openbaar gemaakt moeten worden nadelig kan zijn voor een instelling en de openbaarmaking om die reden met de nodige waarborgen, neergelegd in de artikelen 20 en 21 van de WOT, omgeven.

5.3

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder in redelijkheid mogen stellen dat de omstandigheid dat de openbaarmaking van het rapport nadelige gevolgen heeft voor verzoekster niet betekent dat reeds daarom de openbaarmaking onevenredig is. Verzoekster heeft weliswaar gesteld dat het rapport onjuistheden bevat, maar heeft dat onvoldoende onderbouwd om tot de conclusie te komen dat het rapport om die reden niet openbaar gemaakt kan worden. Hierbij merkt de voorzieningenrechter op dat het rapport desgewenst aan de burgerlijke rechter kan worden voorgelegd.

(…)

6.2

Gelet op een en ander kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet geconcludeerd worden dat het rapport onzorgvuldig tot stand is gekomen, of dat het rapport alleen op aannames en veronderstellingen is gebaseerd.

Gelet op het gesprek met verzoekster tijdens het onderzoek, de reactie van verzoekster op het concept-rapport en de mogelijkheid om binnen vier weken na de dag waarop het bestreden besluit is verzonden een zienswijze in te dienen alvorens het rapport openbaar wordt gemaakt, is geen sprake van schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

7. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de openbaarmaking te verbieden

voor de duur van de bezwarenprocedure.

Omdat verzoekster ter zitting heeft meegedeeld dat zij alsnog een zienswijze wil indienen en verweerder ter zitting heeft verklaard bereid te zijn om die zienswijze tegelijk met het rapport openbaar te maken, ziet de rechtbank aanleiding om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de openbaarmaking van het rapport wordt opgeschort tot 1 week na verzending van de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening.

(…)”

2.10.

Bij brief van 24 juli 2017 heeft KAP haar zienswijze aan de Inspectie toegezonden.

2.11.

De Inspectie is nog steeds voornemens het rapport (met daarbij de zienswijze van KAP) openbaar te maken, door publicatie er van op haar website.

3 Het geschil

3.1.

KAP vordert – zakelijk weergegeven – de Inspectie te gelasten dat het besluit tot openbaarmaking niet wordt uitgevoerd, c.q. dat daar geen gevolg aan wordt gegeven door de Inspectie totdat er een onherroepelijke uitspraak is gedaan in de civiele bodemprocedure voor zover vereist onder de (nadere) condities als door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de Inspectie in de kosten van dit geding.

3.2.

Daartoe voert KAP – samengevat – het volgende aan. Het onderzoek is door de Inspectie niet zorgvuldig verricht. Volgens de Inspectie was een uitvoerig (tweede) onderzoek van belang. Voor dat onderzoek is vervolgens slechts twee maanden de tijd genomen, wat onverklaarbaar is, omdat het eerste onderzoek bijna vijf maanden duurde. De Inspectie stelt dat zij vooraf geen documenten heeft opgevraagd, vanwege het feit dat er op zeer korte termijn onderzoek is verricht. Dat is echter geen rechtvaardiging voor het niet vooraf opvragen van documenten en als de Inspectie dat wel had gedaan, dan had zij de beschikking gehad over het vonnis van de rechtbank van 19 april 2017 en andere relevante documenten. Doordat de Inspectie relevante bronnen niet in het onderzoek heeft betrokken, en slechts afgegaan is op een signaal, is zij tot ongefundeerde conclusies/bevindingen gekomen. De inhoud van het onderzoek moet als onrechtmatig worden gekwalificeerd, omdat er sprake is van een opeenstapeling van aannames, gevolgtrekkingen, gekleurde verhalen van oud-leerlingen, ongefundeerde berekeningen en het niet, althans onzorgvuldig toepassen van wetgeving. De inhoud van het rapport moet aan openbaarmaking in de weg staan, omdat openbaarmaking ernstige, onomkeerbare gevolgen voor KAP zal hebben, in het bijzonder in de vorm van reputatieschade.

3.3.

De Inspectie voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1.

Vooropgesteld wordt dat de bestuursrechtelijke voorzieningenrechter reeds heeft geoordeeld dat niet geconcludeerd kan worden dat het rapport op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, of dat het rapport alleen op aannames en veronderstellingen is gebaseerd en evenmin dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. De bestuursrechtelijke voorzieningenrechter heeft geen aanleiding gezien om openbaarmaking voor de duur van de procedure in bezwaar te verbieden. Zoals de Inspectie terecht stelt is het niet aan de voorzieningenrechter in kort geding om thans wederom de wijze van totstandkoming van het rapport te toetsen. Hoewel KAP diverse stellingen heeft ingenomen over de wijze van totstandkoming van het rapport, heeft KAP overigens ook niet gesteld dat en op welke gronden ten aanzien van de wijze van totstandkoming van het rapport aanleiding zou zijn het oordeel van de bestuursrechtelijke voorzieningenrechter aan te tasten. De stellingen van KAP over de wijze van totstandkoming van het rapport zullen gelet hierop verder onbesproken blijven.

4.2.

Aan de voorzieningenrechter ligt daarom alleen ter beoordeling voor of de Inspectie moet worden gelast het besluit tot openbaarmaking niet uit te voeren, omdat het rapport zodanig inhoudelijke onjuistheden bevat dat openbaarmaking om die reden onrechtmatig zou zijn. Het ligt hierbij op de weg van KAP om tenminste aannemelijk te maken dat van dergelijke inhoudelijke onjuistheden in het rapport sprake is, zodat het gerechtvaardigd is om vooruitlopend op, en in afwachting van, het oordeel in een civiele bodemprocedure de openbaarmaking van het rapport op te schorten. KAP is daarin niet geslaagd. De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt.

Bijdragen aan het voorkomen van voortijdig schoolverlaten en onvoldoende opbrengsten

4.3.

In het rapport staat vermeld dat er door KAP in onvoldoende mate proactief is bijgedragen aan het voorkomen van voortijdig schoolverlaten. Volgens KAP is die constatering onjuist, omdat uit het vonnis van 19 april 2017 blijkt dat de oud-leerlingen die in die procedure betrokken waren op eigen initiatief de opleiding verlaten hebben. KAP kan daarom niet verweten worden dat zij in onvoldoende mate proactief heeft bijdragen om voortijdig schoolverlaten te voorkomen, aldus KAP. Dit betoog snijdt echter geen hout, omdat – zoals de Inspectie onweersproken en terecht heeft gesteld – het proactief bijdragen aan het voorkomen van voortijdig schoolverlaten nu juist als doel heeft te voorkomen dat leerlingen vrijwillig de opleiding verlaten. Dat geldt ook voor het voortijdig verlaten van de school door de in de civiele procedure betrokken oud-leerlingen. Dat van proactief bijdragen aan het voorkomen van voortijdig schoolverlaten feitelijk wel in voldoende mate sprake is geweest – en dat daarom voormelde conclusie feitelijk onjuist is – is door KAP niet gesteld en is overigens ook niet gebleken.

4.4.

In het rapport staat over de opbrengsten (gediplomeerde uitstroom) van de opleidingen van KAP vermeld:

“De opbrengsten zijn onvoldoende. Hoewel nog geen officiële opbrengstgegevens voorhanden zijn, nemen we hier deze bevinding op. We wijken beredeneerd af omdat de lage opbrengstcijfers een relatie hebben met bovenstaande bevindingen en feitelijk al geconstateerd kunnen worden.

Zowel in studiejaar 2015-2016 als in studiejaar 2016-2017 zien we dat een hoog percentage van de studenten ongediplomeerd uitstroomt. Als voorbeeld noemen we de ongediplomeerde uitstroom van ongeveer 80% van de leerlingen van cohort 2016-2017. Van het cohort 2015-2016 hebben twee studenten een diploma behaald. De andere studenten zijn vanwege onvrede over de kwaliteit van de opleiding uitgestroomd zonder diploma. (…)”

KAP stelt dat de Inspectie haar redenatie over de opbrengsten baseert op onjuiste en onvolledige gegevens, omdat de oud-leerlingen op eigen initiatief de opleiding hebben verlaten en omdat het percentage van 80% ongefundeerd is. Dat de oud-leerlingen op eigen initiatief de opleiding hebben verlaten, doet er echter niet aan af dat ten aanzien van die leerlingen sprake is van ongediplomeerde uitstroom. Niet valt in te zien waarom de Inspectie met die uitstroom bij de beoordeling van de opbrengsten geen rekening mag houden. Dat de conclusies van de Inspectie over de opbrengsten overigens feitelijk onjuist zijn heeft KAP – mede gezien het verweer van de Inspectie – niet aannemelijk gemaakt. De Inspectie heeft hierover ter zitting nog toegelicht dat in het schooljaar 2015-2016 bij aanvang tien deelnemers waren ingeschreven, waarvan twee een diploma hebben gehaald (en derhalve acht (= 80%) niet) en dat in het schooljaar 2016-2017 bij aanvang acht deelnemers waren ingeschreven, waarvan ten tijde van het onderzoek er al zes ongediplomeerd waren uitgestroomd. Deze absolute cijfers heeft KAP niet betwist en evenmin heeft KAP betwist dat de opbrengsten gezien deze cijfers onder de norm liggen. Het betoog van KAP dat zij met een moeilijke doelgroep moet werken, baat haar in dit verband niet. Als daarvan al sprake is, is gesteld noch gebleken dat dat voor KAP in een andere mate geldt dan voor met KAP vergelijkbare opleidingen en dat met het oog daarop – voor zover de betreffende normen die ruimte al bieden – zou moeten worden afgeweken van de algemeen geldende normen.

Wettelijke urennorm

4.5.

In het rapport wordt geconcludeerd dat de opleiding niet voldoet aan de wettelijke urennorm. KAP voert aan dat deze conclusie slechts als volgt wordt gemotiveerd: Uit het signaal kwam ook naar voren dat er klachten waren over te weinig begeleide onderwijstijd. Uit het onderzoek is gebleken dat de opleiding niet voldoet aan de wettelijke urennorm, voortvloeiend uit art. 7.2.7. derde lid, in samenhang met art. 1.4.1 eerste lid, onder b van de WEB.” Hierbij wordt volgens KAP alleen afgegaan op een signaal en wordt geen gebruik gemaakt van telling van onderwijsuren.

4.6.

Nog daargelaten dat uit de toelichting van de Inspectie, zowel zoals vermeld in het rapport als zoals ter zitting gegeven, blijkt dat zij bij voormelde conclusie over de wettelijke urennormen zich niet heeft gebaseerd op een signaal, merkt de voorzieningenrechter op dat in dit kort geding de wijze van totstandkoming van het rapport niet ter beoordeling voorligt (vgl. hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen). Ook ten aanzien van de wettelijke urennorm ligt derhalve alleen ter beoordeling voor of sprake is van feitelijke onjuistheden in het rapport. Daarvan is niet gebleken.

4.7.

In het rapport staat over de wettelijke urennorm – naast hetgeen hiervoor onder 4.5 is weergegeven – nog het volgende vermeld:

“Uit het signaal kwam ook naar voren dat er klachten waren over te weinig begeleide onderwijstijd. Uit het onderzoek is gebleken dat de opleiding niet voldoet aan de wettelijke urennorm, voortvloeiend uit artikel 7.2.7, derde lid, in samenhang met artikel 1.4.1, eerste lid, onder b, van de WEB. (…) Er is in grote mate afgeweken van het hierboven genoemde minimaal aantal te realiseren BOT [toev. voorzieningenrechter: begeleide onderwijstijd] voor het type opleiding en opleidingsduur. Met name zijn vanaf half oktober 2016 de lessen Nederlandse taal, rekenen en loopbaan en burgerschap komen te vervallen. Dit terwijl er toen nog een groot aantal studenten was die deze generieke lessen moest volgen – slechts een klein deel van de studenten had vrijstelling voor deze vakken. (…) Ook eindigen lessen, zowel beroepsgericht als generiek, eerder dan aangegeven op het rooster waardoor onnodige lestijd verloren is gegaan.”

4.8.

Gezien de onder 4.7 weergegeven toelichting in het rapport kon KAP om aannemelijk te maken dat het rapport ten aanzien van de conclusies met betrekking tot de wettelijke urennorm feitelijk onjuist is, niet volstaan met de blote stelling dat zij wel aan de urennorm heeft voldaan en dat lessen wel zijn gegeven. Het had op de weg van KAP gelegen om (concreet) duidelijk te maken dat de urennorm wel gehaald is, bijvoorbeeld door aan te tonen dat de betreffende lessen daadwerkelijk zijn voorbereid of te motiveren dat de Inspectie de presentielijsten die zij heeft gebruikt bij de beoordeling van de vraag of de wettelijke urennorm werd gehaald onjuist heeft geïnterpreteerd.

Ontevreden deelnemers en adequate begeleiding

4.9.

KAP heeft vraagtekens gezet bij de stelling in het rapport dat een hoog percentage leerlingen uit het cohort 2015-2016 en het cohort 2016-2017 ontevreden is over de kwaliteit van de opleiding. Zij vraagt zich af hoe hoog dit percentage is en hoe dat berekend is, wat er moet worden verstaan onder “ontevreden over de kwaliteit van de opleiding” en welke studenten ontevreden zijn. De Inspectie heeft hierover ter zitting toegelicht dat zij gesproken heeft met acht deelnemers uit de schooljaren 2015-2016 en 2016-2017 (van totaal achttien deelnemers in die schooljaren) en dat van de acht gesproken deelnemers zes deelnemers ontevreden waren. Deze stelling is door KAP niet betwist en rechtvaardigt de conclusie dat een hoog percentage leerlingen ontevreden is over de kwaliteit van de opleiding. Van een feitelijke onjuistheid in het rapport is op dit punt derhalve niet gebleken.

4.10.

Ook de stelling van KAP, tot slot, dat ten onrechte in het rapport wordt geconcludeerd dat bij een aanzienlijk aantal studenten sprake is van niet adequate begeleiding wordt gepasseerd. KAP licht in dit verband toe dat uit de conclusie van het onderzoek blijkt dat er op het moment van onderzoek maar twee studenten waren ingeschreven bij KAP en dat alleen die twee studenten begeleiding hoefden te ontvangen. KAP verliest daarbij echter uit het oog dat studenten die vóór het moment van onderzoek waren ingeschreven ook adequaat begeleid hadden moeten worden en dat het onderzoek van de Inspectie zich ook daarop kan richten en heeft gericht. De Inspectie heeft toegelicht dat zij onder andere op grond van (ontbrekende) informatie in de dossiers van leerlingen (summiere / geen gespreksverslagen) heeft vastgesteld dat het aan adequate begeleiding ontbrak. Dat die vaststelling feitelijk onjuist was, heeft KAP niet aannemelijk gemaakt.

Slotsom

4.11.

Slotsom van het vorenstaande is dat KAP niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inhoud van het rapport van de Inspectie feitelijke onjuistheden bevat. Er is daarom geen grond om de gevorderde ordemaatregel toe te wijzen. Volledigheidshalve merkt de voorzieningenrechter nog op dat het vonnis van 19 april 2017 dit oordeel niet anders kan maken. Zoals de Inspectie terecht stelt, staat zij buiten die civielrechtelijke procedure. Bovendien kunnen aan het oordeel in dat vonnis geen conclusies worden verbonden met betrekking tot bevindingen van de Inspectie in het rapport. Weliswaar zijn in het vonnis de vorderingen van de oud-leerlingen afgewezen en die van KAP toegewezen, doch dat is het gevolg van het feit dat de oud-leerlingen de onderwijsovereenkomsten niet rechtsgeldig hadden ontbonden. In het vonnis wordt niet geoordeeld over de onderwerpen waar de Inspectie onderzoek naar heeft gedaan.

4.12.

KAP zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt KAP in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Inspectie begroot op € 1.434,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 618,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2017.

idt