Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11624

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-10-2017
Datum publicatie
13-10-2017
Zaaknummer
C/09/519120/HA ZA 16-1120
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Conventie: totstandkoming overeenkomst, gerechtvaardigd vertrouwen, gedragingen wederpartij. Reconventie: opheffing beslag, totstandkoming overeenkomst, onverschuldigde betaling, misbruik van omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5301
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/519120 / HA ZA 16-1120

Vonnis van 11 oktober 2017

in de zaak van

NEW SUSTAINABLE SOLUTIONS B.V.,

gevestigd te Den Haag,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. V.L.T. van Roy te Leiden,

tegen

UW HUISMEESTER PROJECTEN B.V.,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. A. Neophitou te Berghem.

Partijen zullen hierna Susteen en UHP genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 12 september 2016 met producties

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie tevens akte houdende provisionele vordering van 25 januari 2017 met producties

  • -

    het comparitievonnis van 22 februari 2017

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie van 28 augustus 2017 met producties

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen gehouden op 28 augustus 2017.

1.2.

Tijdens de comparitie van partijen op 28 augustus 2017 heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan in het incident. De rechtbank heeft de provisionele vordering van UHP tot opheffing van het beslag afgewezen, met bepaling van de kosten in het incident op nihil. Het proces-verbaal van comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Partijen hebben daarvan gebruik gemaakt, Susteen bij bericht van 14 september 2017 en UHP bij faxbericht van 14 september 2017. Deze correspondentie maakt onderdeel uit van het procesdossier.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben op 20 april 2015 een raamovereenkomst en daarbij behorende deelovereenkomsten gesloten waarin zij hun afspraken over de uitvoering van het project ‘Collectieve Inkoop Schilderwerk’ (hierna ook: ‘CIS’) voor leden van Vereniging Eigen Huis hebben vastgelegd. Het project CIS hield, op hoofdlijnen, in dat UHP in opdracht van leden van de Vereniging Eigen Huis schilderwerkzaamheden liet uitvoeren, en vervolgens opdracht gaf aan Susteen om de afgeronde schilderwerkzaamheden te keuren, alsmede een ‘onderhoudscheck’ uit te voeren. Susteen ontving per keuring een vergoeding van UHP. Na goedkeuring van het schilderwerk door Susteen kon UHP de factuur voor de schilderwerkzaamheden sturen aan de leden van Vereniging Eigen Huis.

2.2.

De raamovereenkomst van 20 april 2015 bevat – voor zover relevant – de volgende bepalingen:

“Artikel 1. Duur overeenkomst

1. De overeenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd. De overeenkomst gaat in op 10 april 2015 en zal van rechtswege eindigen op 31 december 2015, tenzij Partijen besluiten de Overeenkomst te verlengen. (…)

Artikel 3. Verplichtingen Susteen

(…)

2. Susteen staat ervoor in voldoende capaciteit te hebben om de in de deelovereenkomst(en) genoemde dienstverlening voor UH/VEH uit te voeren c.q. te faciliteren, mits UH een gedegen forecasting doet en campagnes tijdig aanlevert. (…)

Artikel 4. Verplichtingen UH

(…)

3. (…) UH/VEH zal maandelijks een forecasting voor de promotionele activiteiten in het daaropvolgende kwartaal aanleveren. Zonder de forecasting is Susteen niet gehouden aan de verplichtingen zoals genoemd in artikel 3 lid 2.”

2.3.

De deelovereenkomst keuringen van 20 april 2015 bevat – voor zover relevant – de volgende bepalingen:

“Artikel 4. Verplichtingen UH

(…)

3. UH draagt zorg voor een wekelijkse forecast overeenkomstig hetgeen bepaald is in artikel 4 lid 3 (…) van de Raamovereenkomst en overeenkomstig bijlage 13.”

2.4.

Bijlage 7 bij de deelovereenkomst keuringen van 20 april 2015 bevat – voor zover relevant – de volgende bepalingen:

“Bijlage 7: Tarieven;

  • -

    Susteen kan efficiënt werken bij een minimaal volume van 500 keuringen per maand

  • -

    De vergoeding van Susteen is afhankelijk van het maandelijkse volume volgens onderstaande staffel:

  • -

    < 200 keuringen per maand, € 72,50 (exclusief BTW)

  • -

    > 200 en < 500 keuringen per maand, € 62,50 (exclusief BTW)

  • -

    > 500 keuringen per maand, € 55,00 (exclusief BTW)

  • -

    Uitgangspunt is de verwachting dat elke maand minimaal 500 keuringen worden uitgevoerd. Derhalve wordt in eerste instantie het tarief van € 55,00 (exclusief BTW) gehanteerd. Indien na afloop van de maand blijkt dat dat aantal niet gehaald is zal Susteen een factuur voor het resterende deel versturen.”

2.5.

Op 28 juli 2015 heeft Susteen UHP per e-mail – voor zover relevant – het volgende bericht:

“Een week geleden hebben we afspraken gemaakt inzake de forecast en de leads.

Ik heb aangegeven dat Uw Huismeester in gebreke blijft inzake het verstrekken van een wekelijkse forecast en leads voor vloer- en spouwmuurisolatie. Hierdoor kunnen we niet optimaal onze capaciteit afstemmen op de vraag naar controles. Als gevolg hiervan opereren we nu met een verlies. Ook worden er geen leads aangeleverd waardoor een belangrijke inkomstenbron wegvalt. Onder deze condities kan ik de controles op het schilderwerk en de onderhoudschecks niet uitvoeren.

Jullie hebben aangegeven zeer snel bovengenoemde zaken te willen herstellen. Helaas moet ik constateren dat dat tot op heden niet is gebeurd. Sterker, ik heb niets meer vernomen op een bestand met ingeplande schilderklussen na. Dit bestand is overigens geen forecast. Er lijkt ruim 30% van de uitgevoerde opdrachten te ontbreken. Ook ontbreekt het gedeelte van de te verwachten opdrachten.

(…)

Omdat Uw Huismeester ondanks herhaalde verzoeken van mij en toezeggingen van jullie in gebreke blijft kan ik niet anders dan de schade die hieruit voortvloeid in rekening brengen.

Susteen zal de controles schilderwerk inclusief onderhoudscheck uitvoeren tegen een tarief van 75 euro (ex btw) tot het moment dat de leads worden aangeleverd. Susteen zal de kosten van de overcapaciteit in de maanden juni, juli en augustus t.g.v. het ontbreken van de forecast in rekening brengen. Zoals vermeld zal ik me maximaal inspannen om deze kosten zo laag mogelijk te houden. Zolang de forecast ontbreekt is Susteen niet gehouden aan de SLA.”

2.6.

Susteen heeft op 3 augustus 2015 een factuur aan UHP gestuurd voor een bedrag van € 9.810,68 met de omschrijving ‘Vergoeding schade t.g.v. het ontbreken van de forecast’. UHP heeft deze factuur betaald.

2.7.

Susteen heeft in de periode van 3 augustus 2015 tot en met 9 november 2015 facturen aan UHP gestuurd waarbij zij € 75,-- (excl. BTW) per uitgevoerde keuring in rekening bracht. UHP heeft deze facturen betaald.

2.8.

Partijen hebben in oktober en november 2015 overleg gevoerd over de voortzetting van de samenwerking. Susteen heeft UHP op 13 oktober 2015, op 10 november 2015 en op 15 november 2015 schriftelijke voorstellen gestuurd voor de voortzetting van de samenwerking. De voorstellen zijn niet door partijen ondertekend.

2.9.

Susteen heeft op 16 november 2015 een creditfactuur aan UHP gestuurd voor een bedrag van € 1.064,80 onder vermelding van ‘Correctie op Factuur 20152492. Tarief € 64,- i.p.v. € 75,-’.

2.10.

Susteen heeft in de periode van 16 november 2015 tot en met 22 april 2016 facturen aan UHP gestuurd waarbij zij € 64,-- (excl. BTW) per uitgevoerde keuring in rekening bracht. UHP heeft deze facturen betaald.

2.11.

Op 4 december 2015 heeft Susteen UHP per e-mail – voor zover relevant – het volgende bericht:

“Kan je nog terugkomen op mijn laatste voorstel en mij een actuele forecast sturen? Ik wil graag onze bouwkundigen duidelijkheid over het vervolg geven.”

2.12.

UHP heeft Susteen eveneens op 4 december 2015 per e-mail – voor zover relevant – het volgende geantwoord:

“Op dit moment hebben we nog 1996 (potentiele) opdrachten, dit zullen er in de praktijk minder worden. (…) Mijn beste schatting nu is dat we op totaal 1500 bonnen nog af te ronden vanaf nu gaan uitkomen.”

2.13.

Op 8 maart 2016 heeft Susteen UHP per e-mail – voor zover relevant – het volgende bericht:

“Kan je me een update sturen mbt de forecast? De laatste forecast heb ik op 7 januari ontvangen en deze lijkt me niet meer realistisch.

Begin januari had je het over 1100 tot 1800 opdrachten in de periode januari tm maart. Hiervan hebben we er nu 243 binnen waarvan bij ruim 40 klanten het schiderwerk nog niet is afgerond en er dus niet gekeurd kan worden. Kortom, nu 80% van de periode verstreken is is slechts 10 tot 20% van het werk binnen.

Wij hebben op basis van de forecast capaciteit ingekocht en afspraken met elkaar gemaakt. Onder andere hebben we afgesproken dat we wekelijks een geupdate forecast ontvangen en dat we minimaal 96.000 euro ontvangen (1500 keuringen) in de periode tm maart.”

2.14.

UHP heeft Susteen eveneens op 8 maart 2016 per e-mail – voor zover relevant – het volgende geantwoord:

“Op dit moment hebben we nog plusminus 800-850 bonnen uit te voeren, deze status is nu wel volledig duidelijk. (…) Volgens mij liggen de uitgevoerde keuringen hoger dan de door jouw genoemde aantal van 243 stuks. Ik zal morgen deze totalen checken.”

2.15.

Susteen heeft op 20 mei 2016 een factuur gestuurd aan UHP voor een bedrag van € 83.712,64 (incl. BTW). Op de factuur heeft Susteen – voor zover relevant – vermeld: “Minimale vergoeding voor de keuringen die worden aangeboden in de periode januari t.m. maart 2016 (op basis van 1500 keuringen). Reeds in rekening gebracht: 419 keuringen a 64 euro. Tegoed: 1081 keuringen a 64 euro.” UHP heeft deze factuur niet betaald.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Susteen vordert – samengevat – veroordeling van UHP bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling aan Susteen van een bedrag van € 83.712,64, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf 19 juni 2016, subsidiair vanaf 15 juli 2016, meer subsidiair vanaf de datum van dagvaarden, alsmede tot betaling aan Susteen van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.942,05 en de proceskosten, de beslagkosten daaronder begrepen.

3.2.

Susteen legt aan deze vorderingen ten grondslag dat partijen per 1 november 2015 mondeling nieuwe afspraken hebben gemaakt op grond waarvan Susteen € 64,-- (excl. BTW) per keuring van UHP zou ontvangen en Susteen in de periode van januari tot en met maart 2016 minimaal 1.500 keuringen zou kunnen uitvoeren. UHP heeft in de periode van januari tot en met maart 2016 slechts 419 keuringen aan Susteen aangeboden, zodat Susteen daarnaast nog recht heeft op € 64,-- (excl. BTW) per keuring voor de 1.081 niet-uitgevoerde keuringen, dat wil zeggen op een bedrag van € 69.184,-- excl. BTW (€ 83.712,64 incl. BTW). UHP heeft dit bedrag niet betaald en is vanaf 19 juni 2016 in verzuim.

3.3.

UHP betwist dat partijen per 1 november 2015 mondeling nieuwe afspraken hebben gemaakt. UHP stelt dat de raamovereenkomst en deelovereenkomsten van 20 april 2015 nog steeds tussen partijen van kracht waren. UHP is wel akkoord gegaan met de prijs van € 64,-- (excl. BTW) per keuring met ingang van 1 november 2015, maar niet met een minimum van 1.500 keuringen voor de periode van januari tot en met maart 2016. UHP is Susteen derhalve niets verschuldigd.

in reconventie

3.4.

UHP vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- te verklaren voor recht dat het door Susteen ten laste van UHP gelegde conservatoire beslag onrechtmatig is;

- opheffing van het beslag met veroordeling van Susteen tot vergoeding van de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2016 tot de dag van het vonnis;

- veroordeling van Susteen tot betaling aan UHP van, in totaal, € 48.848,31, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente, vanaf de betaaldata van de facturen, althans vanaf de datum van het vonnis;

- veroordeling van Susteen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 14 dagen na betekening van het vonnis;

en voorts

voorwaardelijk, voor zover de rechtbank in conventie oordeelt dat het derde voorstel van Susteen van 15 november 2015 door partijen is overeengekomen:

  • -

    te verklaren voor recht dat Susteen tekort is geschoten in de alsdan geldende SLA van het derde voorstel van Susteen d.d. 15 november 2015;

  • -

    deze overeenkomst te ontbinden op grond van voornoemd tekortschieten;

  • -

    de waardevergoeding voor de door Susteen geleverde prestaties vast te stellen conform de tarieven van de deelovereenkomst keuringen van 20 april 2015, althans op een door de rechtbank te bepalen bedrag;

  • -

    Susteen te veroordelen tot betaling aan UHP van een bedrag van € 15.345,83, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag;

  • -

    veroordeling van Susteen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 14 dagen na betekening van het vonnis.

3.5.

UHP legt aan deze vorderingen ten grondslag dat de raamovereenkomst en de daarbij behorende deelovereenkomsten van 20 april 2015 gedurende het gehele project tussen partijen van kracht zijn gebleven. Susteen heeft derhalve tot en met oktober 2015 ten onrechte € 75,-- per keuring in rekening gebracht, zodat UHP € 23.691,80 onverschuldigd aan Susteen heeft betaald (hierna: hoofdsom 1). Susteen was evenmin gerechtigd tot de schadevergoeding van € 9.810,68 (hierna: hoofdsom 2), die UHP derhalve ook onverschuldigd heeft betaald. Tot slot heeft Susteen vanaf 1 november 2015 ten onrechte € 64,-- per keuring in rekening gebracht, zodat UHP nog eens € 15.345,83 (hierna: hoofdsom 3) onverschuldigd aan Susteen heeft betaald. UHP heeft deze bedragen destijds betaald omdat zij onder druk gezet werd door Susteen, van wie zij voor haar omzet afhankelijk was.

3.6.

Susteen betwist dat de genoemde bedragen onverschuldigd zijn betaald en stelt dat UHP destijds zonder protest heeft betaald. Susteen voert voorts als verweer aan dat partijen op 28 juli 2015 en per 1 november 2015 gewijzigde afspraken hebben gemaakt, op grond waarvan Susteen tot en met oktober 2015 € 75,-- per keuring in rekening mocht brengen, zij recht had op een schadevergoeding van € 9.810,68, en op grond waarvan zij vanaf 1 november 2015 € 64,-- per keuring in rekening mocht brengen. Partijen waren beide professioneel en gelijkwaardig, dus UHP heeft deze bedragen niet onder druk betaald, aldus Susteen.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

In conventie staat de vraag centraal of partijen zijn overeengekomen dat Susteen vanaf 1 november 2015 € 64,-- (excl. BTW) per keuring van UHP zou ontvangen en dat UHP in de periode van januari tot en met maart 2016 minimaal 1.500 keuringen aan Susteen zou aanbieden, bij gebreke waarvan Susteen niettemin 1.500 keuringen à € 64,-- (excl. BTW) vergoed zou krijgen. Nu Susteen zich beroept op de rechtsgevolgen van deze overeenkomst, rust op haar de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot het bestaan en de inhoud daarvan.

4.2.

Susteen stelt dat partijen op 25 november 2015 mondeling overeenstemming hebben bereikt over het voorstel van Susteen van 15 november 2015, dat met terugwerkende kracht vanaf 1 november 2015 tussen partijen zou gelden. Uit diverse e-mails van november en december 2015 blijkt volgens Susteen dat zij bij UHP op ondertekening van het voorstel heeft aangedrongen. Ook daarna heeft Susteen in haar correspondentie met UHP meerdere malen gewezen op de afspraken zoals vastgelegd in het voorstel van 15 november 2015. UHP heeft daar in haar e-mails niet op gereageerd. Voorts beroept Susteen zich op het feit dat partijen uitvoering hebben gegeven aan de mondelinge overeenkomst, met name op het feit dat UHP de facturen van Susteen zonder protest heeft betaald.

4.3.

UHP betwist dat partijen tijdens de bespreking van 25 november 2015 nieuwe voorwaarden zijn overeengekomen met ingang van 1 november 2015. UHP stelt dat zij de voorstellen van Susteen mondeling heeft afgewezen, en dat uit onder meer de e-mail van Susteen van 4 december 2015 blijkt dat er ook geen overeenstemming bestond over het voorstel van Susteen van 15 november 2015. UHP was wel akkoord met de door Susteen voorgestelde prijs van € 64,-- (excl. BTW) per keuring.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat uit de e-mail van Susteen van 4 december 2015 niet blijkt dat er overeenstemming tussen partijen bestond over het voorstel van Susteen van 15 november 2015. Susteen schrijft immers: “Kan je nog terugkomen op mijn laatste voorstel en mij een actuele forecast sturen?” Daaruit blijkt niet dat UHP tijdens de bespreking van 25 november 2015 zou hebben ingestemd met het voorstel van Susteen. Het feit dat Susteen wel bij UHP op een bevestiging van haar voorstel heeft aangedrongen, en het uitblijven van een (schriftelijke) reactie daarop van UHP, betekent uiteraard nog niet dat UHP het voorstel heeft aanvaard. In het licht hiervan ontbeert de stelling van Susteen dat tijdens de bespreking van 25 november 2015 overeenstemming is bereikt een toereikende onderbouwing en gaat de rechtbank aan die stelling voorbij.

4.5.

Dat ligt evenwel anders voor het door Susteen voorgestelde tarief van € 64,-- (excl. BTW) per keuring, met ingang van 1 november 2015. UHP heeft ter comparitie erkend dat zij daarmee akkoord is gegaan. Vast staat derhalve dat partijen met ingang van 1 november 2015 een tarief van € 64,-- (excl. BTW) per keuring hadden afgesproken.

4.6.

Voor het overige heeft Susteen niet gesteld op grond van welke (andere) concrete gedragingen van UHP zij het gerechtvaardigd vertrouwen mocht hebben dat UHP ook had ingestemd met het minimum aantal van 1.500 keuringen voor de periode van januari tot en met maart 2016. Het uitblijven van een (schriftelijke) reactie van UHP op het voorstel van Susteen is daarvoor onvoldoende. UHP stelt bovendien dat uit haar e-mail van 4 december 2015 blijkt dat UHP op dat moment al inschatte dat er nog maximaal 1.500 keuringen zouden worden aangemeld vanaf 4 december 2015 tot en met het einde van het project. UHP wist derhalve dat zij het door Susteen voorgestelde minimum waarschijnlijk niet zou gaan halen, en Susteen wist dat ook. Susteen mocht er dus ook om die reden niet van uitgaan dat UHP akkoord was met het door Susteen voorgestelde minimum. In het licht van deze gemotiveerde betwisting van UHP heeft Susteen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gesteld uit welke gedragingen van UHP zij mocht afleiden dat UHP akkoord was met het minimum. De rechtbank stelt dan ook vast dat tussen partijen geen overeenstemming is bereikt over een minimum aantal van 1.500 keuringen voor de periode van januari tot en met maart 2016.

4.7.

Gezien het voorgaande zal de rechtbank de vordering van Susteen tot betaling van het bedrag van € 83.712,64 afwijzen. Dientengevolge bestaat ook geen grond voor toewijzing van de gevorderde buitengerechtelijke kosten.

4.8.

Susteen zal als de in conventie in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De door UHP gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is eveneens toewijsbaar. De kosten aan de zijde van UHP worden tot op heden begroot op

€ 3.717,-- (€ 1.929,-- aan griffierecht en € 1.788,-- aan salaris advocaat (2 punten x tarief IV ad € 894,--)).

4.9.

Voor de veroordeling van Susteen in de nakosten, zoals door UHP gevorderd, bestaat geen grond nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL: HR:2010:BL1116, NJ 2011/ 237).

in reconventie

Beslag

4.10.

UHP vordert voor recht te verklaren dat het door Susteen ten laste van UHP gelegde conservatoire beslag onrechtmatig is.

4.11.

Een beslag is onrechtmatig gelegd indien de beslaglegger misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot het leggen van beslag. Deze vraag moet derhalve worden beoordeeld aan de hand van de criteria die gelden voor misbruik van bevoegdheid als bedoeld in art. 3:13 BW. Daarbij moeten in aanmerking worden genomen de concrete omstandigheden van het geval ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de vordering, de waarde van de beslagen goederen, en de onevenredigheid waarmee de schuldenaar door het beslag in zijn belangen wordt getroffen. Indien de genoemde omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan worden geoordeeld dat een beslag als vexatoir en daarom onrechtmatig moet worden aangemerkt.

4.12.

UHP heeft in het incident, ter onderbouwing van haar provisionele vordering, gemotiveerd gesteld dat het beslag moest worden opgeheven omdat de vordering van Susteen volgens haar ondeugdelijk was. In reconventie heeft UHP - naast haar standpunt dat de vordering van Susteen ondeugdelijk is – de gestelde (on)rechtmatigheid van het beslag of misbruik van bevoegdheid door Susteen niet met nadere concrete feiten onderbouwd. Het feit dat de vordering van Susteen inmiddels ondeugdelijk is gebleken – deze zal immers worden afgewezen – is onvoldoende om te oordelen dat het beslag onrechtmatig is wegens misbruik van bevoegdheid. Die toets is anders en zwaarder dan de toets van de (on)deugdelijkheid van de vordering waarvoor beslag is gelegd. Nu UHP de gestelde onrechtmatigheid van het beslag niet nader heeft onderbouwd, mist de vordering feitelijke grondslag en zal de rechtbank de gevorderde verklaring voor recht afwijzen.

4.13.

UHP vordert daarnaast opheffing van het door Susteen gelegde conservatoire beslag, met veroordeling van Susteen tot vergoeding van de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2016 tot de dag van het vonnis. Gelet op het feit dat de rechtbank de vorderingen van Susteen in conventie zal afwijzen, zal de rechtbank de vordering van UHP tot opheffing van het conservatoire beslag in reconventie toewijzen en het ten laste van UHP onder ABN AMRO Bank gelegde conservatoir beslag opheffen.

4.14.

De rechtbank begrijpt de vordering tot vergoeding van de wettelijke rente aldus, dat UHP de wettelijke rente vordert over het bedrag waarop Susteen conservatoir beslag heeft gelegd. De grondslag voor een dergelijke vordering tot schadevergoeding is artikel 6:162 BW. Gelet op het feit dat UHP onvoldoende heeft gesteld ten aanzien van de (on)rechtmatigheid van het beslag, zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente afwijzen.

Hoofdsom 1: € 23.691,80

4.15.

UHP vordert veroordeling van Susteen tot terugbetaling van een bedrag van € 23.691,80 wegens onverschuldigde betaling dan wel, subsidiair, op grond van misbruik van omstandigheden door Susteen, hetgeen moet leiden tot vernietiging van de (vermeende) afspraken rond 28 juli 2015. UHP stelt dat Susteen in de periode van juli tot en met oktober 2015 ten onrechte een tarief van € 75,-- (excl. BTW) per keuring in rekening heeft gebracht, in plaats van de tarieven uit bijlage 7 van de deelovereenkomst keuringen van 20 april 2015. UHP heeft de facturen van Susteen betaald onder druk, omdat Susteen anders de samenwerking zou beëindigen. Susteen wist dat UHP afhankelijk was van de inzet van Susteen om de betalingen voor de schilderwerkzaamheden te ontvangen van de leden van Vereniging Eigen Huis.

4.16.

Susteen betwist dat de tarieven in bijlage 7 van de deelovereenkomst keuringen van 20 april 2015 nog tussen partijen van toepassing waren. Susteen beroept zich op haar e-mail van 28 juli 2015, waaruit volgens Susteen blijkt dat partijen wegens tegenvallende aantallen keuringen hadden afgesproken dat Susteen € 75,-- (excl. BTW) per keuring in rekening mocht brengen. Voorts beroept Susteen zich op het feit dat partijen vervolgens uitvoering hebben gegeven aan deze overeenkomst, met name op het feit dat UHP de facturen van Susteen zonder protest heeft betaald. Susteen betwist dat zij UHP onder druk gezet zou hebben of misbruik zou hebben gemaakt van de financiële omstandigheden van UHP.

4.17.

Het enkele uitblijven van een (schriftelijke) reactie van UHP op de e-mail van Susteen van 28 juli 2015 rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dat UHP met de inhoud van die e-mail akkoord was. Dat ligt evenwel anders in het geval UHP door haar gedragingen bij Susteen het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat UHP heeft ingestemd met de inhoud van die e-mail. In dit geval mocht Susteen aan de gedragingen van UHP het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat UHP had ingestemd met het tarief van € 75,-- (excl. BTW) per keuring. UHP heeft immers niet alleen nagelaten het voorstel van Susteen in de e-mail van 28 juli 2015 (schriftelijk) af te wijzen, maar zij heeft bovendien de facturen van Susteen van 3 augustus 2015 tot en met 9 november 2015, die gebaseerd waren op het tarief van € 75,-- (excl. BTW) per keuring, betaald. Nu er van moet worden uitgegaan dat UHP met het tarief van € 75,-- (excl. BTW) per keuring heeft ingestemd, kan haar beroep op onverschuldigde betaling niet slagen.

4.18.

UHP heeft subsidiair aangevoerd dat zij de facturen heeft betaald omdat zij onder druk werd gezet door Susteen, die gebruik maakte van haar wetenschap dat UHP in een penibele financiële situatie verkeerde en afhankelijk was van de keuringen van Susteen om de betalingen voor de schilderwerkzaamheden te kunnen ontvangen van de leden van Vereniging Eigen Huis. De afspraken rond 28 juli 2015 moeten op grond van misbruik van omstandigheden worden vernietigd. Susteen heeft gemotiveerd betwist dat zij misbruik zou hebben gemaakt van de omstandigheden waarin UHP verkeerde. Susteen stelt dat beide partijen professioneel en gelijkwaardig waren, en dat UHP de facturen desnoods onder protest had kunnen betalen.

4.19.

Misbruik van omstandigheden, zo volgt uit artikel 3:44 lid 4 BW, bestaat uit het gebruik maken door de ene partij van de omstandigheden waarin de wederpartij verkeerde, waardoor zij die wederpartij heeft gebracht tot het aangaan van een overeenkomst, welke de wederpartij, als zij niet in die omstandigheden had verkeerd, wegens de daaraan voor haar verbonden nadelen, niet zou hebben gesloten. Nu UHP zich beroept op misbruik van omstandigheden door Susteen, rust op UHP de stelplicht en de bewijslast terzake.

4.20.

UHP heeft ter comparitie onder meer verklaard dat de nieuwe afspraak – dat wil zeggen de verhoging van het tarief naar € 75,-- (excl. BTW) – leidde tot € 2,50 extra per keuring, en dat de belangen voor haar te groot waren om moeilijk te doen over deze extra kosten. Als de factuur niet werd betaald, zou de dienstverlening per direct stoppen. UHP stond met de rug tegen de muur. Er is wel geprotesteerd tijdens telefoongesprekken en besprekingen, aldus UHP. Susteen heeft gesteld en ter comparitie nader toegelicht dat zij het tarief heeft verhoogd naar € 75,-- (excl. BTW) wegens het ontbreken van correcte forecasts. Susteen had op basis van de raamovereenkomst en de daarbij behorende deelovereenkomsten van 20 april 2015 experts ingezet die geen omzet konden genereren, maar die wel moesten worden betaald. Susteen heeft om die reden onder meer een verhoging van het tarief naar € 75,-- (excl. BTW) als voorwaarde gesteld voor voortzetting van het project.

4.21.

De rechtbank is van oordeel dat UHP weliswaar afhankelijk was van Susteen voor het uitvoeren en slagen van het project, maar dat dat nog niet meebrengt dat UHP in dermate bijzondere omstandigheden verkeerde dat Susteen daar misbruik van heeft gemaakt door de tariefsverhoging als voorwaarde te stellen voor voortzetting van het project. UHP heeft geen omstandigheden gesteld die in de weg staan aan het oordeel van de rechtbank dat beide partijen professioneel en gelijkwaardig moeten worden beschouwd. Mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door Susteen heeft UHP, door slechts te stellen dat Susteen wist van de penibele financiële situatie van UHP en haar afhankelijkheid van de afgeronde keuringen door Susteen en desalniettemin het tarief met € 2,50 verhoogde naar € 75,-- (excl. BTW) per keuring, onvoldoende onderbouwd waaruit de bijzondere omstandigheden aan de zijde van UHP en het misbruik daarvan door Susteen zouden bestaan. Bij deze stand van zaken is er geen plaats voor bewijslevering door getuigen, en zal de rechtbank de vordering van UHP tot vernietiging van de tariefafspraak van € 75,-- (excl. BTW) per keuring en terugbetaling van het bedrag van € 23.691,80, afwijzen.

4.22.

Ook het beroep op de (beperkende werking van de) redelijkheid en billijkheid kan, gelet op het voorgaande, niet slagen.

4.23.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank ook de wettelijke rente, voor zover over dit bedrag gevorderd, afwijzen.

Hoofdsom 2: € 9.810,68

4.24.

UHP vordert veroordeling van Susteen tot terugbetaling van een bedrag van

€ 9.810,68 wegens onverschuldigde betaling dan wel misbruik van omstandigheden door Susteen. UHP stelt dat Susteen ten onrechte een factuur aan UHP heeft gestuurd voor een bedrag van € 9.810,68 met de omschrijving ‘Vergoeding schade t.g.v. het ontbreken van de forecast’. UHP heeft niet ingestemd met een dergelijke schadevergoeding, maar heeft deze factuur betaald onder druk, omdat Susteen anders de samenwerking zou beëindigen. Susteen wist dat UHP afhankelijk was van de inzet van Susteen om de betalingen voor de schilderwerkzaamheden te ontvangen van de leden van Vereniging Eigen Huis. Susteen heeft bovendien geen schade geleden, althans heeft deze schade niet aangetoond, en bovendien geeft het niet nakomen door UHP van de verplichting tot forecasten geen recht op schadevergoeding, maar betekent dat alleen dat Susteen niet langer gehouden is aan de SLA, aldus UHP.

4.25.

Susteen betwist dat UHP het bedrag van € 9.810,68 onverschuldigd heeft betaald dan wel dat Susteen misbruik zou hebben gemaakt van omstandigheden. Susteen beroept zich ook in dit verband op haar e-mail van 28 juli 2015, waaruit volgens Susteen blijkt dat partijen wegens tegenvallende aantallen keuringen hadden afgesproken dat Susteen haar schade ten gevolge van overcapaciteit gedurende de maanden juni, juli en augustus 2015 bij UHP in rekening mocht brengen. De schade bestaat eruit dat Susteen van mei tot en met juli 2015 al adviseurs had ingehuurd, terwijl die geen keuringen konden verrichten. Vergoeding van deze schade was voor Susteen een voorwaarde voor voortzetting van de samenwerking. UHP heeft de factuur bovendien zonder protest betaald, aldus Susteen.

4.26.

In de eerste plaats moet worden beoordeeld of partijen in juli 2015 zijn overeengekomen dat UHP een schadevergoeding van € 9.810,68 aan Susteen zou betalen. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, rechtvaardigt het enkele uitblijven van een (schriftelijke) reactie van UHP op de e-mail van Susteen van 28 juli 2015 niet de conclusie dat UHP met de inhoud van die e-mail akkoord was. Dat ligt evenwel anders in het geval UHP door haar gedragingen bij Susteen het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat UHP heeft ingestemd met de inhoud van die e-mail. Tussen partijen staat vast dat Susteen betaling van de schadevergoeding als voorwaarde had gesteld voor voortzetting van de samenwerking. Vast staat ook dat UHP de factuur van Susteen heeft betaald en dat partijen de samenwerking hebben voortgezet. Naar het oordeel van de rechtbank mocht Susteen in dit geval uit de gedragingen van UHP afleiden dat UHP had ingestemd met het betalen van een schadevergoeding van € 9.810,68.

4.27.

Het betoog van UHP dat Susteen misbruik heeft gemaakt van omstandigheden, treft, zoals hiervoor onder 4.21 reeds is overwogen, geen doel. De rechtbank is van oordeel dat beide partijen professioneel en gelijkwaardig waren, en dat UHP, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door Susteen, onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd waaruit de bijzondere omstandigheden aan de zijde van UHP en het misbruik van die omstandigheden door Susteen zou bestaan. Bij deze stand van zaken is er geen plaats voor bewijslevering door getuigen. De rechtbank zal de vordering van UHP tot terugbetaling van het bedrag van € 9.810,68 afwijzen.

4.28.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank ook de wettelijke rente, voor zover over dit bedrag gevorderd, afwijzen.

4.29.

Nu de rechtbank van oordeel is dat partijen eind juli 2015 zijn overeengekomen dat UHP Susteen een bedrag van € 9.810,68 aan schadevergoeding zou betalen als voorwaarde voor voortzetting van de samenwerking, kan in het midden blijven of Susteen daadwerkelijk schade heeft geleden als gevolg van het ontbreken van correcte forecasts, en of zij op grond van de raamovereenkomst en deelovereenkomsten van 20 april 2015 recht had gehad op vergoeding van deze schade.

Hoofdsom 3: € 15.345,83

4.30.

UHP vordert veroordeling van Susteen tot terugbetaling van een bedrag van

€ 15.345,83 wegens onverschuldigde betaling dan wel misbruik van omstandigheden door Susteen. Susteen zou aan UHP vanaf 1 november 2015 ten onrechte € 64,-- (excl. BTW) per keuring in rekening hebben gebracht, terwijl tussen partijen de tarieven golden zoals opgenomen in bijlage 7 bij de deelovereenkomst keuringen van 20 april 2015. Susteen betwist dat het genoemde bedrag onverschuldigd zou zijn betaald, omdat partijen in november 2015 zijn overeengekomen dat met ingang van 1 november 2015 een tarief van €64,-- (excl. BTW) per keuring toegepast zou worden. Bovendien heeft UHP de betreffende facturen zonder protest betaald. Evenmin is sprake van misbruik van omstandigheden, aldus Susteen.

4.31.

Zoals de rechtbank in r.o. 4.5 heeft geoordeeld, heeft UHP ter comparitie erkend dat zij in november 2015 akkoord is gegaan met het tarief van € 64,-- (excl. BTW) per keuring, en staat derhalve vast dat partijen met ingang van 1 november 2015 een tarief van

€ 64,-- (excl. BTW) per keuring hadden afgesproken. De rechtbank zal de vordering tot terugbetaling van het bedrag van € 15.345,83 daarom afwijzen.

4.32.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank ook de wettelijke rente, voor zover over dit bedrag gevorderd, afwijzen.

Voorwaardelijke vorderingen

4.33.

Aangezien de voorwaardelijke vorderingen van UHP zijn ingesteld voor het geval de rechtbank in conventie zou oordelen dat het derde voorstel van Susteen van 15 november 2015 door partijen is overeengekomen, behoeven deze geen bespreking.

4.34.

UHP zal in de procedure in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Susteen worden begroot op

€ 1.788,-- aan salaris advocaat (2 punten x tarief IV ad € 894,--)).

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Susteen in de proceskosten, aan de zijde van UHP tot op heden begroot op € 3.717,-- , te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart de veroordeling onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.

in reconventie

5.4.

heft op het op 30 augustus 2016 ten laste van UHP onder ABN AMRO Bank N.V. gelegde conservatoir beslag,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

5.6.

veroordeelt UHP in de proceskosten, aan de zijde van Susteen tot op heden begroot op € 1.788,--,

5.7.

verklaart de veroordeling onder 5.6. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Neervoort en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2017.1

1 type: 2520Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. coll: 1328