Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11622

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2017
Datum publicatie
12-10-2017
Zaaknummer
09/997114-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank in Den Haag heeft vandaag een echtpaar veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen van 3,5 jaar voor omkoping van een ambtenaar, valsheid in geschrift, witwassen en mensensmokkel. Ook mogen zij gedurende vijf jaar geen beroep in de zorg uitoefenen. Het echtpaar runde een zorgbureau dat een vehikel was om zoveel mogelijk te kunnen frauderen met zorggelden. Daarnaast heeft het zorgbureau valse documenten afgegeven om Turkse onderdanen aan een verblijfsvergunning te helpen.

De omgekochte ambtenaar krijgt voor haar rol een taakstraf van 150 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden. De eigenaar van de stichting en voetbalclub krijgt voor zijn aandeel een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk.

De omgekochte ambtenaar krijgt voor haar rol een taakstraf van 150 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden. De eigenaar van de stichting en voetbalclub krijgt voor zijn aandeel een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/997114-15

Datum uitspraak: 12 oktober 2017

Verstek

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] (Turkije ),

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 1 juni 2017 (regie), 27 september 2017 (inhoudelijk) en 28 september 2017 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. E. Vermaseren en L.L.H. Roebroek.

De officieren van justitie hebben ter terechtzitting van 28 september 2017 medegedeeld dat zij voornemens zijn een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting op 27 september 2017 – kort samengevat, ten laste gelegd dat zij feitelijk leiding heeft gegeven aan

[bedrijf] en/of [bedrijf] , welke vennootschappen de volgende strafbare feiten hebben gepleegd:

  • -

    omkoping van een ambtenaar van het Centrum Indicatiestelling Zorg in de periode van 2 juli 2010 tot en met 23 november 2012 (feit 1);

  • -

    (gewoonte)witwassen van € 1.271.305 in de periode van 27 april 2010 tot en met 31 december 2014 (feit 2);

  • -

    het gebruikmaken van negen valse facturen in de administratie in de periode van 1 maart 2010 tot en met 31 december 2014 (feit 3);

  • -

    mensensmokkel door het verstrekken van valse arbeidsovereenkomsten, valse werkgeversverklaringen en loonstroken waarmee Machtigingen tot Voorlopig verblijf bij de IND werden aangevraagd in de periode van 1 september 2010 tot en met 28 februari 2014, subsidiair is dit als valsheid in geschrift ten laste gelegd (feit 4).

De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

Het onderzoek Drava is gericht op meerdere personen en gestart naar aanleiding van drie aangiftes, gedaan door de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND), het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) en het zorgkantoor DSW. De IND deed aangifte van mogelijke migratiefraude2, het CIZ van omkoping3 en zorgkantoor DSW van mogelijke PGB-fraude.4 Deze drie aangiftes zijn gericht tegen [bedrijf] .

[bedrijf] is op 27 april 2010 door verdachte en haar echtgenoot en tevens medeverdachte [medeverdachte 1] opgericht als vennootschap onder firma. Deze onderneming heeft tot 31 december 2014 als thuiszorgbureau gefunctioneerd. Weliswaar is de v.o.f. per 18 maart 2013 opgeheven maar inmiddels was op 22 februari 2011 de besloten vennootschap [bedrijf] . opgericht met [verdachte] als bestuurder en enig aandeelhouder. [medeverdachte 1] staat op de loonlijst van de B.V. Zowel de v.o.f. als de B.V. staan bij de Kamer van Koophandel (KvK) als thuiszorgbureau geregistreerd: bij [bedrijf] staat bij de KvK als activiteit ‘thuiszorg’ vermeld, bij de rechtspersoon [bedrijf] ., staat vermeld ‘thuiszorg, persoonlijke verzorging, verpleging begeleiding, huishoudelijke hulp’.5 Uit de stukken blijkt, dat het thuiszorgbureau onder de paraplu van zowel de v.o.f. als B.V. (verder samen te noemen [bedrijf] ) zich in het bijzonder richt op cliënten die aanspraak maken op een Persoons Gebonden Budget (PGB).

Een PGB is een voorziening uit (ten tijde van de tenlastgelegde periode) de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Met een dergelijk PGB kunnen verzekerden die vanwege ziekte, handicap of ouderdom zorg nodig hebben deze zorg inkopen. Om een PGB te krijgen is een indicatie nodig. Deze indicatie moet worden aangevraagd bij het CIZ. Indien de indicatieaanvraag is goedgekeurd, dan geeft het CIZ een indicatiebesluit af waarin de zorgbehoefte wordt vermeld, te weten het aantal toegekende uren, de klasse en het type zorg. Ook wordt in het indicatiebesluit de termijn vermeld dat de benodigde zorg nodig zal zijn. De zorgaanvrager kan op basis van een dergelijk indicatiebesluit een PGB aanvragen bij een zorgkantoor. Een zorgkantoor (in dit geval zorgkantoor DSW) gaat vervolgens over tot uitbetaling van het toegekende PGB, op een al dan niet speciaal daarvoor bestemde bankrekening op naam van de zorgaanvrager. De zorgaanvrager, inmiddels budgethouder, sluit een zorgovereenkomst met personen of bedrijven die vervolgens zorg leveren en die door de zorgaanvrager worden betaald uit het PGB.

In deze zaak moet de rechtbank vaststellen of – steeds door [bedrijf] en/of [bedrijf] – een ambtenaar van het CIZ is omgekocht in verband met (samengevat) het bij voorrang behandelen en verwerken van indicatieaanvragen, of er valse facturen zijn gebruikt om verkregen PGB-gelden te verantwoorden en of die PGB-gelden zijn witgewassen. Daarnaast is de vraag aan de orde of [bedrijf] – de B.V. dan wel de v.o.f. - zich heeft schuldig gemaakt aan mensensmokkel. Bij een bevestigend antwoord op voorgaande vragen dient te worden vastgesteld of deze feiten verdachte als feitelijk leidinggevende kunnen worden toegerekend.

3.2

Het standpunt van de officieren van justitie

Met betrekking tot de omkoping (feit 1)

Volgens de officieren van justitie heeft de verdachte (kort gezegd) feitelijk leiding gegeven aan de omkoping van ambtenaar [medeverdachte 2] door [bedrijf] en de [bedrijf] . De rechtbank begrijpt de officieren van justitie aldus dat volgens hen het impliciet primair ten laste gelegde feit (177 (oud) Sr) bewezen kan worden verklaard.

Met betrekking tot witwassen en valsheid in geschrift (feit 2 en 3)

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld, dat wettig en overtuigend bewezen is, dat de vennootschappen [bedrijf] de hiervoor onder 2 en 3 genoemde strafbare feiten hebben gepleegd en dat verdachte aan die strafbare feiten feitelijk leiding heeft gegeven.

Met betrekking tot de mensensmokkel, subsidiair valsheid in geschrift (feit 4)

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de toenmalige partner van [naam] sprake is van feitelijk leidinggeven aan door [bedrijf] in vereniging gepleegde poging mensensmokkel.

Met betrekking tot de partners van [naam] en [naam] concluderen de officieren van justitie dat sprake was van het feitelijk leidinggeven aan een voltooide mensensmokkel.

Ten aanzien van dezelfde verwijten, maar dan met betrekking tot de partners van [naam] , [naam] en [naam] is vrijspraak gevorderd, naar de rechtbank begrijpt ook in zoverre van de subsidiair ten laste gelegde valsheid in geschrift.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging

3.3.1

De omkoping (feit 1)

Inleiding

[medeverdachte 2] was met ingang van 1 juli 2007 tot 1 januari 2013 in dienst van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) in de functie van back-/front office medewerker.6

CIZ was (voor zover in deze zaak relevant) een stichting voor indicatiestelling in de zorg, verantwoordelijk voor het afgeven van indicatiebesluiten voor personen die in aanmerking willen komen voor een Persoons Gebonden Budget (PGB). CIZ legde verantwoording af aan het ministerie van VWS.7

Niet in geschil is dat [medeverdachte 2] gedurende haar dienstverband bij CIZ werzkaamheden voor [bedrijf] heeft verricht.

De verdachte wordt verweten feitelijk leiding te hebben gegeven aan omkoping door [bedrijf] van [medeverdachte 2] : in ruil voor giften van in totaal € 21.015,41 zou zij zijn bewogen om indicatieaanvragen van [bedrijf] met voorrang af te handelen, zorgklassen op te hogen en de termijn van indicatiestelling van cliënten naar 15 jaar te verlengen.

Verklaringen [medeverdachte 2] over [bedrijf]

[medeverdachte 2] heeft in haar eerste verhoor bij de Inspectie SZW op 25 augustus 2015 verklaard dat zij in 2013 bij [bedrijf] was begonnen met werken. Nadat haar vervolgens door de verhoorders werd gevraagd of het klopt dat zij als eerder hij [bedrijf] werkzaam was, heeft zij verklaard dat zij verdachte al in 2011 adviezen had gegeven.8

In haar tweede verhoor op 26 augustus 2015 heeft [medeverdachte 2] verklaard dat zij zeker weet dat zij in 2011 voor het eerst bij [bedrijf] binnen was gelopen. 9

Nadat [medeverdachte 2] in haar derde verhoor op 27 augustus 2015 werd geconfronteerd met gegevens die erop wijzen dat zij al in 2010 door [medeverdachte 1] (destijds vennoot van de vo.f.) is betaald, heeft zij verklaard dat zij al in 2010 advies gaf aan verdachte. [medeverdachte 2] wilde het verder bij die verklaring houden.10

Contract met [bedrijf] in 2011

In het dossier zit een arbeidsovereenkomst tussen [bedrijf] , vertegenwoordigd door verdachte, en [medeverdachte 2] d.d. 1 maart 2011. Volgens deze overeenkomst wordt [medeverdachte 2] met ingang van 1 maart 2011 bij [bedrijf] aangesteld als oproepkracht in de functie van Verzorgende voor een brutosalaris van €18,-- p/u.11

Nevenactiviteiten gemeld?

Uit het dossier blijkt niet dat [medeverdachte 2] haar werkzaamheden voor [bedrijf] bij CIZ heeft gemeld. Haar leidinggevenden hebben verklaard zich hiervan niets te kunnen herinneren.12

In het personeelsdossier van [medeverdachte 2] is niets terug te vinden over een melding door [medeverdachte 2] van nevenwerkzaamheden en [getuige 1] , onderzoeker fraudebestrijding bij CIZ heeft verklaard dat zij geen reden kan bedenken waarom de werkzaamheden van [medeverdachte 2] bij [bedrijf] goedgekeurd zouden zijn13

Betrokkenheid [medeverdachte 2] bij indicatieaanvragen [bedrijf]

Indicatieaanvragen (waarvan er veel en soms wel honderd per dag binnenkwamen) dienen door de back office medewerker op volgorde van binnenkomst te worden behandeld.14

Echter, uit intern onderzoek van CIZ over de periode 2010 tot 2013 is gebleken dat [medeverdachte 2] in deze periode bijzonder vaak werkzaamheden heeft verricht met betrekking tot aanvragen ingediend door (cliënten van) [bedrijf] .15

Uit onderzoek door de Inspectie SZW is voorts het volgende gebleken:16

  • -

    door [bedrijf] zijn via de zogenoemde Aanmeld Functionaliteit 142 indicatieaanvragen ingediend in de periode dat [medeverdachte 2] werkzaam was voor CIZ;

  • -

    door [medeverdachte 2] is aan 76 van deze aanvragen gewerkt, terwijl bij de overige indicatieaanvragen twintig verschillende CIZ-medewerkers betrokken waren;

  • -

    van de 128 AF-aanvragen werd 47 keer vlak na het indienen van daarvan door [medeverdachte 2] ingelogd, en aan deze aanvragen gewerkt;

  • -

    de eerste 21 van de 128 AF-aanvragen werden een dag na indiening daarvan afgehandeld door [medeverdachte 2] , terwijl zij op die dag stond ingeroosterd op een receptiedienst;

  • -

    Door [medeverdachte 2] werden 64 aanvragen zelfstandig afgehandeld: bij 56 cliënten is de indicatie met één of meerdere klassen verhoogd; bij 33 van deze cliënten is de termijn van het indicatiebesluit verhoogd naar de maximale termijn van 15 jaar.

Ten aanzien van de tijdstippen waarop de 128 indicatieaanvragen zijn ingediend en het tijdstip waarop er voor het eerst door een medewerker van CIZ aan is gewerkt, is het volgende gebleken:17

  • -

    47 van de 128 keer nadat door [bedrijf] een aanvraag is ingediend, wordt er vlak hierna (binnen een minuut tot één uur) voor het eerst door [medeverdachte 2] aan gewerkt. Op de dagen dat er meerdere indicatieaanvragen worden ingediend is te zien dat er eerst vanuit [bedrijf] verschillende aanvragen achter elkaar worden ingediend en dat deze vervolgens achter elkaar in behandeling worden genomen door [medeverdachte 2] ;

  • -

    Van de 47 keer dat door [medeverdachte 2] aan aanvragen is gewerkt, is 35 keer in de avonduren ingelogd in het CIZ-systeem. Bij de overige 12 keer wordt de aanvraag overdag in behandeling genomen op een parttime-dag, thuiswerkdag of (anderszins) vrije dag van [medeverdachte 2] ; één aanvraag is op de laatste werkdag van [medeverdachte 2] verwerkt.

Betalingen per bank aan [medeverdachte 2]

Uit onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 1] , destijds vennoot van de v.o.f.,18 vanaf zijn privérekening in juli, augustus en november 2010 respectievelijk bedragen van € 900,--, € 800,-- en € 200,-- aan [medeverdachte 2] heeft overgemaakt (de laatste betaling is gedaan op de bankrekening van haar zoon, waarvan [medeverdachte 2] in de bewuste periode gebruik maakte).19

In februari en april 2011 heeft [medeverdachte 1] van zijn privérekening bedragen van respectievelijk

€ 1.400,-- en € 1.300,-- aan [medeverdachte 2] overgemaakt. In de periode vanaf 30 juni 2011 tot en met 29 december 2011 zijn vanaf de zakelijke rekening van [bedrijf] op verschillende momenten bedragen van in totaal € 6.206,51 aan [medeverdachte 2] overgemaakt. In de periode vanaf 2 maart 2012 tot en met 23 november 2012 zijn aan [medeverdachte 2] bedragen van in totaal € 3.300,-- overgemaakt. Het betreft vier betalingen vanaf de zakelijke rekening van [bedrijf] en één betaling vanaf de privérekening van [medeverdachte 1] .20

Ten aanzien van de betalingen aan [medeverdachte 2] is uit nader onderzoek gebleken dat deze niet stroken met de administratie van [bedrijf] .: de aangiften loonheffing, loonstroken, betalingen per bank komen onderling niet overeen. Zij komen niet overeen op totaalniveau, niet op jaarniveau en veelal ook niet op individueel maandniveau.21

Ook strookt de aangetroffen administratie niet met de verklaringen die [medeverdachte 2] heeft afgelegd. In dit verband is onder meer gebleken dat [medeverdachte 2] door [bedrijf] in de periode juli 2011 tot en met augustus 2012 (m.u.v. september 2011) voor 72 uren per maand is verloond terwijl uit de verklaring van [medeverdachte 2] moet worden opgemaakt dat zij maximaal 30 uren per maand voor [bedrijf] beschikbaar was.22

Conclusie

Op grond van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat medeverdachte [medeverdachte 2] in de ten laste gelegde periode aanvragen van (cliënten van) [bedrijf] met voorrang in behandeling heeft genomen, en dat zij zorgklassen heeft opgehoogd en de termijn van indicatiestelling naar 15 jaar heeft verlengd.

De ‘voorkeursbehandeling’ die [medeverdachte 2] (cliënten van) [bedrijf] heeft gegeven door ten behoeve van [bedrijf] indicatieaanvragen op de hiervoor omschreven wijze met voorrang in behandeling te nemen, is in strijd met haar plicht als ambtenaar bij CIZ (de functie medewerker back-/frontoffice). Aanvragen dienden immers op volgorde van binnenkomst te worden verwerkt en uit het hierboven weergegeven onderzoek blijkt genoegzaam dat [medeverdachte 2] zich hieraan niet heeft gehouden.

Voorts stelt de rechtbank op grond van de gebezigde bewijsmiddelen de volgende omstandigheden vast:

  • -

    [medeverdachte 2] heeft wisselend verklaard over de aanvang van haar werkzaamheden voor [bedrijf] en haar eerste contacten met verdachte;

  • -

    uit niets blijkt dat [medeverdachte 2] haar werkzaamheden voor [bedrijf] heeft gemeld aan CIZ, terwijl zij kennelijk wist dat dit moest;

  • -

    aan [medeverdachte 2] zijn al in 2010 en begin 2011 (forse) bedragen betaald terwijl zij naar eigen zeggen pas in 2011 met haar werkzaamheden voor [bedrijf] was begonnen en terwijl haar contract bij [bedrijf] pas met ingang van 1 maart 2011 gold;

  • -

    het betreft bovendien betalingen die vanaf de privé-rekening van [medeverdachte 1] zijn gedaan, en die niet in de boekhouding of in de gegevens van de belastingdienst voorkomen, zodat de conclusie gerechtvaardigd is dat kennelijk is getracht deze betalingen buiten de boekhouding te houden;

  • -

    de functie in het oproepcontract d.d. 1 maart 2011 (‘verzorgende’) strookt niet met de (voornamelijk advies)werkzaamheden die [medeverdachte 2] naar eigen zeggen voor [bedrijf] zou hebben verricht;

  • -

    (ook) de betalingen van [bedrijf] aan [medeverdachte 2] stroken niet met de administratie van het bedrijf;

  • -

    [medeverdachte 2] heeft volgens de administratie van [bedrijf] veel meer uren gewerkt dan volgens haar eigen verklaring mogelijk was.

Op grond van deze feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 2] voor [bedrijf] naast haar ‘reguliere’ werkzaamheden ook niet-reguliere betaalde werkzaamheden heeft verricht. Blijkens het voorgaande hebben deze niet-reguliere werkzaamheden in ieder geval bestaan uit het met voorrang behandelen van indicatieaanvragen, het ophogen van zorgklassen en het verlengen van de indicatietermijn met betrekking tot cliënten van [bedrijf] .

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de geldbedragen die [medeverdachte 2] op haar bankrekening en die van haar zoon heeft ontvangen in ieder geval gedeeltelijk betrekking moeten hebben gehad op haar handelingen met betrekking tot de indicatieaanvragen ten behoeve van [bedrijf] . Naar het oordeel van de rechtbank is echter niet vast komen te staan dat [medeverdachte 2] contante geldbedragen heeft ontvangen, nu dit enkel volgt uit de administratie van [bedrijf] , die ondeugdelijk is gebleken.

Het voorgaande betekekent dat naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de vennootschappen [bedrijf] zich schuldig hebben gemaakt aan omkoping van [medeverdachte 2] , zoals ten laste gelegd.

3.3.2

Witwassen en valsheid in geschrift (feiten 2 en 3)

De cliënten van [bedrijf] , die een PGB toegekend hebben gekregen, kregen het gestort op een ING-rekening op hun naam. Blijkens het door zorgkantoor DSW opgemaakte Onderzoeksrapport [bedrijf]23 werd het PGB dat op de rekening van budgethouders werd gestort binnen enkele dagen volledig overgeboekt naar de rekening van [bedrijf] . Bij een doorzoeking in de woning van de moeder van verdachte zijn 35 bankpasjes aangetroffen, alle op naam van cliënten van [bedrijf] . Meerdere getuigen, waaronder [getuige 2]24, [getuige 3]25 en [getuige 4]26 hebben verklaard, dat de bankpas van de speciaal voor het PGB geopende rekening aan verdachte is of moest worden afgegeven.

Uit onderzoek van de ISZW27 is gebleken, dat op bankrekeningen van [bedrijf] , verdachte en [medeverdachte 1] in de periode van 2010 tot 2015 in totaal € 3.985.894,58 van PGB-houders is ontvangen. In dezelfde periode is van deze rekeningen een bedrag van € 2.170.418,97 contant opgenomen.28 In de administratie van [bedrijf] zijn facturen opgenomen van de [naam stichting] voor verrichte werkzaamheden en van [vereniging] in verband met sponsoring door [bedrijf] . Op deze facturen staat vermeld dat deze contant zijn betaald. Aldus wordt in het grootboek van [bedrijf] een bedrag van € 1.271.305 aan contante betalingen verantwoord, te weten € 1.181.305,-- aan de [naam stichting] en een bedrag van € 90.000,-- aan de [vereniging] .29

Op de facturen van [naam stichting] staat vermeld ‘activiteiten in groepsverband’. [medeverdachte 3] , bestuurder van zowel [naam stichting] als van [vereniging] heeft verklaard, dat hij de enige was die facturen maakte30 en dat hij de handtekening die stond op de in de administratie van [bedrijf] aangetroffen facturen als de zijne herkent. Hij heeft ook verklaard, dat hij de facturen maakte aan de hand van door verdachte verstrekte gegevens. Zij liet hem dan Excel-lijsten zien. Wat de aldus in rekening gebrachte activiteiten inhielden, weet hij niet. Hij heeft verklaard alleen de ruimte aan de [adres] in Schiedam en de kantine van de voetbalvereniging ter beschikking te hebben gesteld.31 Op de facturen van [naam stichting] staat niet vermeld om welke cliënten het zou gaan.

In de debiteurenadministratie van [bedrijf] is een aantal cliënten gevonden aan wie groepsactiviteiten zijn doorbelast en ook in de richting van de zorgkantoren zijn dergelijke activiteiten verantwoord middels een ‘verantwoordingsformulier PGB’.32 Door zorgverzekeraar DSW zijn 21 dossiers van budgethouders overgelegd, waaruit blijkt dat door [bedrijf] voor vier budgethouders verantwoordingsformulieren zijn ingediend. Zorgverzekeraar Achmea leverde 51 dossiers uit en daaruit bleek dat [bedrijf] voor negen budgethouders groepsbegeleiding heeft verantwoord.33 Onderzoek bij deze budgethouders heeft echter geen enkele bevestiging opgeleverd van door [bedrijf] verzorgde groepsbegeleiding. Verschillende getuigen, [getuige 5]34, [getuige 2]35, [getuige 3]36 en [getuige 4]37 hebben verklaard dat zij dan wel hun echtgenoot of ouder nooit zorg in de vorm van groepsbegeleiding hebben ontvangen. De naam [naam stichting] kennen ze niet.

Ook werknemers van [bedrijf] weten niets van zorg in de vorm van groepsbegeleiding. Getuige (en medeverdachte) [medeverdachte 2] heeft verklaard dat geen zorgverlening in groepsverband werd geboden.38 Getuige [getuige 6] , een medewerkster bij [bedrijf] die adviseerde over de meest passende vorm van de te bieden zorg, heeft verklaard de [naam stichting] en [medeverdachte 3] niet te kennen.39 Ook getuige [getuige 7] heeft verklaard dat er geen groepsbegeleiding werd georganiseerd vanuit [bedrijf] .40 [getuige 8] heeft verklaard er wel van te hebben gehoord maar er niet bij betrokken te zijn geweest.

Tijdens een doorzoeking in de woning van de moeder van verdachte zijn administratieve bescheiden in beslag genomen, waaronder notulen van een werkoverleg op 22 november 2012, waarin staat vermeld dat [bedrijf] alleen persoonlijke en huishoudelijke verzorging levert en dat verpleging weinig voorkomt.41 Groepsbegeleiding wordt niet genoemd en ook in andere notulen van werkoverleg over de jaren 2012 en 2013 wordt niet over groepsbegeleiding gesproken.42

De door [medeverdachte 3] genoemde Excel-lijsten zijn niet aangetroffen in de administratie van [bedrijf] . De facturen van [naam stichting] aan [bedrijf] zijn niet teruggevonden in de administratie van [naam stichting] . [medeverdachte 3] heeft verklaard, dat er bij [naam stichting] geen kasboek werd bijgehouden waarin ontvangst van de betalingen werd verantwoord.43

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de in de administratie van [bedrijf] aangetroffen facturen vals waren en dienden tot het afdekken van contante opnames en het onderbouwen van de valse facturen aan budgethouders en verantwoording aan de zorgkantoren inzake groepsbegeleiding. Aldus hebben [bedrijf] en [bedrijf] geld ter beschikking gekregen dat afkomstig was van misdrijf. Het per pinpas opnemen van het genoemde bedrag van in ieder geval € 1.271.305 moet als een omzettingshandeling en derhalve als witwassen worden beschouwd.

Deze strafbare handelingen hebben plaatsgevonden in de jaren 2011, 2012, 213, 2014 en kunnen dus (achtereenvolgens) worden toegerekend aan [bedrijf] , zowel de v.o.f als de B.V..

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, de verklaring van [medeverdachte 3] over de in feit 3 genoemde facturen, moet ook deze als vals worden aangemerkt en is ook het in dat feit tenlastgelegde gebruik maken van valse geschriften wettig en overtuigend bewezen.

3.3.3

Mensensmokkel, dan wel valsheid in geschrift (feit 4 primair en subsidiair)

Met betrekking tot de partners van [naam] , [naam] en [naam]

De rechtbank is – met de officieren van justitie – van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om te kunnen vaststellen dat ten aanzien van deze personen sprake is geweest van mensensmokkel of van valsheid in geschrift. Verdachte zal in zoverre dan ook worden vrijgesproken.

Met betrekking tot (de partner van) [naam]

In het dossier zit ook een arbeidsovereenkomst met [naam] , getekend door [medeverdachte 1] .44 Volgens deze overeenkomst voor bepaalde tijd (15 maanden) is de ingangsdatum 1 januari 2014 en bedraagt het salaris voor [naam] € 1.560,-. Het dossier bevat nog een tweede arbeidsovereenkomst tussen [bedrijf] . en [naam] , met dezelfde looptijd en eveneens met de ingangsdatum 1 januari 2014, maar deze overeenkomst is ondertekend door [verdachte] en het salaris bedraagt volgens deze overeenkomst € 1.610,-.45 Op 28 februari 2014 heeft verdachte namens [bedrijf] een werkgeversverklaring opgesteld,46 die is meegestuurd met de aanvraag machtiging voorlopig verblijf (MVV) bij de IND.47 Deze aanvraag is uiteindelijk niet behandeld, omdat de leges die daarvoor waren verschuldigd, niet zijn betaald.48 De toenmalige partner van [naam] is ook niet naar Nederland gekomen. In het dossier zitten verder twee loonstroken over de maanden januari en februari 2014 waaruit volgt dat [naam] in die maanden heeft gewerkt tegen een nettosalaris van € 1.313,17.49 Ten slotte bevat het dossier een ondertekende brief d.d. 15 mei 2014 waarin uit naam van [medeverdachte 2] (namens [bedrijf] ) de arbeidsovereenkomst met [naam] is beëindigd.50

[naam] heeft verklaard dat de arbeidsovereenkomst is opgemaakt om haar man hierheen te halen, dat zij nooit echt heeft gewerkt en dat zij het loon dat werd gestort iedere maand moest terugbetalen. Zij ging daarvoor met haar vader naar het kantoor van [bedrijf] , waar het gepinde geld dan door ‘ [verdachte] en [medeverdachte 1] ’ in ontvangst werd genomen. [naam] zag zowel verdachte als haar man allebei als baas.51

De verklaring van [naam] wordt ondersteund door de bankgegevens.52 Zo heeft zij op 6 februari 2014 € 1.276,74 aan salaris ontvangen, en is er vervolgens op 10, 13, 24 en 26 februari 2014 respectievelijk € 300, € 500, € 250 en € 200 (totaal dus € 1.250,-) opgenomen.

Op grond van het voorgaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat [naam] in strijd met de werkelijkheid een dienstverband heeft gekregen dat voldeed aan de inkomens- en duurzaamheidseis van IND, om te kunnen voldoen aan de voorwaarden om haar toenmalige partner naar Nederland te laten komen.

Met betrekking tot (de partner van) [naam]

In de administratie van de IND is een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen [naam] en “[bedrijf]” aangetroffen.53 Deze overeenkomst is gedateerd op 1 september 2010 en ondertekend door [naam] en verdachte. Verdachte tekende ook een werkgeversverklaring54 die aan de IND werd toegestuurd in verband met de aanvraag MVV55 die door [naam] op dezelfde dag (14 januari 2011) werd gedaan. Verder zijn in de administratie van de IND salarisspecificaties aangetroffen over september 201056 en over de periodes 10, 11 en 12 van 2010 en periode 1 van 2011.57 Hierbij zitten twee salarisspecificaties over december 2010, waarbij op allebei de specificaties een ander adres (huisnummer) van [naam] is vermeld.58 Ook zijn er twee, voor wat betreft de lay-out van elkaar afwijkende, specificaties over januari 2011,59 waarbij het netto salaris respectievelijk € 1.576,78 en € 2.205,84 bedroeg. Het dossier bevat twee jaaropgaven op naam van [naam] over 2010, die afwijken op onder andere de hoogte van het genoten salaris en het adres van [naam] .60 De aanvraag MVV is ingewilligd met ingang van 12 mei 2012.61

[naam] heeft verklaard dat zij haar man naar Nederland wilde halen, dat verdachte zei haar te zullen helpen, maar dat zij ( [naam] ) dan af en toe voor haar moest werken als ze haar nodig had. [naam] heeft verder verklaard dat verdachte tegen haar zei dat ze per 1000 moest pinnen omdat dat minder opviel. Ze heeft de bedragen opgenomen en weer terugbetaald aan verdachte en ze heeft geen geld betaald voor haar dienstverband, maar ze heeft in natura terugbetaald door te werken. Ze is door verdachte ontslagen.62 Ook bij haar verhoor bij de rechter-commissaris op 25 augustus 2017 verklaart [naam] dat ze haar salaris en paar euro hoger hebben gemaakt, zodat haar man naar Nederland kon komen en dat ze daarbij aanboden te helpen. Het salaris kwam, aldus [naam] , neer op wat nodig was om hem hierheen te halen.63

Deze verklaring van [naam] wordt ondersteund door de bankgegevens van haar bankrekening.64 Zo is op 5 november 2010 een bedrag van € 3.140,- gestort (loon oktober) en is vervolgens op 8, 10 en 18 november 2010 steeds € 1.000,- (dus in totaal € 3.000,-) opgenomen. Op 3 december 2010 is € 1.570,- aan salaris gestort en op 6 en 28 december is respectievelijk € 1.000,- en € 570,- opgenomen. Op 7 januari 2011 is € 1.570,- gestort en op 10 januari 2011 is eerst € 1.000,- en vervolgens € 570,- opgenomen. Op 1 februari 2011 ten slotte is € 1.576,78 aan salaris gestort, waarna op 7 februari 2011 eerst € 580,- en vervolgens nog eens € 1.000,- is opgenomen.

Op grond van het voorgaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat [naam] in strijd met de werkelijkheid een dienstverband heeft gekregen dat voldeed aan de inkomens- en duurzaamheidseis van IND, om te kunnen voldoen aan de voorwaarden om haar toenmalige partner naar Nederland te laten komen.

Met betrekking tot (de partner van) [naam]

In de administratie van de IND is een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangetroffen tussen [bedrijf] en [naam] d.d. 2 januari 2012, ondertekend door verdachte.65 Het brutosalaris is in deze overeenkomst vastgesteld op € 1.450,-. Op 6 februari 2012 is door [naam] een aanvraag MVV66 ingediend bij de IND, vergezeld van (kennelijk) voornoemde arbeidsovereenkomst, een (ongedateerde) door verdachte ondertekende werkgeversverklaring67 en een salarisoverzicht over januari 2012.68

Op 23 april 2012 volgde een negatief advies op de MVV-aanvraag, onder meer omdat niet was voldaan aan het normbedrag.69

Op 2 mei 2012 is een tweede aanvraag MVV gedaan70, vergezeld van een nieuwe arbeidsovereenkomst (ingangsdatum 2 januari 2012) waarin het brutosalaris is vastgesteld op € 1.600,-71 en een nieuwe, ook door verdachte ondertekende, werkgeversverklaring72. In deze werkgeversverklaring is als datum indiensttreding 1 april 2012 vermeld, hetgeen – nu deze afwijkt van de informatie uit de arbeidsovereenkomst – voor de IND (een van de redenen) was om de aanvraag (bij brief van 11 januari 2013) opnieuw af te wijzen.73

Op 7 februari 2013 is een derde aanvraag MVV ingediend74, met als bijlage wederom een (ook nu weer door verdachte ondertekende) werkgeversverklaring met daarin een datum van indiensttreding die nu wel weer overeenkomt met de arbeidsovereenkomst.75 In de administratie van de IND zijn verder verschillende door [bedrijf] verstrekte salarisspecificaties en een jaaropgave over 2012 aangetroffen.76

Aan de partner van [naam] is een vergunning tot verblijf verleend met ingang van 22 mei 2013.77

Bij brief van 30 mei 2013 bevestigt verdachte vervolgens het ontslag aan [naam] per 30 juni 2013.78

[naam] heeft verklaard dat zij haar echtgenoot over wilde laten komen en dat zij daarvoor een contract, salarisstroken en een werkgeversverklaring nodig had. Zij heeft verder verklaard dat er een tweede contract is opgesteld met een hoger salaris, nadat het oorspronkelijke salaris niet hoog genoeg bleek.

Uit de bankgegevens van [naam]79 - die haar verklaring ondersteunen – blijkt dat in 2012 steeds vrij snel na storting van het salaris een vrijwel even groot bedrag wordt (terug)gestort naar de bankrekening van [medeverdachte 1] of de gezamenlijke bankrekening van [medeverdachte 1] en [verdachte] . Verder is in 2013 steeds na storting van het salaris een vrijwel even groot bedrag contant opgenomen. In de periode van 17 november 201180 tot en met 25 juli 2013 is op de rekening van [naam] in totaal € 22.392,94 van [bedrijf] aan salaris ontvangen. In diezelfde periode is in totaal € 22.435,- aan [medeverdachte 1] of [medeverdachte 1] en/of [verdachte] overgeboekt dan wel contant opgenomen.

In het dossier zitten werkbriefjes met als naam van de zorgverlener [naam] en verschillende budgethouders waarvoor zorg zou zijn verleend.81 [naam] heeft hierover verklaard dat zij deze budgethouders niet kent en dat zij deze briefjes niet heeft ingevuld.82 In de werkagenda’s van [bedrijf] over 2012 en 2013 komt de naam van [naam] niet voor.83

Op grond van het voorgaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat [naam] in strijd met de werkelijkheid een dienstverband heeft gekregen dat voldeed aan de inkomens- en duurzaamheidseis van IND, om te kunnen voldoen aan de voorwaarden om haar toenmalige partner naar Nederland te laten komen. Hoewel [naam] hierover zelf niet heeft verklaard, gaat de rechtbank er ook hier – gelet op de bankgegevens – van uit dat zij het door [bedrijf] gestorte salaris dan wel door middel van overboekingen dan wel contant heeft terugbetaald aan verdachte en [medeverdachte 1] .

Met betrekking tot de wederrechtelijke toegang

Niet is gebleken dat een van de partners van voormelde referenten op grond van Nederlanderschap of als burger van een lidstaat van de Europese Unie recht had op toegang tot Nederland. Verder staat vast dat elk van de bedoelde partners afkomstig was uit een land (Turkije), waarvoor een visumplicht bestaat, terwijl niet aannemelijk is geworden dat zij daarvan waren vrijgesteld.

Op grond van artikel 3 van de Vreemdelingenwet 2000 wordt – kort gezegd – de toegang tot Nederland geweigerd als een vreemdeling in het bezit is van een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum ontbreekt. Een MVV vormt – samengevat – een visum voor verblijf langer dan drie maanden, waarmee de vreemdeling toegang heeft tot Nederland en een beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning kan afwachten.

In alle drie de voorgaande gevallen zijn de vervalste documenten afgegeven om een MVV te krijgen ofwel om de partners naar Nederland te kunnen krijgen. Als de in Nederland wonende referenten niet genoeg inkomen hadden om aan de IND-eis te voldoen en de aanvraag werd afgewezen, werd vervolgens het salaris opgehoogd, zodanig dat wél aan die inkomenseis werd voldaan.

Toerekening aan de B.V. en de vof:

Voor de beoordeling is verder van belang of de feiten die het betreft aan [bedrijf] of [bedrijf] zijn toe te rekenen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval. De verweten handelingen (het aangaan van arbeidsovereenkomsten, het verstrekken van salarisspecificaties, jaaropgaven en werkgeversverklaringen) zijn immers onlosmakelijk verbonden met de hoofdactiviteit van zowel de B.V. als de vof, te weten het verlenen van zorg.

3.3.4

Feitelijk leiding geven

De rechtbank staat vervolgens voor de vraag of [verdachte] en [medeverdachte 1] aan deze strafbare handelingen van [bedrijf] leiding hebben gegeven. [verdachte] is als vennoot van de v.o.f. en als enig directeur en enig aandeelhouder van de B.V. steeds bevoegd bestuurder geweest. Gelet op de verklaringen van medewerkers en cliënten staat voor de rechtbank vast dat zij de feitelijk leidinggevende van [bedrijf] en daarmee aan de hiervoor genoemde handelingen van het bedrijf

3.3.5

De slotsom

Al hetgeen hiervoor onder 3.3.1 tot en met 3.3.4 is overwogen, leidt tot het oordeel dat de verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven aan de door [bedrijf] , de v.o.f. en/of de B.V. gepleegde omkoping van en ambtenaar, de valsheid in geschrift en het witwassen en de (poging tot) wederrechtelijke toegang verkrijgen tot Nederland van de echtgenoten [naam] , [naam] en [naam] .

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat:

1.

[bedrijf] en/of [bedrijf] ,

op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 juli 2010 tot en

met 23 november 2012, in de gemeente(n) Rotterdam en/of Schiedam en/of elders

in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

[medeverdachte 2] , in haar functie als ambtenaar, te weten als medewerker backoffice

en/of frontoffice van Centrum Indicatiestelling Zorg (verder CIZ),

één of meer gift(en), te weten -zakelijk weergegeven-:

een totaal van euro 21.015, althans een of meerdere geldbedragen, in ieder

geval (telkens) enig geldbedrag,

althans enige gift heeft gedaan en/of heeft aangeboden,

zulks (telkens) met het oogmerk om die [medeverdachte 2] te bewegen in haar

bediening, al dan niet in strijd met haar plicht, iets te doen en/of na te

laten,

en/of

ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door [medeverdachte 2] , al dan niet in

strijd met haar plicht, in haar huidige of vroegere bediening is gedaan en/of

nagelaten,

te weten (telkens) -zakelijk weergegeven -:

indicatieaanvra(a)g(en) afkomstig van [bedrijf] en/of [bedrijf]

(met voorrang) afhandelen en/of heeft afgehandeld en/of

(op) voornoemde indicatieaanvra(a)g(en) (een) indicatie(s) met een of meerdere

klasse(n) ophogen en/of heeft opgehoogd en/of de termijn naar 15 jaren

verlengen en/of heeft verlengd,

aan welke bovenomschreven feit(en) zij, verdachte, opdracht heeft gegeven

en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, feitelijk leiding heeft

gegeven;

2.

[bedrijf] en/of [bedrijf]

op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 27 april

2010 tot en met 31 december 2014, te Schiedam en/of Rotterdam en/of

Vlaardingen, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) (rechts)personen, althans alleen,

(telkens) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt

immers heeft [bedrijf] en/of [bedrijf] en/of haar

mededader(s),

(telkens)

a)

van (een) voorwerp(en), te weten één of meer (grote) geldbedrag(en) van in

totaal 1.271.305 euro, althans enig(e) geldbedrag(en),

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding

en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel heeft

verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende op voornoemd(e)

voorwerp(en) is,

immers heeft [bedrijf] en/of [bedrijf] en/of haar mededaders

in de administratie valse facturen opgenomen en/of doen opnemen waarin in

strijd met de werkelijkheid vermeld staat dat [naam stichting] en/of [vereniging]

werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf] . en/of [bedrijf] terwijl in werkelijkheid

geen werkzaamheden zijn verricht door [naam stichting] en/of [vereniging]

en/of

dat contante betalingen zijn verricht aan [naam stichting] en/of [vereniging]

terwijl in werkelijkheid geen contante betalingen zijn ontvangen door

[naam stichting] en/of [vereniging]

en/of

b)

(een) voorwerp(en), te weten één of meer (grote) geldbedrag(en) van in totaal

1.271.305 euro, althans enig(e) geldbedrag(en),

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of heeft omgezet en/of

gebruik gemaakt,

terwijl [bedrijf] . en/of [bedrijf] en/of haar mededader(s)

wist(en), dat bovenomschreven geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk -

afkomstig was/waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven,

aan welke bovenomschreven feit(en) zij, verdachte, opdracht heeft gegeven

en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, feitelijk leiding heeft

gegeven;

3.

[bedrijf] en/of [bedrijf] ,

op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 maart

2010 tot en met 31 december 2014, te Schiedam en/of Rotterdam en/of

Vlaardingen, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) (rechts)personen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk gebruik heeft/hebben doen maken/gemaakt van en/of

heeft/hebben doen afleveren/afgeleverd en/of voorhanden heeft/hebben doen

hebben/gehad een of meer vals(e) en/of vervalst(e) geschrift(en), te weten

(een):

a)factuur d.d. 30 juni 2010 van [naam stichting] aan [bedrijf] (D-032-02) en/of

b)factuur d.d. 28 februari 2011 van [naam stichting] aan [bedrijf] (D-032-05)

en/of

c)factuur d.d. 31 maart 2011 van [naam stichting] aan [bedrijf] (D-032-07)

en/of

d)factuur d.d. 30 januari 2012 van [naam stichting] aan [bedrijf] (D-032-20)

en/of

e)factuur d.d. 30 april 2012 van [naam stichting] aan [bedrijf] (D-032-24) en/of

f)factuur d.d. 27 februari 2013 van [naam stichting] aan [bedrijf] (D-032-37)

en/of

g)factuur d.d. 30 januari 2014 van [naam stichting] aan [bedrijf] (D-032-49),

zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs

van enig feit te dienen

bestaande dat (doen) gebruikmaken en/of dat (doen) afleveren en/of dat (doen)

voorhanden hebben hierin dat deze factu(u)r(en) in de administratie aanwezig

was/waren en/of in de administratie is/zijn opgenomen/verwerkt,

en bestaande de valsheid of vervalsing hierin dat (telkens) de voorgenoemde

factu(u)r(en) niet is/zijn opgemaakt door [naam stichting] en/of dat

[naam stichting] geen werkzaamheden te weten activiteiten in groepsverband

heeft verricht voor [bedrijf] en/of [bedrijf] ,

en/of dat er geen contante betaling(en)

is/zijn ontvangen door [naam stichting] en/of [vereniging] ,

terwijl de factu(u)r(en) dit wel als zodanig doe(t/n) voorkomen,

zulks terwijl [bedrijf] en/of [bedrijf] en/of haar

mededader(s) wist(en) en/of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het/de

geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware(n) het/deze echt en

onvervalst,

aan welke bovenomschreven feit(en) zij, verdachte, opdracht heeft gegeven

en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, feitelijk leiding heeft

gegeven;

4.

[bedrijf] en/of [bedrijf],

op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1

september 2010 tot en met 28 februari 2014,

in de gemeente(n) Schiedam en/of Rotterdam en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(een) ander(en), te weten [naam] en/of [naam] en/of [naam] en/of [naam]

en/of en/of [naam] en/of (een) ander(en),

behulpzaam is/zijn geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of

doorreis naar Nederland en/of (een) andere lidsta(a)t(en) van de Europese Unie,

of hem/hun/haar daartoe gelegenheid, en middelen of inlichting heeft/hebben

verschaft,

immers heeft/hebben [bedrijf] en/of [bedrijf] ,

en/of haar mededader(s) de partner(s) van

voornoemd(e) perso(o)n(en), te weten [naam] en/of [naam] en/of [naam]

en/of [naam] en/of en/of [naam] voorzien van (een)

valse/vervalste arbeidsovereenkomst(en) en/of (een) valse/vervalste

salarisstro(o)k(en) en/of valse/vervalste werkgeversverklaring(en) en/of (een)

vals(e) en/of vervalst(e) jaaropgave(n) ten behoeve van een aanvraag bij de

Immigratie- en Naturalisatiedienst voor afgifte van (een) Machtiging(en) tot

Voorlopig Verblijf,

terwijl [bedrijf] en/of [bedrijf] ,

en/of haar mededaders wist(en) en/of ernstige redenen

had(den) te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was,

aan welke bovenomschreven feit(en) zij, verdachte, opdracht heeft gegeven

en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, feitelijk leiding heeft

gegeven;

en/of

[bedrijf] en/of [bedrijf]

op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 september 2010 tot en met 28 februari 2014,

in de gemeente(n) Schiedam en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, ter

uitvoering van het door [bedrijf] voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(een) ander(en), te weten [naam] en/of [naam] en/of [naam] en/of [naam] en/of [naam] en/of [naam] en/of (een) ander(en),

behulpzaam te zijn geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis naar Nederland

en/of (een) andere lidsta(a)t(en) van de Europese Unie,

of hem/hun/haar daartoe gelegenheid, en middelen of inlichting heeft/hebben verschaft,

immers heeft/hebben [bedrijf]. en/of [bedrijf] en/of haar mededader(s) de

partner(s) van voornoemd(e) perso(o)n(en), te weten [naam] en/of [naam] en/of [naam]

en/of en/of [naam] en/of [naam] voorzien van (een) valse/vervalste

arbeidsovereenkomst(en) en/of (een) valse/vervalste salarisstro (o) k(en) en/of een valse/vervalste

werkgeversverklaring(en) en/of (een) vals(e) en/of vervalst(e) jaaropgave(n) ten behoeve van een

aanvraag bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst voor afgifte van (een) Machtiging(en) tot

Voorlopig Verblijf,

terwijl [bedrijf] en/of [bedrijf] en/of haar mededaders wist(en) en/of

ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

aan welke bovenomschreven feit(en) zij, verdachte, opdracht heeft gegeven en/of aan welke

verboden gedraging(en) hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden. Daarnaast hebben de officieren van justitie gevorderd dat verdachte voor de duur van vijf jaren wordt ontzet van het recht enig beroep in de zorgverlening, financiële verantwoording van zorg daaronder begrepen, uit te oefenen.

6.2

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een omvangrijke fraude met -gelden. Daarbij heeft zij feitelijk leiding gegeven aan het omkopen van een ambtenaar van CIZ, het veelvuldig opmaken van valse facturen en het witwassen van ruim een miljoen euro. Gelet op de omvang van de fraude afgezet tegen de daadwerkelijk verleende zorg moet worden geconcludeerd dat het zorgkantoor van verdachte waar ook haar echtgenoot ( [medeverdachte 1] ) werkzaam was, een vehikel was om zoveel mogelijk te kunnen frauderen. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan mensensmokkel.

Omkoping van een ambtenaar is een ernstig strafbaar feit. Daarmee wordt een behoorlijke uitvoering van overheidstaken belemmerd en het levert een bedreiging op voor de integriteit van het ambtenarenapparaat. Het is daarmee ondermijnend voor de rechtsstaat.

Het witwassen van gelden heeft een ontwrichtende werking op de integriteit van het financieel en economisch verkeer en op de openbare orde. Fraude met PGB-gelden leidt bovendien tot afname van het draagvlak voor deze regeling binnen de maatschappij, hetgeen er uiteindelijk voor zorgt dat mensen die zorg nodig hebben, hiervan verstoken zullen blijven. Door mensensmokkel wordt het overheidsbeleid inzake bestrijding van illegaal verblijf in en illegale toegang tot Nederland en andere landen van de Europese Unie doorkruist. De rechtbank rekent het verdachte aan dat zij met haar handelen hieraan heeft bijgedragen.

De rechtbank weegt in haar oordeel ten nadele van verdachte ook het volgende mee. Nadat er kritische vragen werden gesteld door DSW over de verantwoording van de zorguren, is verdachte samen met haar echtgenoot en twee kinderen, gevlucht naar Turkije alwaar zij een schoonheidssalon uitbaat. Verdachte heeft op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen voor haar daden en ook van het gefraudeerde geld van ruim een miljoen euro ontbreekt elk spoor.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat zij, zoals blijkt uit het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 9 mei 2017 niet eerder is veroordeeld.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat de door de officieren van justitie gevorderde gevangenisstraf van 42 maanden passend en geboden is.

Daarnaast zal de rechtbank verdachte ontzetten van het recht tot uitoefening van enig beroep in de zorgverlening, financiële verantwoording van zorg daaronder begrepen, voor de duur van vijf jaren, teneinde een herhaling van de bewezenverklaarde strafbare feiten te voorkomen.

Nu de behandeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden en de verdachte in dit vonnis wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van aanzienlijke duur, ziet de rechtbank aanleiding een bevel gevangenneming af te geven. De door de rechtbank bewezenverklaarde feiten betreffen misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Aldus is voldaan aan artikel 67 Sv. Gelet op de beslissing van de rechtbank tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten en oplegging van een gevangenisstraf, zijn ook de ernstige bezwaren, als bedoeld in artikel 67, derde lid, Sv tegen de verdachte aanwezig. De ingevolge artikel 67a Sv benodigde grond voor de voorlopige hechtenis is gelegen in de omstandigheid dat er sprake is van een ernstig gevaar voor vlucht. Immers, verdachte is kort nadat zij ervan op de hoogte raakte dat onregelmatigheden bij haar zorgonderneming waren geconstateerd naar Turkije gevlucht met haar echtgenoot en medeverdachte en twee kinderen en heeft zich vervolgens stil gehouden voor justitie.

7 De vordering van de benadeelde partij

Zorgkantoor DSW B.V. (hierna DSW) heeft zich gevoegd ter zake een vordering tot schadevergoeding, groot € 78.728,- Primair heeft zij die gebaseerd op het onder 3. ten laste gelegde feit en subsidiair op het onder 2. ten laste gelegde feit.

DSW heeft gesteld dat er sprake is van rechtstreekse schade omdat – samengevat – DSW door de valse facturen is bewogen tot het definitief toekennen van PGB-gelden. Wanneer deze valse facturen niet werden opgemaakt en de groepsactiviteiten vervolgens niet waren doorbelast aan de budgethouders en richting DSW via verantwoordingsformulieren waren verantwoord, had DSW de betreffende PGB-gelden, betrekking hebbend op het deel van de groepsactiviteiten, niet definitief toegekend. Zonder een (juiste) verantwoording worden uitgekeerde PGB-gelden teruggevorderd.

7.1

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van DSW. De officieren van justitie hebben ook gevorderd dat de rechtbank aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.

7.2

Het oordeel van de rechtbank

Anders dan DSW is de rechtbank van oordeel dat zonder nadere onderbouwing – die ook na de toelichting ter zitting ontbreekt – niet kan worden vastgesteld dat DSW door de naar achteraf is gebleken ten onrechte uitgekeerde PGB-gelden daadwerkelijk schade heeft geleden. Uit de – uitgebreide – toelichting van DSW op haar vordering volgt dat het Zorginstituut in de vorm van subsidie middelen aan DZW ter beschikking stelt ten behoeve van de uitkering van PGB-gelden aan verzekerden.84 Hiermee rijst de vraag in hoeverre een ten onrechte gedane uitkering uit die subsidiegelden ten laste komt van degene die deze subsidiegelden verstrekt, in dit geval DSW. Deze vraag is – ook ter zitting – onbeantwoord gebleven en nader onderzoek naar het antwoord op die vraag levert een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, en dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met haar verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

8 Conservatoir beslag

8.1

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben in het kader van de vordering van de benadeelde partij subsidiair gevorderd om het conservatoire beslag verbeurd te verklaren.

8.2

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat voorbij aan de vordering van de officieren van justitie tot verbeurdverklaring van het conservatoir beslag (ex artikel 94a Sv) nu zij in de strafzaak enkel bevoegd is te beslissen over klassiek beslag (ex artikel 94 Sv).

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 28, 45, 47, 51, 57, 177 (oud), 197a, 225 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

feitelijke leiding geven aan het aan een ambtenaar een gift doen met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

feitelijk leiding geven aan het van het plegen van witwassen een gewoonte maken;

ten aanzien van feit 3:

feitelijk leiding geven aan het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 4 primair:

feitelijk leiding geven aan mensensmokkel, meermalen gepleegd;

en

feitelijk leiding geven aan poging tot mensensmokkel;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 42 (TWEEENVEERTIG) MAANDEN;

beveelt de gevangenneming van de verdachte ;

bepaalt dat veroordeelde gedurende vijf jaren wordt ontzet van het recht om enig beroep in de zorgverlening, financiële verantwoording van zorg daaronder begrepen, uit te oefenen;

bepaalt dat de benadeelde partij DSW B.V. niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P. Poustochkine, voorzitter,

mr. R.G.C. Veneman, rechter,

mr. E.A. Lensink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. B. Schaafsma, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 oktober 2017.

Mr. R.G.C. Veneman is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage gewijzigde tenlastelegging

1.

[bedrijf] en/of [bedrijf] ,

op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 juli 2010 tot en

met 23 november 2012,in de gemeente(n) Rotterdam en/of Schiedam en/of elders

in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

[medeverdachte 2] , in haar functie als ambtenaar, te weten als medewerker backoffice

en/of frontoffice van Centrum Indicatiestelling Zorg (verder CIZ),

één of meer gift(en), te weten -zakelijk weergegeven-:

een totaal van euro 21.115, althans een of meerdere geldbedragen, in ieder

geval (telkens) enig geldbedrag,

althans enige gift heeft gedaan en/of heeft aangeboden,

zulks (telkens) met het oogmerk om die [medeverdachte 2] te bewegen in haar

bediening, al dan niet in strijd met haar plicht, iets te doen en/of na te

laten,

en/of

ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door [medeverdachte 2] , al dan niet in

strijd met haar plicht, in haar huidige of vroegere bediening is gedaan en/of

nagelaten,

te weten (telkens) -zakelijk weergegeven -:

indicatieaanvra(a)g(en) afkomstig van [bedrijf] en/of [bedrijf]

(met voorrang) afhandelen en/of heeft afgehandeld en/of

(op) voornoemde indicatieaanvra(a)g(en) (een) indicatie(s) met een of meerdere

klasse(n) ophogen en/of heeft opgehoogd en/of de termijn naar 15 jaren

verlengen en/of heeft verlengd,

aan welke bovenomschreven feit(en) zij, verdachte, opdracht heeft gegeven

en/of aan welke verboden gedraging(en) zij, verdachte, feitelijk leiding heeft

gegeven;

2.

[bedrijf] en/of [bedrijf] ,

op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 27 april

2010 tot en met 31 december 2014, te Schiedam en/of Rotterdam en/of

Vlaardingen, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) (rechts)personen, althans alleen,

(telkens) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt

immers heeft [bedrijf] en/of [bedrijf] en/of haar

mededader(s),

(telkens)

a)

van (een) voorwerp(en), te weten één of meer (grote) geldbedrag(en) van in

totaal 1.271.305 euro, althans enig(e) geldbedrag(en),

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding

en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel heeft

verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende op voornoemd(e)

voorwerp(en) is,

immers heeft [bedrijf] en/of [bedrijf] en/of haar mededaders

in de administratie valse facturen opgenomen en/of doen opnemen waarin in

strijd met de werkelijkheid vermeld staat dat [naam stichting] en/of [vereniging]

werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf] terwijl in werkelijkheid

geen werkzaamheden zijn verricht door [naam stichting] en/of [vereniging]

en/of

dat contante betalingen zijn verricht aan [naam stichting] en/of [vereniging]

terwijl in werkelijkheid geen contante betalingen zijn ontvangen door

[naam stichting] en/of [vereniging]

en/of

b)

(een) voorwerp(en), te weten één of meer (grote) geldbedrag(en) van in totaal

1.271.305 euro, althans enig(e) geldbedrag(en),

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of

gebruik gemaakt,

terwijl [bedrijf] en/of [bedrijf] en/of haar mededader(s)

wist(en), dat bovenomschreven geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk -

afkomstig was/waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven,

aan welk(e) bovenomschreven feit(en) zij, verdachte, opdracht heeft gegeven

en/of aan welke verboden gedraging(en) zij, verdachte, feitelijke leiding

heeft gegeven;

3.

[bedrijf] en/of [bedrijf]

op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 maart

2010 tot en met 31 december 2014, te Schiedam en/of Rotterdam en/of

Vlaardingen, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) (rechts)personen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk gebruik heeft/hebben doen maken/gemaakt van en/of

heeft/hebben doen afleveren/afgeleverd en/of voorhanden heeft/hebben doen

hebben/gehad een of meer vals(e) en/of vervalst(e) geschrift(en), te weten

(een):

a)factuur d.d. 30 juni 2010 van [naam stichting] aan [bedrijf] (D-032-02) en/of

b)factuur d.d. 28 februari 2011 van [naam stichting] aan [bedrijf] (D-032-05)

en/of

c)factuur d.d. 31 maart 2011 van [naam stichting] aan [bedrijf] (D-032-07)

en/of

d)factuur d.d. 30 januari 2012 van [naam stichting] aan [bedrijf] (D-032-20)

en/of

e)factuur d.d. 30 april 2012 van [naam stichting] aan [bedrijf] (D-032-24) en/of

f)factuur d.d. 27 februari 2013 van [naam stichting] aan [bedrijf] (D-032-37)

en/of

g)factuur d.d. 30 januari 2014 van [naam stichting] aan [bedrijf] (D-032-49),

zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs

van enig feit te dienen

bestaande dat (doen) gebruikmaken en/of dat (doen) afleveren en/of dat (doen)

voorhanden hebben hierin dat deze factu(u)r(en) in de administratie aanwezig

was/waren en/of in de administratie is/zijn opgenomen/verwerkt,

en bestaande de valsheid of vervalsing hierin dat (telkens) de voorgenoemde

factu(u)r(en) niet is/zijn opgemaakt door [naam stichting] en/of dat

[naam stichting] geen werkzaamheden te weten activiteiten in groepsverband

heeft verricht voor [bedrijf] en/of [bedrijf]

en/of dat er geen contante betaling(en)

is/zijn ontvangen door [naam stichting] en/of [vereniging] ,

terwijl de factu(u)r(en) dit wel als zodanig doe(t/n) voorkomen,

zulks terwijl [bedrijf] en/of [bedrijf] en/of haar

mededader(s) wist(en) en/of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het/de

geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware(n) het/deze echt en

onvervalst,

aan welk(e) bovenomschreven feit(en) zij, verdachte, opdracht heeft gegeven

en/of aan welke verboden gedraging(en) zij, verdachte, feitelijke leiding

heeft gegeven;

4.

[bedrijf] ,

op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1

september 2010 tot en met 28 februari 2014,

in de gemeente(n) Schiedam en/of Rotterdam en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(een) ander(en), te weten [naam] en/of [naam] /of [naam] en/of [naam]

en/of [naam] en/of [naam] en/of (een) ander(en),

behulpzaam is/zijn geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of

doorreis naar Nederland en/of (een) andere lidsta(a)t(en) van de Europese Unie,

of hem/hun/haar daartoe gelegenheid, middelen of inlichting heeft/hebben

verschaft,

immers heeft/hebben [bedrijf] en/of [bedrijf] ,

en/of haar mededader(s) de partner(s) van

voornoemd(e) perso(o)n(en), te weten [naam] en/of [naam] en/of [naam]

en/of [naam] en/of [naam] en/of [naam] voorzien van (een)

valse/vervalste arbeidsovereenkomst(en) en/of (een) valse/vervalste

salarisstro(o)k(en) en/of valse/vervalste werkgeversverklaring(en) en/of (een)

vals(e) en/of vervalst(e) jaaropgave(n) ten behoeve van een aanvraag bij de

Immigratie- en Naturalisatiedienst voor afgifte van (een) Machtiging(en) tot

Voorlopig Verblijf,

terwijl [bedrijf] en/of [bedrijf] ,

en/of haar mededaders wist(en) en/of ernstige redenen

had(den) te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was,

aan welke bovenomschreven feit(en) zij, verdachte, opdracht heeft gegeven

en/of aan welke verboden gedraging(en) zij, verdachte, feitelijk leiding heeft

gegeven;

en/of

[bedrijf] en/of [bedrijf]

op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 september 2010 tot en met

28 februari 2014,

in de gemeente(n) Schiedam en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(een) ander(en), te weten [naam] en/of [naam] en/of [naam] en/of [naam] en/of [naam]

en/of [naam] en/of (een) ander(en),

behulpzaam is/zijn geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis naar Nederland

en/of (een) andere lidsta(a)t(en) van de Europese Unie,

of hem/hun/haar daartoe gelegenheid, middelen of inlichting heeft/hebben verschaft,

immers heeft/hebben [bedrijf] en/of [bedrijf] en/of haar mededader(s) de

partner(s) van voornoemd(e) perso(o)n(en), te weten [naam] en/of [naam] en/of [naam]

en/of [naam] en/of [naam] en/of [naam] voorzien van (een) valse/vervalste

arbeidsovereenkomst(en) en/of (een) valse/vervalste salarisstro (o) k(en) en/of valse/vervalste

werkgeversverklaring(en) en/of (een) vals(e) en/of vervalst(e) jaaropgave(n) ten behoeve van een

aanvraag bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst voor afgifte van (een) Machtiging(en) tot

Voorlopig Verblijf,

terwijl [bedrijf] . en/of [bedrijf] en/of haar mededaders wist(en) en/of

ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

aan welke bovenomschreven feit(en) zij, verdachte, opdracht heeft gegeven en/of aan welke

verboden gedraging(en) zij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[bedrijf] en/of [bedrijf],

op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1

september 2010 tot en met 1 januari 2014,

in de gemeente(n) Schiedam en/of Rotterdam en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) (rechts)personen, althans alleen,

(telkens) een of meer geschrift(en), te weten:

a)een salarisspecificatie van [bedrijf] ,

m.b.t. [naam] van november 2010

(DOC-023-005), en/of

b)een arbeidsovereenkomst tussen [naam] en [bedrijf] gedateerd 02-04-2012

(DOC-019-07), en/of

c)een arbeidsovereenkomst tussen [naam] en [bedrijf] gedateerd 01-1-2014

(DOC-020-09),

zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs

van enig feit te dienen,

valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of heeft/hebben vervalst en/of

heeft/hebben doen opmaken en/of heeft/hebben doen vervalsen,

immers heeft [bedrijf] en/of [bedrijf] ,

en/of haar mededader(s) valselijk - in strijd met de

waarheid - (een) arbeidsovereenkomst(en) betreffende [naam] en/of [naam]

opgemaakt en/of een salarisspecificatie ten aanzien van [naam] opgemaakt,

terwijl in werkelijkheid niet, althans niet in die mate, door voornoemde

perso(o)n(en) werkzaamheden plaatsvonden bij [bedrijf] en/of [bedrijf],

aan welk(e) bovenomschreven feit(en) zij, verdachte, opdracht heeft gegeven

en/of aan welke verboden gedraging(en) zij, verdachte, feitelijke leiding

heeft gegeven.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 6640-2014-983, van de inspectie SZW, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 2827).

2 G-003-01, p 4-0164.

3 G-001-01, p 4 0156.

4 G-002-01, p 4 0160.

5 DOC 026-01 en DOC 026-02, p. 4 2028-2089.

6 IBN-2-001-07, p. 4 1126 en V-003-02, p. 4 0015

7 AMB-016-01, p. 4 0459 e.v.

8 V-003-01, p. 4 0007

9 V-003-02, p. 4 0018

10 V-003-03, p. 4 0031

11 DOC-031-01

12 Proces-verbaal verhoor [getuige 9] bij de rechter-commissaris d.d. 11 september 2017;Proces-verbaal verhoor [getuige 10] bij de rechter-commissaris d.d. 10 juli 2017 (14); G-004-01, p. 4 0167 ev

13 G-004-01, p. 4 0167 ev

14 G-025-01, p. 4 0290 en V-003-02, p. 4 0012

15 DOC-043-01, p. 4 2598; p. 4 2663; p. 4 2665

16 AMB-016-01

17 AMB-016-01, p. 4 0463 e.v.

18 DOC-026-01

19 G-027-01, p. 4 0299

20 DOC-040-04, p. 4 2543

21 AMB-043-01, p. 4 0523.

22 AMB-043-01, p. 4 0526 en V-003-01

23 DOC 001-01, p. 4 1218 e.v.

24 G-021-01, proces-verbaal van getuigenverhoor.

25 G-020-01 en -02 idem, p. 4 0272 e.v.

26 G-029-01, p. 4 0301 e.v.

27 FIN 004 p. 4 2795 e.v..

28 FIN 004 p. 4 2806.

29 FIN 004 p. 2809.

30 V-006-02, p. 4 0072.

31 Idem.

32 DOC-008, p. 4 1452- 41464, DOC-011, p.4 1471, p. 4 1482-4 1495, p. 4 1509 DOC-012, p. 4 1526-4 1531, p. 4 1535- 4 1537, p. 4 1540, p. 4 1573-4 1583.

33 AMB-063-01, p. 4 0579 e.v.

34 G-23-01, p. 4 0276 e.v.

35 G-21-01, p. 4 0272 e.v.

36 G-20-02, p. 4 0258 e.v.

37 G-29-01, p. 4 0301 e.v.

38 V-003-02, p. 4 0011 e.v.

39 G-015-01, p.4 0213 e.v.

40 G-019-02, p.4 0248 e.v.

41 DOC 009-03, p. 4 1466.

42 Zaaksdossier valsheid in geschrift/witwassen p. 3 0037.

43 V 006-02, p. 4 0072 e.v.

44 DOC 020-09, p. 4 1855.

45 DOC 020-02, p. 4 1850.

46 DOC 020-01, p. 4 1848.

47 DOC 020-13, p. 4-1866 e.v.

48 Zaaksdossier mensensmokkel, p. 3 0060.

49 DOC 020-03, p. 4 1852 en DOC 020-04, p. 4 1853.

50 DOC 020-10, p. 4 1857.

51 Proces-verbaal van verhoor [naam] d.d. 22 september 2015, p. 4 0048 en proces verbaal van verhoor van getuigen [naam] (en [naam] ) bij de rechter-commissaris d.d. 25 augustus 2017.

52 DOC 003-07, p. 4 1408.

53 DOC 023-03, p. 4 1973.

54 DOC 023-02, p. 4 1971.

55 DOC 023-01, p. 4 1960.

56 DOC 23-15, p. 4 1987.

57 DOC 023-04 t/m 023-08 en 023-10, p. 4 1976 t/m 4 1980 en p. 4 1982.

58 DOC 023-06, p. 4 1978 en DOC 23-08, p. 4 1980.

59 DOC 23-07, p. 4 1979 en DOC 23-10, p. 4 1982.

60 DOC 23-11 en 12, p. 4 1983 en 4 1984.

61 Proces verbaal van bevindingen IND, p. 4 0331.

62 Proces verbaal van verhoor verdachte [naam] d.d. 5 oktober 2015, p. 4 0056 en 0057.

63 Proces verbaal getuigenverhoor bij de rechter-commissaris d.d. 25 augustus 2017.

64 Selectie bankgegevens referent [naam] , p. 4 1397.

65 DOC 19-02, p. 4 1757.

66 DOC 19-01, p. 4 1746.

67 DOC 19-04, p. 4 1760.

68 DOC 19-03, p. 4 1759.

69 Proces verbaal van bevindingen IND-dossiers, p. 4 0312.

70 DOC 19-05, p. 4 1762.

71 DOC 19-07, p. 4 1779.

72 DOC 19-04, p. 4 1778.

73 DOC 19-09, p. 4 1782.

74 DOC 19-10, p. 4 1784.

75 DOC 19-13, p. 4 1792.

76 DOC 19-08, p. 4 1781/DOC 19-11, p. 4 1790/ DOC 19-14 t/m 16, p. 4 1794 t/m 4 1796/ DOC 19-23 t/m 36, p. 4 1808 t/m 1821 en DOC 19-17, p. 4 1797.

77 Proces verbaal bevindingen IND-dossiers, p. 4 0333.

78 DOC 19-019, p. 4 1800.

79 DOC 003-01, p. 4 1362 e.v..

80 [naam] heeft –volgens haar eigen verklaring – voorafgaand aan haar vaste dienstverband een korte periode als oproepkracht ingeschreven gestaan.

81 DOC 19-038-1 t/m 38-9, p. 4 1823 t/m 1831.

82 Proces verbaal verhoor verdachte [naam] d.d. 12 november 2015, p. 4 132 t/m 134.

83 DOC 027-1 en 027-02, p. 4-2090 t/m 4 2251.

84 Een en ander is gebaseerd op de Regeling Subsidies AWBZ.