Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11621

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2017
Datum publicatie
12-10-2017
Zaaknummer
09-997116-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank in Den Haag heeft vandaag een echtpaar veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen van 3,5 jaar voor omkoping van een ambtenaar, valsheid in geschrift, witwassen en mensensmokkel. Ook mogen zij gedurende vijf jaar geen beroep in de zorg uitoefenen. Het echtpaar runde een zorgbureau dat een vehikel was om zoveel mogelijk te kunnen frauderen met zorggelden. Daarnaast heeft het zorgbureau valse documenten afgegeven om Turkse onderdanen aan een verblijfsvergunning te helpen.

De omgekochte ambtenaar krijgt voor haar rol een taakstraf van 150 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden. De eigenaar van de stichting en voetbalclub krijgt voor zijn aandeel een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/997116-15

Datum uitspraak: 12 oktober 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

[geboortedatum] 1970 [geboorteplaats 1] ,

[adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 1 juni 2017 (pro forma),

27 september 2017 (inhoudelijk) en 28 september 2017 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. E. Vermaseren en L.L.H. Roebroek en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. D. Duijvelshoff, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is kort samengevat ten laste gelegd dat zij zich in de periode van

2 juli 2010 tot en met 23 november 2012 in haar functie van back office/front office medewerker van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) schuldig heeft gemaakt aan passieve omkoping als bedoeld in artikel in artikel 362/363 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

3. Bewijsoverwegingen 1

3.1

Inleiding

De verdachte was met ingang van 1 juli 2007 tot 1 januari 2013 in dienst van het Centrum Indicatiestelling Zorg (verder: CIZ) in de functie van back-/front office medewerker.2

CIZ was (voor zover in deze zaak relevant) een stichting voor indicatiestelling in de zorg, die verantwoordelijk was voor het afgeven van indicatiebesluiten voor personen die in aanmerking willen komen voor een Persoons Gebonden Budget (PGB). CIZ legde verantwoording af aan het ministerie van VWS.3 Het was de verdachte duidelijk dat zij bij CIZ een taak in opdracht van de overheid vervulde.4

De werkwijze van CIZ was (voor zover in deze zaak relevant) als volgt.

Voordat een zorgbehoevende een PGB aanvraagt onderzoekt het CIZ of diegene voor zorg in aanmerking komt en zo ja in welke mate (klasse) en voor welke duur. Zij geeft vervolgens een indicatiebesluit af en op basis van die indicatie wordt het PGB vastgesteld. Een indicatie kan door de zorgbehoevende zelf schriftelijk of digitaal worden aangevraagd. Ook kan een indicatie direct online worden aangevraagd door een zorgbureau met een account, dit is de zogenaamde Aanmeld Functionaliteit (AF).

De back office medewerker (administratief medewerker) is in dit proces verantwoordelijk voor het inplannen van (aanvraag)dossiers en huisbezoeken bij indicatiestellers, het toetsen van de rechtmatigheid en volledigheid van dossiers, het versturen van besluitbrieven, en voor de receptiedienst en telefoondienst. Ook zijn back office medewerkers bevoegd om standaard- en spoedindicatieaanvragen af te handelen en dus zelfstandig een besluit te nemen. Indicatieaanvragen (waarvan er veel en soms wel honderd per dag binnenkwamen) dienen door de back office medewerker op volgorde van binnenkomst te worden behandeld.5

De verdachte wordt verweten dat zij zich als ambtenaar bij CIZ door v.o.f. [bedrijf] heeft laten omkopen. Zij zou in ruil voor giften van in totaal € 21.015,41 indicatieaanvragen van [bedrijf] met voorrang hebben afgehandeld, zorgklassen hebben opgehoogd en de termijn van indicatiestelling naar 15 jaar hebben verlengd.

De verdachte heeft verklaard dat zij voor [bedrijf] (voor haar waren v.o.f. [bedrijf] . hetzelfde bedrijf)6 betaalde werkzaamheden heeft verricht. Volgens de verdachte heeft zij zich voor [bedrijf] echter niet bezig gehouden met het indienen en behandelen van indicatieaanvragen. Haar werkzaamheden bestonden naar eigen zeggen voornamelijk uit het geven van advies aan [medeverdachte 1] , de directrice van [bedrijf] , en het opstellen van zorgplannen en dergelijke. De verdachte heeft dan ook ontkend zich aan het ten laste gelegde schuldig te hebben gemaakt.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officieren van justitie heeft de verdachte in haar functie als ambtenaar bij

CIZ giften aangenomen tot een bedrag van € 21.015,41 terwijl zij wist dat deze haar werden gedaan om in strijd met haar plicht indicatieaanvragen met voorrang af te handelen, indicaties op te hogen en de termijn te verlengen. De rechtbank begrijpt de officieren van justitie aldus dat volgens hen het impliciet primair ten laste gelegde feit (363 oud Sr) bewezen kan worden verklaard.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken omdat geen sprake is geweest van ‘giften’ in de zin van artikel 362/363 (oud) Sr. In dit verband heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte weliswaar betalingen van [bedrijf] heeft ontvangen, maar dat tegenover die betalingen (kort samengevat:) legale en gangbare werkzaamheden hebben gestaan. De betalingen moeten volgens de raadsman derhalve worden aangemerkt als loon.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Verklaringen verdachte over aanvang werkzaamheden [bedrijf]

De verdachte heeft in haar eerste verhoor bij de Inspectie SZW op 25 augustus 2015 verklaard dat zij in 2013 bij [bedrijf] was begonnen met werken. Nadat haar vervolgens door de verhoorders werd gevraagd of het klopt dat zij als eerder hij [bedrijf] werkzaam was, heeft de verdachte verklaard dat zij [medeverdachte 1] al in 2011 adviezen had gegeven.7

In haar tweede verhoor op 26 augustus 2015 heeft de verdachte verklaard dat zij zeker weet dat zij in 2011 voor het eerst bij [bedrijf] binnen was gelopen. 8

Nadat de verdachte in haar derde verhoor op 27 augustus 2015 werd geconfronteerd met gegevens die erop wijzen dat zij al in 2010 door [medeverdachte 2] (destijds vennoot van de v.o.f. en echtgenoot van [medeverdachte 1] ) is betaald, heeft zij verklaard dat zij al in 2010 advies gaf aan [medeverdachte 1] . De verdachte wilde het verder bij die verklaring houden.9

Contract met [bedrijf] in 2011

In het dossier zit een arbeidsovereenkomst tussen [bedrijf] ., vertegenwoordigd door medeverdachte [medeverdachte 1] , en de verdachte d.d. 1 maart 2011. Volgens deze overeenkomst wordt de verdachte met ingang van 1 maart 2011 bij [bedrijf] . aangesteld als oproepkracht in de functie van Verzorgende voor een brutosalaris van €18,-- p/u.10

Melding nevenactiviteiten

In de arbeidsovereenkomst tussen de verdachte en CIZ is het volgende opgenomen:

“Artikel 9 nevenwerkzaamheden

De werknemer is gehouden bij de werkgever opgave te doen van nevenwerkzaamheden die hij verricht of van plan is te gaan verrichten die de belangen van de werkgever kunnen raken. Het is hem verboden nevenwerkzaamheden te verrichten die de goede vervulling van zijn functie en de belangen van de werkgever in de weg staan.” 11

Verder blijkt uit de ‘Regeling nevenwerkzaamheden’ d.d. 25 oktober 2007 (gewijzigd april 2012) dat ten tijde van de ten laste gelegde periode binnen CIZ een specifieke procedure bestond voor de melding van nevenwerkzaamheden. Die procedure komt kort gezegd op het volgende neer: de melding van nevenactiviteiten dient plaats te vinden bij de HRM-adviseur van de unit of het hoofdkantoor waar de werknemer werkzaam is. Bij de melding moet een aantal bijzonderheden over de nevenactiviteiten worden opgegeven. In de regeling staat dat het personeelsbeheer van de unit en het hoofdkantoor een registratie van verleende toestemmingen bijhouden. Binnen 4 weken na de melding ontvangt de werknemer een schriftelijke beslissing van de werkgever, waartegen binnen 6 weken bezwaar kan worden ingediend. Alle medewerkers hebben deze regeling per email ontvangen.12

In het personeelsdossier van de verdachte is niets terug te vinden over een melding door de verdachte van nevenwerkzaamheden.13

De verdachte heeft verklaard dat zij haar nevenactiviteiten voor [bedrijf] “meteen in 2011” mondeling heeft gemeld bij haar leidinggevenden [leidinggevende 1] en [leidinggevende 2] en dat zij het zouden hebben goedgekeurd.14 Uit het dossier blijkt echter dat [leidinggevende 2] eind september 2008 bij CIZ uit dienst is getreden. [leidinggevende 1] kon zich niet herinneren dat de verdachte nevenactiviteiten heeft gemeld.15 [leiddinggevende] , die in de periode 2011-2012 leidinggevende van de verdachte was, heeft verklaard dat hij zeker weet dat de verdachte bij hem niets heeft gemeld.16 [getuige] , onderzoeker fraudebestrijding bij CIZ, heeft verklaard dat zij geen reden kan bedenken waarom de werkzaamheden van de verdachte bij [bedrijf] goedgekeurd zouden zijn.17

Betrokkenheid [verdachte] bij indicatieaanvragen [bedrijf]

Uit intern onderzoek van CIZ over de periode 2010 tot 2013 is gebleken dat de verdachte in deze periode bijzonder vaak werkzaamheden heeft verricht met betrekking tot aanvragen ingediend door (cliënten van) [bedrijf] .18

Uit onderzoek door de Inspectie SZW is voorts het volgende gebleken:19

  • -

    door [bedrijf] zijn via de zogenoemde Aanmeld Functionaliteit (AF) 142 indicatieaanvragen ingediend in de periode dat de verdachte werkzaam was voor CIZ;

  • -

    via het account van de verdachte is aan 76 van deze aanvragen gewerkt, terwijl bij de overige indicatieaanvragen twintig verschillende CIZ-medewerkers betrokken waren;

  • -

    van de 128 AF-aanvragen werd 47 keer vlak na het indienen van daarvan via het account van de verdachte ingelogd, en aan deze aanvragen gewerkt;

  • -

    de eerste 21 van de 128 AF-aanvragen werden een dag na indiening daarvan afgehandeld via het account van de verdachte, terwijl zij op die dag stond ingeroosterd op een receptiedienst;

  • -

    Via het account van de verdachte werden 64 aanvragen zelfstandig afgehandeld: bij 56 cliënten is de indicatie met één of meerdere klassen verhoogd; bij 33 van deze cliënten is de termijn van het indicatiebesluit verhoogd naar de maximale termijn van 15 jaar.

Ten aanzien van de tijdstippen waarop de 128 indicatieaanvragen zijn ingediend en het tijdstip waarop er voor het eerst door een medewerker van CIZ aan is gewerkt, is het volgende gebleken:20

  • -

    47 van de 128 keer nadat door [bedrijf] een aanvraag is ingediend, wordt er vlak hierna (binnen een minuut tot één uur) voor het eerst via het account van de verdachte aan gewerkt. Op de dagen dat er meerdere indicatieaanvragen worden ingediend is te zien dat er eerst vanuit [bedrijf] verschillende aanvragen achter elkaar worden ingediend en dat deze vervolgens achter elkaar in behandeling worden genomen via het account van de verdachte;

  • -

    Van de 47 keer dat via het account van de verdachte is gewerkt, is 35 keer in de avonduren ingelogd in het CIZ-systeem. Bij de overige 12 keer wordt de aanvraag overdag in behandeling genomen op een parttime-dag, thuiswerkdag of (anderszins) vrije dag van de verdachte; een aanvraag is op de laatste werkdag van de verdachte verwerkt.

Nader onderzoek naar inloggen in systeem CIZ

Uit onderzoek is gebleken dat verschillende keren vanaf externe IP-adressen via het account van de verdachte is ingelogd in het systeem van CIZ. Zo is eenmaal met een computer met de cliëntnaam ‘ [bedrijf] Notebook’ ingelogd vanaf een IP-adres waarbij Tele2 als provider is geregistreerd. Dit is dezelfde provider als die van [bedrijf] (destijds). Voorts is zeven keer ingelogd met een computer met de naam ‘Thuis’ en negen keer met de computer met [naam] ’, in beide gevallen vanaf een IP-adres waarbij Caiway als provider is geregistreerd. De verdachte had een internetabonnement bij Caiway en de zoon van de verdachte heet [naam] .21

Betalingen per bank aan de verdachte

Uit onderzoek is gebleken dat medeverdachte [medeverdachte 2] , destijds vennoot van de v.o.f. 22 vanaf zijn privérekening in juli, augustus en november 2010 respectievelijk bedragen van € 900,-, € 800,-- en € 200,-- aan de verdachte heeft overgemaakt (de laatste betaling is gedaan op de bankrekening van haar zoon, waarvan de verdachte in de bewuste periode gebruik maakte).23

In februari en april 2011 heeft medeverdachte [medeverdachte 2] van zijn privérekening bedragen van respectievelijk € 1.400,-- en € 1.300,-- aan de verdachte overgemaakt. In de periode vanaf 30 juni 2011 tot en met 29 december 2011 zijn vanaf de zakelijke rekening van [bedrijf] op verschillende momenten bedragen van in totaal € 6.206,51 aan de verdachte overgemaakt.

In de periode vanaf 2 maart 2012 tot en met 23 november 2012 zijn aan de verdachte bedragen van in totaal € 3.300,-- overgemaakt. Het betreft vier betalingen vanaf de zakelijke rekening van [bedrijf] . en één betaling vanaf de privérekening van [medeverdachte 2] .24

Ten aanzien van de betalingen aan de verdachte is uit nader onderzoek voorts gebleken dat deze niet stroken met de administratie van [bedrijf] de aangiften loonheffing, loonstroken, betalingen per bank komen onderling niet overeen. Zij komen niet overeen op totaalniveau, niet op jaarniveau en veelal ook niet op individueel maandniveau.25

Ook strookt de aangetroffen administratie niet met de eigen verklaring van de verdachte. In dit verband is onder meer gebleken dat de verdachte door [bedrijf] in de periode juli 2011 tot en met augustus 2012 (m.u.v. september 2011) voor 72 uren per maand is verloond terwijl uit de verklaring van de verdachte moet worden opgemaakt dat zij maximaal 30 uren per maand voor [bedrijf] beschikbaar was.26

Conclusie

Op grond van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte in de ten laste gelegde periode aanvragen van (cliënten van) de [bedrijf] . met voorrang in behandeling heeft genomen, en dat zij zorgklassen heeft opgehoogd en de termijn van indicatiestelling naar 15 jaar heeft verlengd.

Uit onderzoek is immers gebleken dat deze handelingen zijn verricht via het account van de verdachte bij CIZ en bovendien in meerdere gevallen vanaf externe computers die aan haar kunnen worden gelinkt en bovendien (met een enkele uitzondering) steeds wanneer de verdachte niet op het kantoor van CIZ was. Niet is gebleken dat iemand anders dan de verdachte toegang had tot dit account. De verdachte heeft weliswaar verklaard dat zij op enig moment haar agenda met inlogcodes op het kantoor van [bedrijf] heeft laten liggen, maar uit die enkele verklaring volgt nog niet dat iemand anders dan de verdachte zou hebben ingelogd, en geeft ook geen aanleiding te vermoeden dat dit is gebeurd. De feiten en omstandigheden in deze zaak laten naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie toe dan dat het steeds de verdachte is geweest die heeft ingelogd en vervolgens via haar account werkzaamheden heeft verricht.

De ‘voorkeursbehandeling’ die de verdachte (cliënten van) [bedrijf] . heeft gegeven door ten behoeve van die vennootschappen indicatieaanvragen op de hiervoor omschreven wijze met voorrang in behandeling te nemen, is in strijd met haar plicht als ambtenaar bij CIZ (de functie medewerker back-/frontoffice). Aanvragen dienden immers op volgorde van binnenkomst te worden verwerkt, zoals de verdachte zelf ook heeft verklaard, en uit het hierboven weergegeven onderzoek blijkt genoegzaam dat de verdachte zich hieraan niet heeft gehouden.

Voorts stelt de rechtbank op grond van de gebezigde bewijsmiddelen de volgende omstandigheden vast:

  • -

    de verdachte heeft wisselend verklaard over de aanvang van haar werkzaamheden voor [bedrijf] en haar eerste contacten met [medeverdachte 1] ;

  • -

    uit niets blijkt dat de verdachte haar werkzaamheden voor [bedrijf] heeft gemeld aan CIZ, terwijl zij kennelijk wist dat dit moest;

  • -

    aan de verdachte zijn al in 2010 en begin 2011 (forse) bedragen betaald terwijl zij naar eigen zeggen pas in 2011 met haar werkzaamheden voor [bedrijf] was begonnen en terwijl haar contract bij [bedrijf] . pas met ingang van 1 maart 2011 gold;

  • -

    het betreft bovendien betalingen die vanaf de privérekening van [medeverdachte 2] zijn gedaan, en die niet in de boekhouding of in de gegevens van de belastingdienst voorkomen, zodat de conclusie gerechtvaardigd is dat kennelijk is getracht deze betalingen buiten de boekhouding te houden;

  • -

    de functie in het oproepcontract d.d. 1 maart 2011 (‘verzorgende’) strookt niet met de (voornamelijk advies)werkzaamheden die de verdachte naar eigen zeggen voor [bedrijf] zou hebben verricht;

  • -

    (ook) de betalingen van [bedrijf] aan de verdachte stroken niet met de administratie van het bedrijf;

  • -

    verdachte heeft volgens de administratie van [bedrijf] veel meer uren gewerkt dan volgens haar eigen verklaring mogelijk was.

Op grond van deze feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de verdachte voor [bedrijf] naast haar ‘reguliere’ werkzaamheden (advieswerk, het opstellen van zorgplannen etc.) ook niet-reguliere betaalde werkzaamheden heeft verricht. Blijkens het voorgaande hebben deze niet-reguliere werkzaamheden in ieder geval bestaan uit het met voorrang behandelen van indicatieaanvragen, het ophogen van zorgklassen en het verlengen van de indicatietermijn met betrekking tot cliënten van [bedrijf] .

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de geldbedragen die de verdachte op haar bankrekening en die van haar zoon heeft ontvangen in ieder geval gedeeltelijk betrekking moeten hebben gehad op haar handelingen met betrekking tot de indicatieaanvragen ten behoeve van [bedrijf] . Naar het oordeel van de rechtbank is echter niet vast komen te staan dat de verdachte contante geldbedragen heeft ontvangen, nu dit enkel volgt uit de administratie van [bedrijf] , die ondeugdelijk is gebleken.

Het voorgaande betekent dat naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte in haar functie als ambtenaar giften in de vorm van geldbedragen heeft aangenomen terwijl zij wist dat deze werden gedaan om haar te bewegen om in strijd met haar plicht iets te doen, dan wel naar aanleiding van hetgeen zij al in strijd met haar plicht had gedaan.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

zij,

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 juli 2010 tot en

met 23 november 2012,

in de gemeente(n) Rotterdam en/of Schiedam en/of elders in Nederland,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) in haar, verdachtes, functie als ambtenaar, te weten als medewerker

backoffice en/of frontoffice van Centrum Indicatiestelling Zorg (verder CIZ),

(een) gift(en) heeft aangenomen, te weten één of meerdere geldbedrag(en) (in

totaal euro 21.015), afkomstig van [bedrijf]

en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1],

wetende of redelijkerwijs vermoedende dat die/deze gift(en) haar, verdachte,

werden gedaan en/of verleend en/of werd aangeboden:

a)teneinde haar te bewegen om, al dan niet in strijd met haar plicht in haar

bediening iets te doen,

en/of

b)ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door haar, al dan niet in strijd

met haar plicht, in haar huidige of vroegere bediening is gedaan,

immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s), - zakelijk

weergegeven -:

indicatieaanvra(a)g(en) afkomstig van [bedrijf]

(met voorrang) afgehandeld en/of (op) voornoemde

indicatieaanvra(a)g(en) (een) indicatie(s) met een of meerdere klasse(n)

opgehoogd en/of de termijn naar 15 jaren verlengd.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat aan de verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van tien maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht geen langere gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht en verder te volstaan met een taakstraf. In dit verband heeft hij de rechtbank verzocht rekening te houden met de zeer lange duur van de onderhavige procedure. Daarnaast heeft hij erop gewezen dat de verdachte een ‘first offender’ is en dat zij haar leven nu weer een beetje op de rails heeft. Zij houdt zich verre van het papierwerk binnen de zorg en is weer aan de slag als verzorgende. Haar huidige werkgever weet van deze zaak, aldus de raadsman.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich als ambtenaar van CIZ om laten kopen teneinde (de cliënten van) een thuiszorgbureau een voorkeursbehandeling te geven bij het verwerken van indicatieaanvragen, door deze met voorrang in behandeling te nemen en daarop beslissingen te nemen. Aldus handelende heeft de verdachte het in haar als ambtenaar gestelde vertrouwen beschaamd en haar positie misbruikt voor persoonlijk voordeel. Voor een goed functioneren van een democratische samenleving is het van belang dat burgers vertrouwen hebben in het openbaar bestuur. Door haar handelen heeft verdachte het vertrouwen dat burgers moeten kunnen hebben in een integere overheid geschaad. Daarnaast moet de overheid kunnen vertrouwen op de loyaliteit, betrouwbaarheid en onkreukbaarheid van de eigen ambtenaren. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat zij haar eigen winstbejag kennelijk zwaarder heeft laten wegen dan dit belang. De rechtbank acht dit soort feiten zeer laakbaar en normaal gesproken wordt voor dergelijke feiten dan ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd.

Anderzijds neemt de rechtbank in aanmerking dat niet duidelijk is geworden in hoeverre door verdachtes handelen direct financieel nadeel is ontstaan. Het dossier bevat ook geen aanwijzingen dat de verdachte weet heeft gehad van andere strafbare activiteiten, begaan door het thuiszorgbureau dat zij hielp.

Voorts heeft de rechtbank gezien dat de verdachte blijkens haar strafblad van 9 mei 2017 niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat de gedragingen van de verdachte kennelijk waren ingegeven door financiële problemen en dat die problemen thans niet aan de orde zijn door omstandigheden buiten deze strafzaak, waaronder haar huidige werk als verzorger.

De rechtbank houdt er rekening mee dat de verdachte deze baan door een eventuele detentie zal verliezen, met alle gevolgen van dien.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en daarnaast een taakstraf dient te worden opgelegd.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 363 (oud) van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de haar opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in verzekering doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P. Poustochkine, voorzitter,

mr. R.G.C. Veneman, rechter,

mr. E.A. Lensink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. B. Schaafsma, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 oktober 2017.

Mr. R.G.C. Veneman is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage tenlastelegging

zij,

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 juli 2010 tot en

met 23 november 2012,

in de gemeente(n) Rotterdam en/of Schiedam en/of elders in Nederland,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) in haar, verdachtes, functie als ambtenaar, te weten als medewerker

backoffice en/of frontoffice van Centrum Indicatiestelling Zorg (verder CIZ),

(een) gift(en) heeft aangenomen, te weten één of meerdere geldbedrag(en) (in

totaal euro 21.015), afkomstig van [bedrijf]

en/of [medeverdachte 2] en/ [medeverdachte 1] ,

wetende of redelijkerwijs vermoedende dat die/deze gift(en) haar, verdachte,

werd gedaan en/of verleend en/of werd aangeboden:

a)teneinde haar te bewegen om, al dan niet in strijd met haar plicht in haar

bediening iets te doen,

en/of

b)ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door haar, al dan niet in strijd

met haar plicht, in haar huidige of vroegere bediening is gedaan,

immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s), - zakelijk

weergegeven -:

indicatieaanvra(a)g(en) afkomstig van [bedrijf]

(met voorrang) afgehandeld en/of (op) voornoemde

indicatieaanvra(a)g(en) (een) indicatie(s) met een of meerdere klasse(n)

opgehoogd en/of de termijn naar 15 jaren verlengd.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 6640-2014-983, van de inspectie SZW, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 2827).

2 IBN-2-001-07, p. 4 1126 en V-003-02, p. 4 0015.

3 AMB-016-01, p. 4 0459 e.v.

4 V-003-02, p. 4 0016.

5 G-025-01, p. 4 0290 en V-003-02, p. 4 0012.

6 V-003-02, p. 4 0018.

7 V-003-01, p. 4 0007.

8 V-003-02, p. 4 0018.

9 V-003-03, p. 4 0031.

10 DOC-031-01.

11 IBN-2-001-07, p. 4 1126.

12 DOC-005-02, p. 4 1412.

13 G-004-01, p. 4 0167 ev.

14 V-003-01, p. 4 0009.

15 Proces-verbaal verhoor getuige [leidinggevende 1] bij de rechter-commissaris d.d. 11 september 2017.

16 Proces-verbaal verhoor getuige [leiddinggevende] bij de rechter-commissaris d.d. 10 juli 2017 (14).

17 G-004-01, p. 4 0167 ev.

18 DOC-043-01, p. 4 2598; p. 4 2663; p. 4 2665.

19 AMB-016-01.

20 AMB-016-01, p. 4 0463 e.v.

21 AMB-041-01.

22 DOC-026-01.

23 G-027-01, p. 4 0299.

24 DOC-040-04, p. 4 2543.

25 AMB-043-01, p. 4 0523.

26 AMB-043-01, p. 4 0526 en V-003-01.