Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11620

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-10-2017
Datum publicatie
03-11-2017
Zaaknummer
SGR 16/6825
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/6825

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 5 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Leijstra),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Catakli).

Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser over de periode 1 januari 2016 tot en met 29 februari 2016 bijzondere bijstand toegekend.

Bij besluit van 18 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en de tolk H. Amin. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2.

Eiser is gehuwd met [echtgenote] (echtgenote) en zij hebben twee minderjarige kinderen. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn echtgenote heeft geen geldige verblijfstitel, zodat zij geen rechtmatig verblijf in Nederland houdt. Hierdoor heeft zij geen recht op een bijstandsuitkering. Aan eiser is bij de toekenning een bijstandsuitkering naar de norm van alleenstaande ouder verstrekt. De echtgenote verblijft vanwege psychische problematiek niet (altijd) bij eiser.

1.3.

Bij besluit van 13 februari 2015 is met ingang van 1 januari 2015 de bijstandsuitkering van eiser gewijzigd. In verband met een verhoging via de Belastingdienst van het kindgebonden budget voor een alleenstaande ouder (ALO-kop) is met de invoering van de Participatiewet (Pw) de alleenstaande oudernorm komen te vervallen. Aangezien de echtgenote door de Belastingdienst echter wordt beschouwd als de fiscale partner van eiser, waardoor eiser niet in aanmerking komt voor de ALO-kop, heeft verweerder op grond van het toepasselijk overgangsrecht aan eiser ter compensatie van de terugval in inkomsten over de periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 een maandelijkse financiële bijdrage ter hoogte van 20% van de (oude) gehuwdennorm in de vorm van bijzondere bijstand toegekend.

1.4.

Bij het primaire besluit heeft verweerder deze compensatie in de vorm van bijzondere bijstand eenmalig verlengd over de periode 1 januari 2016 tot en met 29 februari 2016. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de beperkte duur van de verleende compensatie.

1.5.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Het betreft volgens verweerder buitenwettelijk begunstigend beleid om eiser in de gelegenheid te stellen met de Belastingdienst te zoeken naar een oplossing voor zijn situatie. Verweerder stelt dat hieraan geen rechten kunnen worden ontleend. Omdat eiser een beroep kan doen op een toereikende en passende voorliggende voorziening, de ALO-kop, meent verweerder dat geen recht op bijstand bestaat. Ook is niet gebleken van zeer dringende redenen om eiser alsnog bijstand te verlenen. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat aan het bestreden besluit tevens ten grondslag ligt de impliciete weigering om de bijstand van eiser vanaf 1 maart 2016 nader af te stemmen op grond van artikel 18, eerste lid, van de Pw. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

2. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en voert daartoe aan dat door het hanteren van een ander partnerbegrip bij de Belastingdienst geen sprake is van een toereikende en passende voorliggende voorziening. Door het wegvallen van de alleenstaande oudernorm met de invoering van de Pw en het ontbreken van een voorliggende voorziening, is sprake van een aanzienlijke inkomensachteruitgang en moeten eiser en zijn twee minderjarige kinderen rondkomen van een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande. Hierdoor komen hij en zijn gezin in grote financiële problemen. Eiser meent dat dit een onacceptabele situatie is.

3. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de Pw in werking getreden en de norm voor een alleenstaande ouder komen te vervallen. Vanaf die datum is de bijstandsnorm voor alleenstaande ouders gelijk aan die voor alleenstaanden. In plaats van de aanvulling van de bijstand is de ALO-kop geïntroduceerd in het Kindgebonden budget (Kgb). De ALO-kop wordt, indien men voldoet aan bepaalde criteria, betaalbaar gesteld door de Belastingdienst. De rechtbank stelt vast dat eiser, als alleenstaande ouder met een niet-rechthebbende partner, niet in aanmerking voor de zogenoemde ALO-kop op grond van artikel 6, tweede lid, van de Wet op het kindgebonden budget, omdat zijn echtgenote op grond van artikel 5a, eerste lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelasting als (fiscaal) partner wordt aangemerkt. Op grond van het toepasselijk overgangsrecht, opgenomen in artikel XII, tweede lid van de Wet hervorming kindregelingen, is aan eiser over de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 bijzondere bijstand ter hoogte van 20% van de (oude) gehuwdennorm verstrekt. Voorts heeft verweerder in aansluiting hierop deze bijzondere bijstand voor de duur van twee maanden verlengd.

3.2.

De wetgever heeft zich uitgelaten over de problematiek ten aanzien van bijstand bij een niet-rechthebbende partner, zie onder meer de Memorie van Toelichting bij de Verzamelwet, TK 2015-2016, 34 273, nr. 3, p. 7-8. Bij deze wet is de tekst van artikel 24 van de Pw gewijzigd in die zin dat onduidelijkheid is weggenomen; voor een gehuwde met een niet-rechthebbende partner geldt de kostendelersnorm en dus niet de norm voor een alleenstaande dan wel een alleenstaande ouder. De wetgever heeft onderkend dat de individuele situatie van gehuwden met een niet‑rechthebbende partner onderling sterk kan verschillen. Dit maakt dat bij toepassing van artikel 24 van de Pw altijd goed gekeken moet worden naar de individuele situatie. Indien nodig heeft het college op basis van artikel 18, eerste lid, van de Pw de mogelijkheid om in individuele gevallen de algemene bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende, aldus de wetgever.

Voorts heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in zijn brief van 14 september 2016 aan de Tweede Kamer over het aanbieden van de monitor alleenstaande ouders deze problematiek onderkend en heeft hij gewezen op de mogelijkheid om in individuele gevallen bijzondere bijstand te verstrekken.

3.3.

De rechtbank verwijst tevens naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 28 februari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:879) waarin is overwogen dat (naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter van de CRvB) uit de geschiedenis van de totstandkoming van de kostendelersnorm niet kan worden afgeleid dat bedoeld is dat gezinnen waar het hier om gaat over aanzienlijk minder middelen gaan beschikken. Dit is mede door de werking van de Toeslagenwet voor de zogenoemde alleenstaande ouderkop (ALO-kop) wel het geval, aldus de CRvB.

3.4.

Hoewel het hier niet de toepassing van artikel 24 van de Pw betreft eiser ontvangt immers bijstand naar de norm voor een alleenstaande en niet naar de kostendelersnorm , is de rechtbank van oordeel dat uit het vorenstaande kan worden afgeleid dat het aan verweerder is om te onderzoeken of de verlaging van de uitkering, waarmee eiser wordt geconfronteerd, in het individuele geval van eiser aanvaardbaar is, waarbij met name in ogenschouw dient te worden genomen de tot het huishouden van eiser behoorde minderjarige kinderen. Het standpunt van verweerder dat eiser zich in dit kader tot de Belastingdienst dient te wenden, wordt door de rechtbank dan ook niet gevolgd. Het had op de weg van verweerder gelegen om uitdrukkelijk te onderzoeken of nadere afstemming, met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de Pw, dan wel via verlening van bijzondere bijstand, nodig was om te komen tot een toereikend inkomen voor eiser en zijn minderjarige kinderen.

3.5.

Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit door het uitblijven van een dergelijk onderzoek dan ook niet zorgvuldig voorbereid en is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet verweerder alsnog onderzoek doen naar de individuele situatie van eiser en de vraag of dit aanleiding geeft de bijstand van eiser nader te individualiseren op een wijze dat eiser in staat is de lasten van zijn minderjarige kinderen te dragen, via nadere afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Pw, dan wel via verlening van bijzondere bijstand. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.

4. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

5. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

6. De rechtbank wijst erop dat tegen deze uitspraak hoger beroep open staat, maar pas tegelijk met de – nog te nemen – einduitspraak. Tot die tijd staat tegen deze tussenuitspraak geen rechtsmiddel open.

Beslissing

De rechtbank draagt verweerder op binnen twee weken na verzending van deze uitspraak de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het geconstateerde gebrek te herstellen en geeft hem tot acht weken na de verzending van deze uitspraak de gelegenheid dat gebrek te herstellen op de in rechtsoverweging 3.5 aangegeven wijze.

Deze uitspraak is gedaan op 5 oktober 2017 door mr. L. Koper, voorzitter, en mr. A.L. Frenkel en mr. F.X. Cozijn, leden, in aanwezigheid van mr. M. Demoed-van Dongen, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat (nog) geen rechtsmiddel open.