Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11566

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-10-2017
Datum publicatie
15-12-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2887
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2018:1416, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is huurder van de woning [adres 1] te [plaats 1] (hierna: de huurwoning). Eiser staat samen met zijn echtgenote ingeschreven op dit adres in de basisregistratie personen.

Eiser en zijn echtgenote zijn eigenaar van een recreatiewoning gelegen aan de [adres 2] te [plaats 2] (hierna: de koopwoning).

In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2014 heeft eiser voor de koopwoning een bedrag van € 346 als eigenwoningforfait aangegeven en een bedrag van € 5.901 voor betaalde rente en kosten van geldleningen ter zake van de koopwoning in aftrek gebracht. Verweerder is bij het vaststellen van de aanslag wat betreft het vorenstaande afgeweken van de aangifte en heeft de eigenwoningregeling niet van toepassing geacht op de koopwoning.

In geschil is of de koopwoning voor eiser in het onderhavige jaar kan worden aangemerkt als een eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (de Wet), welke vraag eiser bevestigend beantwoordt en verweerder ontkennend beantwoordt.

De rechtbank is gegeven de vaststaande feiten en al hetgeen partijen over en weer hebben gesteld en aangevoerd, van oordeel dat het zwaartepunt van eisers leven zich afspeelt in [plaats 1] en omgeving. De rechtbank is daarom van oordeel dat de koopwoning niet als eigen woning in de zin van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet kan worden aangemerkt. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2018/6.16.9
V-N Vandaag 2017/2991
Vp-bulletin 2018/11
Viditax (FutD), 18-12-2017
FutD 2018-0048
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 17/2887

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats 1] , eiser

(gemachtigde: [echtgenote van eiser] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats] , verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2014 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd..

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 13 maart 2017 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [echtgenote van eiser] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon A] , [persoon B] en

[persoon C] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is huurder van de woning [adres 1] te [plaats 1] (hierna: de huurwoning). Eiser staat samen met zijn echtgenote ingeschreven op dit adres in de basisregistratie personen. De huurwoning heeft een inhoud van 209,4 m³.

2. Eiser en zijn echtgenote zijn eigenaar van een recreatiewoning gelegen aan [adres 2] te [plaats 2] (hierna: de koopwoning). Het oppervlak van de koopwoning bedraagt 67 m². De WOZ-waarde van de koopwoning voor het jaar 2014 is vastgesteld op

€ 71.000.

3. Inschrijving bij de gemeente [gemeente] is niet mogelijk omdat de koopwoning niet voor permanente bewoning mag worden gebruikt, zodat eiser in de basisregistratie personen vermeld staat op het adres van de huurwoning. Eiser werkt 8 ½ uur per week, te weten 2 ochtenden in de week bij een school in [plaats 3] . Verder heeft hij een eigen onderneming. Volgens gegevens van de Kamer van Koophandel is deze onderneming ingeschreven op het adres van de huurwoning. In het kader van zijn onderneming begeleidt eiser gewoonlijk twee leerlingen per week, elk voor een uur. Naast een inkomen uit die werkzaamheden geniet eiser inkomsten uit vroegere dienstbetrekking van het ABP pensioenfonds en van het UWV.

4. De echtgenote van eiser werkt bij [bedrijf] in [plaats 4] , en heeft daar een 36 urig contract. Zij werkt één uur per week korter, maar wordt hier wel voor doorbetaald. Verder heeft zij 52 uur studieverlof per jaar. Eiser en zijn echtgenote bezitten samen één auto. Eiser brengt zijn echtgenote af en toe naar haar werk. Eiser wordt door zijn echtgenote met de auto regelmatig naar de koopwoning gebracht om daar zijn vakanties en andere vrije dagen door te brengen; zij rijdt dan terug als zij nog moet werken in [plaats 4] , aangezien ze minder vrije dagen heeft dan eiser. De enkele reisafstand tussen de beide woningen afgelegd met de auto is ca 128 km.

5. In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2014 heeft eiser voor de koopwoning een bedrag van € 346 als eigenwoningforfait aangegeven en een bedrag van € 5.901 voor betaalde rente en kosten van geldleningen ter zake van de koopwoning in aftrek gebracht. Daarmee bedragen de belastbare inkomsten uit eigen woning voor eiser negatief € 5.555. Verweerder is bij het vaststellen van de aanslag wat betreft het vorenstaande afgeweken van de aangifte en heeft de eigenwoningregeling niet van toepassing geacht op de koopwoning.

6. Tot de gedingstukken behoort een aantal schriftelijke verklaringen waarin familie, vrienden, kennissen en buren van eiser, uit zowel [plaats 2] als [plaats 1] , verklaren dat het hen bekend is dat eiser en zijn echtgenote alle weekenden, vrije dagen en feestdagen doorbrengen in hun koopwoning. Tevens wordt in een aantal verklaringen vermeld dat het hen bekend is dat eiser en zijn echtgenote in de koopwoning hun visite en logees ontvangen en dat zij alleen voor hun werkzaamheden verblijven in de huurwoning. Soms wordt in de verklaringen vermeld, dat dit ook het geval was in 2014.

7. In het bestemmingsplan van [park] waar de koopwoning is gelegen, is in de bestemmingsomschrijving aangegeven dat er recreatief verblijf wordt aangeboden aan personen die elders hun hoofdverblijf hebben.

Geschil
8. In geschil is of de koopwoning voor eiser in het onderhavige jaar kan worden aangemerkt als een eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (de Wet), welke vraag eiser bevestigend beantwoordt en verweerder ontkennend beantwoordt.

9. Eiser stelt dat de koopwoning als zijn hoofdverblijf moet worden beschouwd omdat de woning in [plaats 1] alleen als werkwoning kan worden beschouwd. Het leven speelt zich af rondom [plaats 2] en niet in [plaats 1] .

10. Verweerder heeft gemotiveerd weersproken dat de koopwoning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking van eiser stond.

Beoordeling van het geschil

11. Artikel 3.111. eerste lid, van de Wet luidt, voor zover hier van belang:

“In deze afdeling ( . . .) wordt verstaan onder eigen woning: een gebouw (. . .) voorzover dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat”

12. De definitie van de eigen woning in artikel 3.111, eerste lid, van de Wet is in de memorie van toelichting op die bepaling als volgt toegelicht:

“Een eigen woning moet de belastingplichtige of personen die tot zijn huishouden behoren "anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staan". Met dit begrip wordt gedoeld op een voor duurzaam eigen gebruik bestemde woning welke overeenkomstig deze bestemming de belastingplichtige ter beschikking staat en niet in vrij opleverbare staat is te verkopen dan nadat de belastingplichtige op een andere wijze in zijn woonbehoefte heeft voorzien.

Per belastingplichtige kan slechts één woning voor hem als centrale levensplaats dienen. Een belastingplichtige die bijvoorbeeld in het kader van zijn werk een pied à terre aanhoudt in zijn directe werkomgeving, heeft voor de toepassing van deze regeling maar één eigen woning.”

(Kamerstukken II, 1998-1999, 26 727, nr. 3, artikel 3.6.2 (MvT).

13. Op eiser, die heeft gesteld dat de koopwoning hem als hoofdverblijf ter beschikking staat, rust de last om zulks aannemelijk te maken. Daarbij gaat het er om dat aannemelijk wordt gemaakt dat de koopwoning voor eiser als centrale levensplaats dient.

14. Eiser heeft aangevoerd dat vrijwel alle vakanties, feestdagen, weekenden en andere vrije dagen worden doorgebracht in de koopwoning. Eiser gaat op vrijdagmiddag of vrijdagavond naar de koopwoning. Daar verblijft hij tot zondagavond en rijdt om circa 21.00 uur naar de huurwoning terug. Dit omdat zijn echtgenote de volgende dag haar werkzaamheden in [plaats 4] verricht. Regelmatig gebeurt het dat eiser pas maandagochtend of dinsdagochtend via [plaats 4] naar [plaats 1] vertrekt. Dit op de momenten dat zijn echtgenote op de maandag thuis werkt of haar werkzaamheden het mogelijk maken om later op de maandag te starten. Voor geval de vakanties niet samen kunnen worden doorgebracht – eisers echtgenote heeft minder vrije dagen dan eiser – reist de echtgenote van eiser heen en weer of wordt zij naar het werk of naar de huurwoning gebracht door eiser.

15. Verweerder stelt dat het leven van eiser en zijn echtgenote zich concentreren rondom de huurwoning. Ter onderbouwing van die stelling heef verweerder onderzoek gedaan naar het gebruik van de koopwoning en de huurwoning. Uit het onderzoek ingesteld naar de bankafschriften van de [bank] volgt dat het leven van eiser zich met name in en rondom [plaats 1] en [plaats 3] afspeelt. Daarbij wijst verweerder erop dat eiser en zijn echtgenote naar opticien [opticien] in [plaats 5] gaan, naar tandarts [tandarts] in [plaats 1] , naar apotheek [apotheek] in [plaats 1] , naar de podoloog [podoloog] in [plaats 1] en naar de mondhygiëniste [mondhygiëniste] in [plaats 6] ( [plaats 3] ). Verweerder heeft daarnaast uit de bankafschriften afgeleid dat de boodschappen zowel in [plaats 1] en omstreken als in [plaats 2] worden gedaan. Eiser en zijn echtgenote zijn lid van de Nordic Walking groep in [plaats 2] . Verder wijst verweerder erop dat het werk van eiser en zijn echtgenote wordt verricht in - de omgeving van - [plaats 1] en [plaats 4] . Als onderdeel van het onderzoek heeft verweerder een overzicht opgesteld van het energie en waterverbruik van de huurwoning en de koopwoning:

[plaats 1]

[plaats 2]

Elektriciteit laag tarief (kWh)

651

Elekr. normaal tarief (kWh)

946

1138

Gas (m³)

1453

442

Drinkwater (m³)

52

16. Tegen het door verweerder ingebracht overzicht van het energie- en waterverbruik heeft eiser ingebracht dat het jaarlijkse drinkwaterverbruik in [plaats 2] moet worden gesteld op 45,7 m³. Eiser heeft dit verbruik afgeleid uit cijfers van 2013 en 2015 door het verbruik in die jaren te delen door 3. Wat betreft het gasverbruik heeft eiser gesteld dat hij de verwarming in de huurwoning laat aanstaan ook gedurende de perioden dat hij daar niet is.

17. De rechtbank is gegeven de vaststaande feiten en al hetgeen partijen over en weer hebben gesteld en aangevoerd, van oordeel dat het zwaartepunt van eisers leven zich afspeelt in [plaats 1] en omgeving. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat ter zitting door de echtgenote van eiser op een vraag van de rechtbank over de door haar gewerkte uren is verklaard dat zij een 36 uur-contract heeft, dat zij een uur minder per week werkt en hier wel voor betaald wordt, maar dat zij gemiddeld genomen jaarlijks wel meer dan een half jaar verblijft in [plaats 1] of omstreken, en dat dit laatste ook geldt voor haar echtgenoot. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser en zijn echtgenote hun werkzaamheden in [plaats 4] , [plaats 3] en [plaats 1] of omgeving verrichten en daar al hun economische betrekkingen hebben. De rechtbank acht, gegeven de weerspreking door verweerder, niet aannemelijk geworden dat eiser vrijwel al zijn boodschappen in – de omgeving van – [plaats 2] doet. De rechtbank is daarom van oordeel dat de koopwoning niet als eigen woning in de zin van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet kan worden aangemerkt.

18. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. van Duijvendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.