Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11559

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
03-11-2017
Zaaknummer
NL17.8642
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Bulgarije, geen schending internationaal vertrouwensbeginsel, beroep ongegrond

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.8642


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: drs. F. Gieskes).

Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.8643, plaatsgevonden op 3 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Afghaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1987.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening). In dit geval heeft Nederland bij Bulgarije een verzoek om terugname gedaan. Bulgarije heeft dit verzoek aanvaard op 12 mei 2017.

3. Eiser voert aan dat in Bulgarije de detentie- en leefomstandigheden waaraan hij zal worden blootgesteld en de kwaliteit van de asielprocedure in strijd met de artikelen 3 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zijn. Hij wijst ter onderbouwing hiervan op de Research Note van de European Council on Refugees and Exciles (ECRE) / European Legal Network on Asylum (ELENA), ‘Reception conditions, detention and procedural safeguards for asylum seekers and content of international protection status in Bulgaria’ van februari 2016 (rapport ECRE/ELENA) en op het ‘Country Report on Human Rights Practices 2016 - Bulgaria’ van het US Department of State van 3 maart 2017 (Rapport US Department of State). Ook het meest recente rapport van AIDA over de situatie in Bulgarije in 2016 geeft hetzelfde beeld. Gelet op de informatie zoals blijkt uit deze rapporten, kan verweerder niet langer uitgaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel, aldus eiser. In beroep heeft eiser verder nog een aantal foto’s overgelegd, waarop asielzoekers te zien zijn die hebben gedemonstreerd tegen de slechte behandeling van asielzoekers in Bulgarije. Tegen deze asielzoekers is bruut geweld gebruikt, zoals uit de foto’s duidelijk te zien in. Ten slotte heeft eiser foto’s overgelegd van een maaltijd die asielzoekers in Bulgarije te eten krijgen en dient ter illustratie van de slechte omstandigheden aldaar.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Bulgarije nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rapporten die door eiser zijn genoemd zijn reeds betrokken in uitspraken van andere rechtbanken. In deze uitspraken is geoordeeld dat de rapporten geen aanleiding geven tot de conclusie dat er jegens Bulgarije niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Voor zover is aangevoerd dat uit het rapport van ECRE/ELENA zou blijken dat Dublin-terugkeerders worden gezien als illegale migranten die gedetineerd worden en behandeld worden alsof ze een opvolgende aanvraag hebben ingediend, stelt verweerder dat er vooralsnog geen aanleiding is voor het oordeel dat eiser bij terugkeer naar Bulgarije (als illegale vreemdeling) zal worden gedetineerd. Eiser zal immers rechtstreeks vanuit Nederland worden overgedragen aan Bulgarije op grond van de Dublinverordening.

Daarnaast hebben de Bulgaarse autoriteiten middels het claimakkoord gegarandeerd het asielverzoek van eiser in behandeling te nemen, zoals bedoeld in artikel 2, aanhef en onder d, Dublinverordening. Dit omvat, zoals kan worden afgeleid uit artikel 19, derde lid, Dublinverordening, mede dat de verantwoordelijke lidstaat de nodige maatregelen neemt en ten uitvoer legt om ervoor te zorgen dat de vreemdeling, wiens verzoek om internationale bescherming is afgewezen, die lidstaat verlaat. Er kan vanuit gegaan worden dat Bulgarije de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en het EVRM naleeft. Eiser heeft niet aangetoond noch aannemelijk gemaakt dat er concrete aanwijzingen zijn dat Bulgarije de verdragsbeginselen van het Vluchtelingenverdrag en het EVRM niet naleeft en Dublin-terugkeerders zou uitzetten naar hun land van herkomst voordat er aan het EVRM en het Vluchtelingenverdrag is getoetst. Bij voorkomende problemen in Bulgarije kan eiser zich wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten van Bulgarije dan wel geëigende instanties.

5. Het uitgangspunt van de Dublinverordening is dat alle betrokken lidstaten de verplichtingen die voortvloeien uit het Vluchtelingenverdrag en het EVRM naleven. Op grond van dit interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in beginsel van uitgaan dat de autoriteiten van Bulgarije zich houden aan verdragen en aan de tot haar - als lidstaat van de EU - gerichte richtlijnen, zoals Richtlijn 2013/33/EU (Opvangrichtlijn). Over een dreigende schending van de verdragsverplichtingen kan eiser klagen in de verantwoordelijke lidstaat. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als er sprake is van ernstige, structurele tekortkomingen in het systeem van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, zoals bedoeld in het arrest van het EHRM in de zaak M.S.S. tegen Griekenland en België van 21 januari 2011 (ECLI:CE:ECHR:2011:BP4356). Volgens vaste rechtspraak ligt het op de weg van eiser om dat aannemelijk te maken.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in deze zaak op goede gronden op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat in Bulgarije sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Uit de uitspraken van de Afdeling van 4 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:885 en ECLI:NL:RVS:2017:891) volgt dat verweerder in de verhouding tot Bulgarije nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan en dat een vreemdeling bij overdracht aan Bulgarije niet zonder meer een reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Het rapport van ECRE/ELENA van februari 2016 en het rapport van AIDA van oktober 2015 zijn in de beoordeling van de Afdeling betrokken. Het door eiser ingeroepen recentere rapport van AIDA van februari 2017 laat geen wezenlijk ander beeld zien dan waarvan de Afdeling in deze uitspraak is uitgegaan. Uit laatstgenoemde uitspraak van de Afdeling blijkt verder dat uit de rapporten van AIDA van oktober 2015 en van ECRE/ELENA van februari 2016 volgt dat slechts in het geval dat een vreemdeling die in Bulgarije een asielaanvraag heeft ingediend en daarop een in rechte vaststaand afwijzend besluit heeft gekregen alvorens hij Bulgarije heeft verlaten, of een vreemdeling die een afwijzend besluit heeft gekregen dat in afwezigheid bekend is gemaakt en waartegen geen beroep is ingesteld, na overdracht het risico loopt te worden beschouwd als niet reguliere migrant en direct naar een detentiecentrum te worden overgebracht. Voorts is in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 5 december 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:15011) op basis van informatie van de Bulgaarse State Agency for Refugees with the Council of Ministers geoordeeld dat Dublin-terugkeerders op grond van de geldende wetgeving in Bulgarije recht hebben op opvang indien de eerste asielaanvraag niet definitief op inhoudelijke gronden is afgewezen.

In de onderhavige zaak blijkt uit het dossier dat Bulgarije het terugnameverzoek heeft geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, en onder b, van de Dublinverordening. Dit houdt in dat eisers aanvraag nog in behandeling is bij de Bulgaarse autoriteiten. Hieruit kan niet worden opgemaakt dat de aanvraag op inhoudelijke gronden is afgewezen. Nu eiser zich niet op het standpunt heeft gesteld, noch aannemelijk heeft gemaakt dat zijn asielaanvraag in Bulgarije definitief is afgewezen op inhoudelijke gronden, heeft eiser na overdracht volgens de Bulgaarse wetgeving recht op opvang.

Met betrekking tot de ervaringen van eiser in de opvang van Bulgarije is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser over eventuele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen en de asielprocedure in Bulgarije kan klagen bij de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze mogelijkheid voor hem niet bestaat.

Met betrekking tot de in beroep overgelegde foto’s overweegt de rechtbank dat deze, reeds door gebrek aan objectiveerbare bewijswaarde, buiten beschouwing zullen worden gelaten.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. L.B.M. Klein Tank, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Bijvank, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.